ECLI:NL:RVS:2026:5364

ECLI:NL:RVS:2026:5364

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 202505765/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 4 juni 2025 heeft de opleidingsdirecteur geneeskunde namens de toelatingscommissie geneeskunde het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de bacheloropleiding geneeskunde afgewezen. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1973 en oud-student van de bacheloropleiding geneeskunde aan de faculteit geneeskunde en gezondheidswetenschappen van het Erasmus Medisch Centrum. Hij is in het studiejaar 1997-1998 met de opleiding geneeskunde gestart en heeft in dat studiejaar het propedeutisch examen van deze opleiding gehaald. Bij beslissing van 27 augustus 2014 heeft de decaan van de bacheloropleiding geneeskunde aan [appellant] een negatief bindend studieadvies gegeven. [appellant] had op uiterlijk 31 augustus 2014 60 studiepunten behaald moeten hebben, maar hij heeft 24 studiepunten behaald. In de beslissing staat verder dat [appellant], als hij zich na drie jaar opnieuw wil inschrijven voor de bacheloropleiding geneeskunde, contact kan opnemen met het Erasmus studenten service centrum en dat hij niet opnieuw mee hoeft te doen met de centrale loting, die op dat moment bij de toelating van studenten tot deze opleiding werd gehanteerd. Hij moet dan wel opnieuw beginnen in het eerste jaar van de bacheloropleiding.

Uitspraak

202505765/1/A2.

Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

het college van bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 4 juni 2025 heeft de opleidingsdirecteur geneeskunde namens de toelatingscommissie geneeskunde het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de bacheloropleiding geneeskunde afgewezen.

Bij beslissing van 7 oktober 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. den Hollander, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J. Spaans, P.A. van Os en Q.C.P. Sebregts, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1973 en oud-student van de bacheloropleiding geneeskunde aan de faculteit geneeskunde en gezondheidswetenschappen van het Erasmus Medisch Centrum. Hij is in het studiejaar 1997-1998 met de opleiding geneeskunde gestart en heeft in dat studiejaar het propedeutisch examen van deze opleiding gehaald.

2. Bij beslissing van 27 augustus 2014 heeft de decaan van de bacheloropleiding geneeskunde aan [appellant] een negatief bindend studieadvies gegeven. [appellant] had op uiterlijk 31 augustus 2014 60 studiepunten behaald moeten hebben, maar hij heeft 24 studiepunten behaald. In de beslissing staat verder dat [appellant], als hij zich na drie jaar opnieuw wil inschrijven voor de bacheloropleiding geneeskunde, contact kan opnemen met het Erasmus studenten service centrum en dat hij niet opnieuw mee hoeft te doen met de centrale loting, die op dat moment bij de toelating van studenten tot deze opleiding werd gehanteerd. Hij moet dan wel opnieuw beginnen in het eerste jaar van de bacheloropleiding.

3. Op 12 mei 2025 heeft [appellant] de opleidingsdirecteur verzocht om hem opnieuw in te schrijven voor de bacheloropleiding geneeskunde.

4. De opleidingsdirecteur heeft dit verzoek afgewezen, omdat het niet mogelijk is om aan de bacheloropleiding geneeskunde te beginnen zonder deelname aan de decentrale selectieprocedure. De centrale loting als selectieprocedure is per 2017 afgeschaft. Daarbij komt dat met ingang van 1 september 2024 een vernieuwd curriculum van kracht is gegaan. De wijzigingen in dit curriculum zijn van een dusdanige omvang dat er geen aansluiting meer is met de oude wijze van selectie.

5. Het college heeft het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Het college heeft vastgesteld dat uit de beslissing van 27 augustus 2014 inderdaad blijkt dat aan [appellant] een toezegging is gedaan dat hij na drie jaar zonder deelname aan de centrale loting opnieuw aan de bacheloropleiding zou kunnen beginnen. Omdat vanaf studiejaar 2017-2018 de centrale loting voor toelating tot de opleiding is afgeschaft en een decentrale selectieprocedure is ingericht, heeft die toezegging geen werking meer. Dit betekent dat [appellant], net als iedereen, de reguliere decentrale selectieprocedure moet doorlopen om op geschiktheid voor de opleiding te worden getoetst. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om een andere beslissing te nemen, aldus het college.

Beroep en oordeel Afdeling

Vertrouwensbeginsel

6. [appellant] betoogt dat hij mocht vertrouwen op de mededeling in de beslissing van 27 augustus 2014 dat hij niet opnieuw mee hoeft te doen aan de loting als hij zich na drie jaar opnieuw wil inschrijven voor de bacheloropleiding geneeskunde. Hij heeft zijn leven en toekomstplannen ingericht op een hernieuwde toelating tot de opleiding op het moment dat hij er klaar voor was. Bovendien heeft het college niet gemotiveerd waarom rechtstreekse toelating tot de opleiding een zwaarwegend publiek belang zou schaden.

6.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1230, onder 2.3.

6.2. De decaan van de bacheloropleiding geneeskunde heeft in de beslissing van 27 augustus 2014 namens het college van bestuur de onvoorwaardelijke toezegging gedaan dat [appellant], als hij zich na drie jaar opnieuw wil inschrijven voor de bacheloropleiding geneeskunde, niet weer met de loting hoeft mee te doen en de inschrijving dus niet via DUO verloopt. [appellant] mocht er gelet hierop op vertrouwen dat hem geen toelatingseisen zouden worden tegengeworpen als hij zich na 27 augustus 2017 opnieuw zou willen inschrijven voor de bacheloropleiding geneeskunde.

6.3. Dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen.

6.4. De Afdeling is van oordeel dat er belangen zijn die het college zwaarder heeft mogen wegen dan het belang dat [appellant] heeft bij rechtstreekse toelating tot de bacheloropleiding geneeskunde. Daartoe overweegt zij als volgt.

6.5. Met ingang van 1 januari 2017 is de centrale loting afgeschaft als selectiemethode voor toelating tot de bacheloropleiding geneeskunde. Op grond van artikel 7.56 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, gelezen in samenhang met artikel 7.53 van die wet, maken opleidingen met een capaciteitsbeperking, de zogeheten numerus fixus, voor de toelating van studenten sindsdien gebruik van een decentrale selectieprocedure, waarbij de selectie uitsluitend plaatsvindt op grond van kwalitatieve criteria. In de geschiedenis van de totstandkoming van de bepalingen over decentrale selectie staat dat deze vorm van selectie ertoe dient om de meest geschikte student toe te laten tot een numerus fixusopleiding en ook dat hiermee de positie van aspirant-studenten bij opleidingen met een numerus fixus gelijkwaardig wordt (Kamerstukken II 2012/13, 33 519, nr. 3, p. 14). Dit betekent dat het college, als hij [appellant] op basis van de in 2014 gedane toezegging tot de bacheloropleiding zou toelaten, moet voorbijgaan aan de algemene belangen die met de decentrale selectiemethode zijn gemoeid. Het college heeft er terecht op gewezen dat met de gewijzigde selectiemethode zwaarwegende belangen zijn gemoeid. In dit licht acht de Afdeling ook relevant dat het curriculum van de bacheloropleiding geneeskunde met ingang van 2024 is herzien. De eindtermen voor de bacheloropleiding geneeskunde werden in 2014 bepaald door het door de Nederlandse Federatie van Universitair Medisch Centra (NFU) opgestelde Raamplan Artsopleiding 2009. Op dit moment worden de eindtermen voor de opleiding bepaald door het door de NFU opgestelde Raamplan Artsopleiding 2020. In lijn met dit Raamplan heeft de Erasmus Universiteit voor de bacheloropleiding geneeskunde de onderwijsvormen aangepast en de leeruitkomsten en de wijze van toetsing gewijzigd. Daarbij komt dat de wijze waarop de Erasmus Universiteit de decentrale selectie voor de bacheloropleiding geneeskunde uitvoert op dit nieuwe curriculum aansluit. Daarmee wordt beoogd de meest geschikte studenten voor dit nieuwe curriculum te selecteren. De Afdeling neemt verder in aanmerking dat het college op de zitting heeft opgemerkt van mening te zijn dat toelating van [appellant] tot de opleiding tot gevolg zal hebben dat iemand anders, die op basis van de decentrale, kwalitatieve selectie is toegelaten, alsnog niet met de bacheloropleiding kan beginnen, omdat het aantal plaatsen is gemaximeerd op 400 en al die plaatsen zijn gevuld. Tegenover deze belangen staat het belang van [appellant] om rechtstreeks, dus zonder kwalitatieve selectie, tot de opleiding geneeskunde te worden toegelaten. Dat belang weegt minder zwaar dan de belangen van het college. [appellant] probeert, met grote tussenpozen, al sinds 1997 een geneeskundestudie af te ronden, maar heeft alleen een propedeuse gehaald in 1998. In 2014 moest hij stoppen door een NBSA. Hij heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom van hem nu niet mag worden verlangd deel te nemen aan een kwalitatieve selectie alvorens opnieuw aan de opleiding te kunnen beginnen.

Evenredigheidsbeginsel

7. [appellant] betoogt verder dat de beslissing van het college in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

7.1. [appellant] heeft in de context van het evenredigheidsbeginsel geen andere belangen aangevoerd dan in het kader van het vertrouwensbeginsel. De Afdeling is, gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen, van oordeel dat de afwijzing van het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de bacheloropleiding geneeskunde zonder deelname aan de decentrale selectieprocedure geen onevenredige gevolgen heeft.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. J.C.A. de Poorter, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Daalder

voorzitter

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

284-1175

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Artikel 7.53

1. Het instellingsbestuur kan per opleiding in verband met de beschikbare onderwijscapaciteit het maximum aantal studenten vaststellen dat voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding. De vaststelling geschiedt voor een studiejaar. Indien in een opleiding geen propedeutische fase is ingesteld, wordt onder «propedeutische fase» mede verstaan de fase in een bacheloropleiding die samenvalt met de eerste periode in een opleiding met een studielast van 60 punten.

2. Het instellingsbestuur selecteert de aspirant-studenten in verband met de beschikbare onderwijscapaciteit uitsluitend op grond van:

a. ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria;

b. ongewogen loting; of

c. een combinatie van ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria en loting, waarbij:

1°. een deel van de aspirant-studenten toegelaten wordt op basis van selectie op grond van ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria en de overige aspirant-studenten worden toegelaten op basis van ongewogen loting of de wijze van loting als bedoeld in subonderdeel 2°; of

2°. alle aspirant-studenten op basis van loting worden toegelaten, waarbij gewicht wordt toegekend aan ten minste twee kwalitatieve selectiecriteria.

2a Bij de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 1°, kan het instellingsbestuur de overige aspirant-studenten die op basis van selectie op grond van de kwalitatieve selectiecriteria niet zijn toegelaten, uitsluiten van de ongewogen loting of de wijze van loting als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, subonderdeel 2° op basis van de kwalitatieve selectiecriteria.

3. Het instellingsbestuur maakt tijdig de selectieprocedure en, indien van tetoepassing, de kwalitatieve selectiecritermoia of de wijze van loting bekend op grond waarvan de toelating zal plaatsvinden indien het aantal aspirant-studenten het maximum aantal, bedoeld in het eerste lid, zou overschrijden. Het instellingsbestuur stelt daartoe een reglement vast. Bij het vaststellen van het reglement houdt het instellingsbestuur rekening met de belangen van aspirant-studenten afkomstig uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onderscheidenlijk Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

4. Het instellingsbestuur schrijft niet meer studenten in dan het maximum aantal dat het instellingsbestuur in verband met de beschikbare capaciteit heeft vastgesteld.

5. Indien ten aanzien van een opleiding een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 7.56 is vastgesteld, blijft dit artikel buiten toepassing.

6. Voor 1 december van het kalenderjaar voorafgaande aan het studiejaar waarvoor de eerste vaststelling geschiedt, doet het instellingsbestuur hiervan mededeling aan Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling kunnen in ieder geval voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot:

a. de aanmeldingsdatum voor selectie;

b. indien een opleiding door meer dan één instelling als bedoeld in artikel 1.2, onder a, wordt verzorgd, het aantal selectieprocedures van een bepaalde opleiding waaraan een aspirant-student in hetzelfde studiejaar kan deelnemen;

c. de loting; en

d. de wijze waarop twee kwalitatieve selectiecriteria en loting gecombineerd kunnen worden.

Artikel 7.56

1. Indien het aanbod van afgestudeerden van een bepaalde opleiding de behoefte daaraan op de arbeidsmarkt in aanmerkelijke mate overtreft of dreigt te overtreffen en in andere situaties waarin dit in verband met beheersing van de arbeidsmarkt wenselijk wordt geacht, kan bij ministeriële regeling het aantal personen worden vastgesteld dat voor de twee studiejaren na vaststelling van de ministeriële regeling ten hoogste voor de eerste maal kan worden ingeschreven voor het eerste studiejaar van de desbetreffende opleiding aan alle universiteiten of hogescholen waaraan deze is verbonden waarbij een verdeling kan worden gemaakt van dat aantal over elk van de bedoelde instellingen.

2. Artikel 7.53, tweede lid, derde lid, vijfde lid en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

[…].

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand