ECLI:NL:RVS:2026:5361

ECLI:NL:RVS:2026:5361

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 202503177/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een woonark door een nieuw te bouwen woonark met drie zelfstandige woningen, waarbij de bestaande steiger wordt verkleind en een tweede toegangssteiger en twee afmeerpalen worden geplaatst op de locatie [locatie 1] in Amsterdam.

Uitspraak

202503177/1/R1.

Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2024 en van 17 april 2025 in zaken nrs. 23/6317, 23/6476 en 23/6515 (T) in het geding tussen onder meer:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een woonark door een nieuw te bouwen woonark met drie zelfstandige woningen, waarbij de bestaande steiger wordt verkleind en een tweede toegangssteiger en twee afmeerpalen worden geplaatst op de locatie [locatie 1] in Amsterdam.

Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college onder meer het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2024 (tussenuitspraak) heeft de rechtbank naar aanleiding van het door onder meer [appellant] daartegen ingestelde beroep het college in de gelegenheid gesteld het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het besluit van 26 september 2023 te herstellen.

Het college heeft op 17 februari 2025 een aanvullende motivering (herstelpoging) ingediend.

Bij uitspraak van 17 april 2025 (einduitspraak) heeft de rechtbank het door onder meer [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 september 2023 vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.

Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[partij] en zijn partner [partner] hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft op 11 juli 2025 met een nieuw besluit op bezwaar (nader besluit) de omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

[appellant] heeft gronden ingediend tegen het nadere besluit. Ook heeft [appellant] verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Afdeling heeft de zaak op 4 augustus 2026 behandeld op een zitting, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Abdelkader Mohamed, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door M.G. Spiegelenburg, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op

12 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het bouwplan omvat een nieuwe tweelaagse woonark met daarin drie zelfstandige woningen. De woonark komt volgens het bouwplan te liggen aan een bestaande steiger die wordt verkleind, een nieuwe steiger en twee afmeerpalen. [appellant] woont daar tegenover aan de [locatie 2] en is het om verschillende redenen niet eens met de omgevingsvergunning.

3. Ter plaatse geldt, voor zover hier van belang, het bestemmingsplan "Groengebied Schinkel". Op de gronden van het bouwplan gelden de bestemmingen "Water (WA)" met aanduiding "woonschepenligplaats", "Tuin 1 (T1)" en "Waterstaat waterkering (WS-WK)."

4. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning heeft het college, voor zover het de bestemming "Waterstaat waterkering (WS-WK)" betreft, afgeweken van het bestemmingsplan met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels voor afwijking als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo.

Wat houdt het oordeel van de rechtbank in?

5. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 26 september 2023 voor zover het de afwijking van de bestemming "Waterstaat waterkering" betreft, een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank heeft het college de gelegenheid gegeven dat gebrek te herstellen. In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit op bezwaar moet worden vernietigd omdat het, voor zover het de afwijking van de bestemming "Waterstaat waterkering" betreft, onvoldoende was gemotiveerd en het college dit gebrek na de tussenuitspraak met zijn herstelpoging niet heeft hersteld. Daarom moet de vergunning naar het oordeel van de rechtbank worden geacht in strijd met artikel 2.7, derde lid, aanhef en onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Groengebied Schinkel" te zijn verleend.

Wat voert [appellant] aan tegen de uitspraken van de rechtbank?

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan ook op andere onderdelen in strijd is met het bestemmingsplan "Groengebied Schinkel". Hij is het niet eens met het oordeel dat de woonark binnen het vlak met de aanduiding "woonschepenligplaats" is voorzien en dat zich in zoverre geen strijd voordoet met het bestemmingsplan. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat het college niet van de juiste begrenzing van het aanduidingsvlak is uitgegaan. De grens van dat vlak kan naar zijn mening uit een oogpunt van rechtszekerheid niet samenvallen met de oeverlijn, omdat die niet altijd hetzelfde is. De grens moet volgens hem mede gelet op de plantoelichting worden geacht daar te liggen waar het schuine vlak begint dat vanaf het niveau van het wegdek van het IJsbaanpad afloopt naar de oever van het water ten oosten van dat pad. Verder heeft de rechtbank naar zijn mening miskend dat, ook als wordt geoordeeld dat het college wel van de juiste begrenzing van het aanduidingsvlak is uitgegaan, de grenzen nog steeds worden overschreden. Daarnaast kan [appellant] zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er op een woonark meerdere huishoudens gevestigd mogen zijn. Het gebruik als woonverblijf overeenkomstig de begripsbepalingen in het bestemmingsplan sluit volgens hem meerdere woonverblijven uit.

Past de woonark binnen de grenzen van het vlak met de aanduiding "woonschepenligplaats"?

7. De rechtbank is in de tussenuitspraak onder 11 tot en met 13 gemotiveerd ingegaan op wat [appellant] heeft aangevoerd over de locatie van het aanduidingsvlak "woonschepenligplaats". Volgens die uitspraak heeft het college het aanduidingsvlak waar op grond van artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften ligplaatsen voor woonboten zijn toegestaan, juist vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank blijft de woonark binnen de grenzen van dat vlak. Daardoor is het bouwplan naar het oordeel van de rechtbank op dit onderdeel niet in strijd met het bestemmingsplan.

7.1. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de plankaart aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende voorschriften bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planvoorschrift letterlijk worden uitgelegd. Alleen als dat op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planvoorschriften (systematiek), komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.

7.2. Niet in geschil is dat het peil van het betrokken water in de loop van de tijd enigszins kan variëren en dat dit door het schuine verloop van de oever ook gevolgen heeft voor de ligging van de oeverlijn. Ook staat vast dat de hellingshoek zodanig is dat bij een stijging of daling van het waterpeil met een bepaald aantal centimeters, de verplaatsing van de oeverlijn een groter aantal centimeters kan bedragen, zoals [appellant] op de zitting heeft benadrukt. Dit betekent echter niet dat het college en de rechtbank ervan zijn uitgegaan dat de grens van het aanduidingsvlak - tevens de grens tussen de gronden met de bestemmingen "Water (WA)" en "Tuin 1 (T1)" - in zo'n geval meebeweegt met de waterlijn. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder 16 juist overwogen dat de begrenzing vast staat en dus niet fluctueert. Het college heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting over het hoger beroep in gelijke zin uitgelaten. De Afdeling ziet in de besluiten van het college en in de andere overwegingen van de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college en de rechtbank hierin niet consistent zijn.

Dit betekent dat het betoog in zoverre feitelijke grondslag mist.

7.3. Het oordeel van de rechtbank over de locatie van de grens van het aanduidingsvlak sluit ook aan bij de onderlinge verhouding tussen de naastgelegen stroken die zijn weergegeven op de ondergrond van de plankaart en bij de positie van lantaarnpalen en elektriciteitskastjes die op de ondergrond staan vermeld. De rechtbank heeft dit tijdens een onderzoek ter plaatse ook met die uitkomst nagemeten. Wat [appellant] hierover schriftelijk naar voren heeft gebracht in hoger beroep, geeft geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de rechtbank over de situering van het aanduidingsvlak. Dat geldt ook voor wat hij tijdens de zitting van de Afdeling naar voren heeft gebracht over de meest zuidelijk gelegen aanduiding "ongebouwde parkeervoorziening (po)" op de plankaart. Naar het oordeel van de Afdeling heeft die aanduiding namelijk geen betrekking op de strook grond met de bestemming "Tuin 1 (T1)" aan de kant van het IJsbaanpad waar het bouwplan is voorzien, maar alleen op de strook met dezelfde bestemming aan de andere kant van dat pad. Omdat de plankaart en planvoorschriften duidelijk zijn, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat aan de plantoelichting geen betekenis toekomt.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

7.4. Het standpunt van [appellant] dat de grenzen van het aanduidingsvlak ook worden overschreden als wordt aangenomen dat het college het aanduidingsvlak wel juist heeft vastgesteld, houdt met name verband met een schematische weergave van het bouwplan zoals die zich bij de stukken bevindt. Volgens [appellant] komt uit die weergave naar voren dat de woonark aan de noordkant niet volledig binnen de begrenzing van het aanduidingsvlak valt zoals het college die heeft aangehouden. Naar het oordeel van de Afdeling komt aan de schematische weergave, daargelaten de vraag of die werkelijk wijst op een overschrijding van het aanduidingsvlak, echter niet de betekenis toe die [appellant] daaraan toekent. Bepalend is of, uitgaande van de tekeningen bij de aanvraag die van exacte maten zijn voorzien, binnen het aanduidingsvlak wordt gebleven. Het college en de rechtbank hebben terecht geconcludeerd dat dat het geval is.

Het betoog slaagt ook in zoverre niet.

Zijn meerdere woonverblijven toegestaan?

8. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan per woonboot slechts één woning toestaat. De rechtbank is in de tussenuitspraak onder 26 gemotiveerd op deze grond ingegaan. Op grond van artikel 1.1 van de planvoorschriften is een woonboot een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt als of is bestemd tot woonverblijf. In artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder b, is geregeld dat de voor "Water" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "woonschepenligplaats" zijn bestemd voor ligplaatsen voor woonboten met de daarbij behorende individuele steigers, vlonders, vlotten en bergingen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften en de begripsbepaling van "woonboot" in artikel 1.1 niet volgt dat een woonboot is bestemd tot één woonverblijf met één huishouden. Dit volgt ook niet uit andere relevante bepalingen. De door [appellant] genoemde uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3254, leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak ging het namelijk niet over de vraag hoeveel woningen het bestemmingsplan toestond, maar over de vraag hoeveel woningen er gerealiseerd waren.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie uitspraken rechtbank

9. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vergunde woonark binnen het aanduidingsvlak past. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat meerdere woonverblijven in de woonark zijn toegestaan. Daardoor is het bouwplan op deze onderdelen niet in strijd met het bestemmingsplan. Dit betekent dat de rechtbank in haar einduitspraak terecht gebleven is bij wat zij in de tussenuitspraak over het aanduidingsvlak en de woonverblijven heeft overwogen.

Het hoger beroep is ongegrond.

Nader besluit van 11 juli 2025

10. Bij het nadere besluit van 11 juli 2025 heeft het college de omgevingsvergunning aanvullend gemotiveerd overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie, en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Tegen dit besluit, dat naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank is genomen, is, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, van rechtswege een beroep van [appellant] ontstaan.

11. Het college heeft bij het nadere besluit te kennen gegeven dat het bouwplan voldoet aan het vereiste in de planvoorschriften om te bouwen op gronden met de bestemming "Waterstaat waterkering". Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft bij besluit van 5 juni 2025 namelijk met het bouwplan ingestemd, zodat volgens het nadere besluit is voldaan aan de voorwaarde die hierover in de planvoorschriften is opgenomen.

12. [appellant] betoogt dat zich in dit opzicht nog steeds strijd voordoet met de planvoorschriften. Hij voert in dat verband aan dat uit de gegevens op het Omgevingsloket niet volgt dat het Hoogheemraadschap van Rijnland de beheerder van de waterkering is. Los daarvan betoogt hij dat de gegeven toestemming inhoudelijk niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, onder meer omdat deze onvolledig is.

13. Anders dan [appellant] stelt, is de kaart met het beheergebied van het Hoogheemraadschap via het Omgevingsloket te zien. Daarnaast is het beheergebied zichtbaar op de leggerkaart van het Hoogheemraadschap. Op grond hiervan mocht het college van burgemeester en wethouders ervan uitgaan dat het bouwplan in het beheergebied ligt van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Verder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gegeven toestemming onvolledig is of dat daarmee anderszins de strijd met de planvoorschriften niet is opgeheven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het volledige bouwplan aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden is voorgelegd en dat dit college daarmee uitdrukkelijk heeft ingestemd. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in verband hiermee is voldaan aan de voorwaarde die is opgenomen in de planvoorschriften.

Omdat de Afdeling besluiten beoordeelt naar de feiten en omstandigheden zoals die bij het nemen daarvan aan de orde waren, kan bij de beoordeling van het besluit van 11 juli 2025 geen rekening worden gehouden met de herziening op 24 maart 2026 van het besluit van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van 5 juni 2025 omdat de aangevraagde activiteit voor zover het de afmeerpalen betreft als vergunningvrij wordt beschouwd.

Het betoog slaagt niet. Het beroep is ongegrond.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

14. [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

14.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

14.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 14 maart 2023. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden.

De Afdeling wijst het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af.

Proceskosten

15. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 11 juli 2025 ongegrond;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

195

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W. den Ouden
  • mr. C.H. Bangma
  • mr. N.H. van den Biggelaar

Griffier

  • mr. C. Sparreboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand