202201713/1/V3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 maart 2022 in zaak nr. NL22.3399 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 16 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling daarop gereageerd.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 februari 2026. Appellant, vertegenwoordigd door mr. J.S. Dobosz, mr. A.M.V. Bandhoe en mr. P.M. Langereis, advocaten in Zoetermeer, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.S.H. Orsel en mr. F. Gerritsen, zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaken nrs. 202207346/1/V3 en 202300511/1/V3.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Poolse nationaliteit. De minister heeft bij besluit van 24 april 2019 zijn verblijfsrecht in Nederland beëindigd, bepaald dat hij Nederland meteen moet verlaten en hem ongewenst verklaard. Appellant is op 14 september 2021 vanuit bewaring verwijderd naar Polen. Na korte tijd is hij weer teruggekeerd naar Nederland. Meteen voorafgaand aan de inbewaringstelling van 27 februari 2022, die aan deze procedure ten grondslag ligt, was appellant strafrechtelijk gedetineerd. Hij heeft tussen 19 februari 2022 en 27 februari 2022 op strafrechtelijke titels vastgezeten. De bewaring is met ingang van 11 maart 2022 opgeheven in verband met de uitzetting van appellant.
Partijen zijn het erover eens dat de minister een inspanningsverplichting had om te voorkomen dat appellant aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie vreemdelingenrechtelijk in bewaring zou worden gesteld. Maar ze hebben verschillende standpunten over het ingangsmoment van de inspanningsverplichting en de vraag of de minister voldoende tijd had om uitvoering te geven aan de inspanningsverplichting.
1.1. Deze uitspraak gaat over de vraag wanneer een inspanningsverplichting als bedoeld in paragraaf A5/6.12 van de Vc 2000 in algemene zin ontstaat en of de minister in het geval van appellant aan de inspanningsverplichting heeft voldaan. De inspanningsverplichting is volgens de hiervoor genoemde paragraaf uit de Vc 2000 erop gericht om te voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld.
1.2. Het wettelijk kader, het beleidskader en de schriftelijke vragen die de Afdeling aan de minister heeft gesteld, zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
1.3. Op deze zaak is het recht en beleid van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Sinds de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en Migratiepact staat de inspanningsverplichting in paragraaf A5/6.13 van de Vc 2000.
Belang voor de rechtspraktijk
2. De Afdeling heeft vastgesteld dat er in verschillende hoger beroepen over de inspanningsverplichting op verschillende manieren door procespartijen en zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag wordt gedacht over het moment waarop een inspanningsverplichting ontstaat, wat daarvan de invulling moet zijn, wanneer een inspanningsverplichting is geschonden en hoe de belangen na een schending van de inspanningsverplichting worden gewogen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring.
Drie thema’s op zitting besproken
2.1. Omwille van de rechtseenheid en duidelijkheid voor zowel de minister, vreemdelingen als de rechtspraak, heeft de Afdeling een zitting gehouden in drie zaken aan de hand van drie thema’s, één thema per zaak: (1) de inspanningsverplichting tijdens een korte strafrechtelijke detentieperiode, (2) de inspanningsverplichting tijdens een lange strafrechtelijke detentieperiode en (3) de belangenafweging na vaststelling van een schending van de inspanningsverplichting.
2.2. Deze uitspraak gaat over het eerste thema, de inspanningsverplichting tijdens een korte strafrechtelijke detentieperiode. Het tweede thema, over een lange strafrechtelijke detentieperiode, bespreekt de Afdeling in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5413. Het derde thema over de belangenafweging komt aan bod in de uitspraak van de Afdeling, eveneens van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5412.
Een nieuwe lijn
2.3. De Afdeling zet in de hiervoor genoemde drie uitspraken van vandaag een nieuwe lijn uit voor de rechtspraktijk. Zij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat bij een korte strafrechtelijke detentieperiode de minister uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van het vonnis of na de dag waarop de executie van een eerder opgelegde gevangenisstraf aanvangt, een eerste voorbereidingshandeling in het kader van de inspanningsverplichting moet verrichten. Voor deze nieuwe lijn verwijst de Afdeling naar haar overwegingen onder 8.2 en verder in deze uitspraak, waarin zij ook nader ingaat op het onderscheid tussen korte en lange strafrechtelijke detentie in het licht van de inspanningsverplichting.
Leeswijzer
3. De Afdeling geeft eerst het standpunt van partijen weer (onder 4 tot en met 4.1). Daarna gaat zij in op de schriftelijke vragenronde en de zitting bij de Afdeling. Dat doet zij aan de hand van vier stappen in het contact tussen de strafrecht- en migratieketen die tijdens de zitting met partijen zijn besproken (onder 5 tot en met 5.5). Vervolgens volgt een weergave van de reactie van de minister (onder 6 tot en met 6.11) en van appellant (onder 7 tot en met 7.1) op basis van de schriftelijke vragenronde en de tijdens de zitting besproken stappen. Daarna volgt het oordeel van de Afdeling over het startmoment en de uitvoeringspraktijk van de inspanningsverplichting voor een korte strafrechtelijke detentieperiode in algemene zin (onder 8 tot en met 8.11), een tussenconclusie (onder 8.12) en de betekenis daarvan voor appellant (onder 8.13 tot en met 9).
Standpunten van partijen
4. Appellant klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister de inspanningsverplichting niet heeft geschonden. Daarover voert hij aan dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie geen voorbereidingshandelingen gericht op zijn vertrek heeft getroffen. De minister heeft appellant op 27 februari 2022 in bewaring gesteld, terwijl hij al op 21 februari 2022 - de datum van het mondelinge vonnis van de politierechter - bekend was met de strafrechtelijke veroordeling van appellant tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan drie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft volgens appellant ondeugdelijk gemotiveerd waarom een week voor de minister te kort is om voorbereidingshandelingen te verrichten, gericht op zijn vertrek naar Polen. In zijn tweede grief klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat de minister geen lichter middel heeft hoeven toe te passen.
4.1. Volgens de minister is de tijd tussen het op 21 februari 2022 onherroepelijk geworden vonnis en de inbewaringstelling op 27 februari 2022 te kort om van een schending van de inspanningsverplichting te kunnen spreken. De Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling in de Strafrechtketen (VRIS) van februari 2023 (Ketenprocesbeschrijving) biedt volgens hem in het geval van appellant geen aanknopingspunten voor een schending van de inspanningsverplichting.
Schriftelijke vragenronde en zitting bij de Afdeling
5. Voorafgaand aan de zitting heeft de Afdeling de minister vragen gesteld over de overdracht tussen de strafrecht- en migratieketen van informatie over vreemdelingen die in aanraking komen met het strafrecht en de wijze waarop de minister uitvoering geeft aan het beleid over de inspanningsverplichting. De Afdeling heeft de minister hierover tijdens de zitting nadere vragen gesteld aan de hand van de Ketenprocesbeschrijving, waarin die informatieoverdracht is geregeld. De Afdeling heeft dit gedaan aan de hand van vier stappen die hierna afzonderlijk en samengevat worden weergegeven. Voor een volledige weergave van de activiteiten en verantwoordelijkheden van de verschillende ketenpartners verwijst de Afdeling naar de Ketenprocesbeschrijving. Deze is te raadplegen op de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V).
Stappen in het contact tussen de strafrecht- en migratieketen
STAP 1: contact tussen politie, AVMM, KMar en OM
5.1. Op het moment dat een verdachte strafrechtelijk wordt aangehouden en uit identiteitsonderzoek blijkt dat de verdachte niet de Nederlandse nationaliteit of een verblijfstitel heeft, informeert de politie de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Migratiecriminaliteit en Mensenhandel (AVMM; voorheen: Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel) en de Koninklijke Marechaussee (KMar). AVMM of KMar stelt een M122-formulier op. Dit formulier is een indicatie dat een vreemdeling na de strafrechtketen wordt overgenomen in de migratieketen. Zie A.1 van de Ketenprocesbeschrijving. Het formulier wordt aan een vreemdeling kort voor de voorgeleiding aan de rechter-commissaris uitgereikt. AVMM of KMar stuurt een dossier met daarin een proces-verbaal met een V-nummer en een kopie van het M122-formulier door naar het Openbaar Ministerie (OM). In de tussentijd stellen AVMM of KMar een overdrachtsdossier op. Zie A.2 van de Ketenprocesbeschrijving.
STAP 2: registratie bij DJI
5.2. OM stelt een voorgeleidingsformulier op en stuurt dit naar het Administratie- en Informatiecentrum voor de Executieketen (AICE) als onderdeel van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). AICE stuurt dit formulier door naar de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Zodra een strafrechtelijk gedetineerde vreemdeling binnen DJI is geplaatst, stuurt DJI een registratiekaart door naar AVMM, KMar en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Op deze registratiekaart staan de detentielocatie en de (voorlopige) einddatum van de detentie. Zie C.1 van de Ketenprocesbeschrijving.
AVMM of KMar doet vervolgens onderzoek naar de identiteit en nationaliteit en onderzoekt of een origineel reisdocument of een identiteitsdocument beschikbaar is dat bruikbaar is als reisdocument. Als dat het geval is, dan vraagt AVMM of KMar aan DJI of OM die documenten op te sturen. Na het onderzoek stuurt AVMM of KMar de documenten retour naar DJI. Zie C.2 en C.3 van de Ketenprocesbeschrijving.
AVMM of KMar registreert vervolgens de registratiekaart in het informatiesysteem. Daarnaast stuurt AVMM of KMar de registratiekaart en een kopie van het M122-formulier terug naar de DJI-inrichting, voorzien van gegevens over de verblijfsstatus, de nationaliteit en het V-nummer.
STAP 3: contact tussen de ketens na bevel gevangenhouding
5.3. OM informeert DJI over de beslissing van een bevel gevangenhouding dan wel het toepassen van de vervangende hechtenis. DJI stuurt deze beslissing door naar AVMM en KMar. Zie C.4 van de Ketenprocesbeschrijving. AVMM of KMar start direct na ontvangst ervan met het overdrachtsdossier ten behoeve van het vertrek en verstuurt het dossier dan direct digitaal naar DT&V. Dat laatste gebeurt uiterlijk dertig dagen voor het einde van de detentieperiode, zie D.1 van de Ketenprocesbeschrijving. DT&V start vervolgens met het vertrekproces.
STAP 4: contact na strafrechtelijk vonnis of invrijheidsstelling
5.4. Op het moment dat een strafrechtelijk vonnis is gewezen, komt de Justitiële Informatiedienst (Justid) in beeld. Justid signaleert aan AVMM en KMar dat een vonnis executeerbaar is. AVMM en KMar raadplegen op zaaksniveau de Justitiële Documentatie, ook wel ‘strafblad’ genoemd, waarvan Justid de beheerder is. DJI informeert vervolgens AVMM, KMar en DT&V over de feitelijke ontslagdatum. Zie C.5 en C.6 van de Ketenprocesbeschrijving.
5.5. In gevallen waarin het niet tot een strafrechtelijk vonnis komt en de rechter-commissaris de invrijheidsstelling beveelt, informeert hij diezelfde dag OM. OM of de parketpolitie informeert vervolgens AICE, AVMM en KMar hierover. Dat gebeurt waar mogelijk al telefonisch of per e-mail. AVMM en KMar beslissen vervolgens over een mogelijke aansluitende inbewaringstelling of andere toezichtsmaatregelen. DT&V informeert AVMM of KMar of een vreemdeling een toezichtsmaatregel, waaronder vreemdelingenbewaring, opgelegd kan krijgen of in vrijheid kan worden gesteld (heenzending). Zie B.1.2 van de Ketenprocesbeschrijving.
Reactie van de minister op de schriftelijke vragen en de hiervoor genoemde stappen
Informatieoverdracht
6. De minister heeft op de vragen van de Afdeling een schriftelijke reactie gegeven. Als het gaat om de informatieoverdracht tussen de strafrecht- en migratieketen geldt volgens de minister als verbeterpunt dat die op structurele wijze moet worden geborgd. Zo beschikken de organisaties uit de migratieketen niet altijd over informatie over een voorgenomen invrijheidsstelling van een verdachte of veroordeelde vreemdeling die onrechtmatig in Nederland verblijft.
Detentie in PI Ter Apel
6.1. Strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf worden in beginsel gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI) Ter Apel. Dat gebeurt nadat een verdachte aan de rechter-commissaris is voorgeleid. Uit C.1 van de Ketenprocesbeschrijving blijkt dat de plaatsing uiterlijk dertig dagen na een bevel gevangenhouding of na de ingangsdatum van de preventieve hechtenis (de Afdeling begrijpt in deze context: de inverzekeringstelling en/of de voorlopige hechtenis), plaatsvindt. Deze PI is een zogenoemde VRIS-locatie, een gespecialiseerde penitentiaire locatie die onder DJI valt en waar vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf hun straf uitzitten. Vanuit deze locatie wordt door DT&V gewerkt aan de uitzetting van een strafrechtelijk gedetineerde vreemdeling zonder rechtmatig verblijf.
Belang van het M122-formulier en de registratiekaart
6.2. Over de verschillende stappen binnen de Ketenprocesregeling stelt de minister dat het onder 5.1 genoemde M122-formulier slechts een kennisgeving is dat er vanuit de migratieketen interesse is voor overname van een vreemdeling uit de strafrechtketen. Het formulier is niet relevant voor het bestaan van de inspanningsverplichting, maar geldt slechts als mededeling voor de toepassing van artikel 50, derde lid, of 50a, eerste lid, van de Vw 2000. Ketenpartners worden niet automatisch geïnformeerd dat er een M122-formulier is opgemaakt, omdat op het moment van het uitreiken van het formulier niet altijd duidelijk is wat de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling is.
6.3. De onder 5.2 genoemde registratiekaart wordt volgens de minister in de praktijk ongeveer een week na binnenkomst van de vreemdeling in de PI door DJI aan AVMM en KMar gezonden. Pas na afgifte van een bevel gevangenhouding door de rechter-commissaris stellen AVMM en KMar een overdrachtsdossier op en versturen dit direct digitaal naar DT&V. De registratiekaart zelf wordt na veertien dagen doorgestuurd naar DT&V. Zie C.4 van de Ketenprocesbeschrijving. Daarbij moet AVMM steeds een afweging maken waarin prioriteit wordt toegekend per zaak. Zo gaan zaken waarin een overnameverzoek op grond van de Dublinverordening speelt, volgens de minister altijd voor.
6.4. Het komt voor dat een gedetineerde onmiddellijk na een vonnis (de Afdeling begrijpt in deze context: rechterlijke uitspraak) in vrijheid wordt gesteld. In dat geval neemt de PI contact op met DT&V of AVMM voor een mogelijke overname van een vreemdeling door de migratieketen. De einddatum van de detentie wordt door AICE niet actief gedeeld met de politie. De politie monitort een verdachte of veroordeelde vreemdeling online via bevragingen in de Strafrecht Keten Data Bank en/of in Justid.
Het overdrachtsdossier
6.5. AVMM en KMar zouden direct na ontvangst van het bevel gevangenhouding een overdrachtsdossier moeten samenstellen en dit direct met DT&V moeten delen. Maar in de praktijk verstrijkt enige tijd voordat DT&V het overdrachtsdossier ontvangt, zo blijkt uit het antwoord van de minister op de vragen. Uit D.1 van de Ketenprocesbeschrijving blijkt dat het overdrachtsdossier uiterlijk dertig dagen voor de einddatum van de detentie bij DT&V moet zijn. Op de zitting heeft de minister gesteld dat hij doorgaans minimaal dertig dagen nodig heeft om een overdrachtsdossier op te maken en aan DT&V te sturen. Dat hangt onder meer samen met een aantal taken die AVMM en KMar verrichten voordat een overdrachtsdossier naar DT&V wordt verzonden. Deze taken hebben betrekking op het vaststellen van de identiteit, de verblijfsrechtelijke positie en, indien van toepassing, het opleggen van een vreemdelingenrechtelijke maatregel. Voordat er een overdrachtsdossier wordt opgemaakt, is de politie van de eenheid die de verdachte heeft aangeleverd, verantwoordelijk voor deze taken. AVMM of KMar monitort de voortgang van de voorbereidingshandelingen, totdat het overdrachtsdossier is geaccepteerd door DT&V. Iedere KMar-brigade beschikt hiervoor over een VRIS-coördinator.
6.6. Pas na het verrichten van de hiervoor genoemde taken stelt AVMM of KMar een overdrachtsdossier op. AVMM of KMar verzendt dit vervolgens naar DT&V. Zodra DT&V een volledig overdrachtsdossier ontvangt, beoordeelt deze dienst welke handelingen kunnen worden verricht ongeacht of de straf definitief is.
Aanvang inspanningsverplichting
6.7. Voor de vaststelling of er een inspanningsverplichting geldt, is volgens de minister in de eerste plaats relevant of een vreemdeling is veroordeeld en of de duur van de resterende detentie voldoende mogelijkheden voor DT&V biedt om aan terugkeer te kunnen werken. De registratiekaart is daarbij leidend.
Uit de schriftelijke reactie van de minister blijkt dat, als een vreemdeling een strafrechtelijk rechtsmiddel instelt, er wél gewerkt wordt aan een mogelijk vertrek, tenzij de gevangenhouding van een vreemdeling als gevolg van het rechtsmiddel wordt geschorst. In dat geval is de vreemdeling namelijk niet of niet altijd beschikbaar voor een eventuele uitzetting of overdracht. Op de zitting heeft de minister dit standpunt veranderd en gesteld dat de inspanningsverplichting pas geldt als de veroordeling onherroepelijk is. Tijdens de preventieve hechtenis kan de minister wel alvast een eerste gesprek met een gedetineerde vreemdeling houden, met de aankondiging dat, als het vonnis onherroepelijk is, de minister bij de vreemdeling terugkomt om uitvoering te geven aan zijn inspanningsverplichting. De onder 6.5 genoemde taken moeten daarbij volgens hem worden onderscheiden van de invulling die hij in een latere fase aan de inspanningsverplichting geeft.
6.8. Daarnaast kan DT&V volgens de minister pas vanaf de ontvangst van een volledig overdrachtsdossier werken aan voorbereidingshandelingen die onderdeel zijn van de inspanningsverplichting. Dat geldt dan alleen als er een overdrachtsdossier wordt aangemaakt. Zoals hiervoor onder 6.3 staat, gebeurt dat namelijk niet altijd vanwege afwegingen over prioritering van zaken. Een volledig overdrachtsdossier bevat onder meer een actuele registratiekaart van DJI, maar ook bijvoorbeeld een terugkeerbesluit of een bevel tot terugkeer om te weten naar welk land de terugkeer van een vreemdeling gerealiseerd moet worden. De voorbereidingshandelingen zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin moet daarbij gedacht worden aan:
- Het aanvragen van een vervangend reisdocument.
- Het voeren van een vertrekgesprek.
- Een aanvang maken met het boeken van een vlucht.
6.9. De prioriteit ligt in beginsel bij de relatief kort strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen, omdat de termijnen dan korter zijn en dus sneller moet worden gehandeld. Maar ook bij langdurig strafrechtelijk gedetineerde vreemdelingen kunnen voorbereidingshandelingen worden getroffen. DT&V probeert daarbij te voorkomen dat een moeizaam verkregen vervangend reisdocument niet langer kan worden benut om de uitzetting te effectueren doordat een gedetineerde vreemdeling nog geruime tijd zijn of haar straf moet ondergaan. Soms heeft het dus nog geen nut om bepaalde handelingen tijdens een langere strafrechtelijke detentie te verrichten.
Afstemming na strafrechtelijk vonnis
6.10. Op de zitting heeft de minister in aanvulling op de stappen toegelicht dat AICE op de hoogte moet raken van een vonnis. AVMM mag geen voorbereidingshandelingen verrichten als AICE nog geen duidelijkheid heeft gegeven over een strafrechtelijke veroordeling. Daar zijn volgens de minister doorgaans toch een paar dagen voor nodig. Pas na die verkregen duidelijkheid informeert DJI AVMM, KMar en DT&V over de feitelijke ontslagdatum. Zie ook C.6 van de Ketenprocesbeschrijving. Doorgaans legt de administratie van de rechterlijke macht bij een mondeling vonnis al op dezelfde dag contact met AICE.
Standpunt minister toegespitst op de zaak
6.11. De Ketenprocesbeschrijving biedt volgens de minister geen aanknopingspunten voor een schending van de inspanningsverplichting in het geval van appellant. Er was sprake van een korte duur van de strafrechtelijke detentie. Uit de registratiekaart blijkt dat appellant op 19 februari 2022 vanwege het plegen van een strafbaar feit in verzekering is gesteld. De politierechter heeft hem op een (super)snelrechtzitting op 21 februari 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan drie weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat dit vonnis op de dag van de zitting, 21 februari 2022, onherroepelijk is geworden. Aansluitend heeft appellant nog twee dagen uitgezeten voor twee openstaande zaken, waarna appellant aansluitend op zijn detentie op 27 februari 2022 in bewaring is gesteld. De tijd tussen het vonnis en de inbewaringstelling bedraagt zes dagen en dat is volgens de minister een te korte periode om van een schending van de inspanningsverplichting te kunnen spreken.
Reactie van appellant op de schriftelijke vragen en de hiervoor genoemde stappen
7. Appellant kan zich niet vinden in de reactie van de minister op de gestelde vragen. Hij betoogt dat de (super)snelrechtzitting op 21 februari 2022 was en dat de minister vanaf deze datum al voorbereidingshandelingen als onderdeel van de inspanningsverplichting had kunnen en moeten verrichten. AVMM had op die dag contact met OM moeten opnemen over de opgelegde straf of de einddatum. OM beschikt over de meest actuele informatie en faciliteert het doorzenden van die informatie.
7.1. Op de zitting heeft appellant toegelicht dat bij zogenoemde ZSM-zaken (Zorgvuldig, Snel en op Maat) er normaliter de nodige communicatie is tussen AVMM en de bij ZSM-zaken betrokken strafrechtelijke ketenpartners. Zo is er op de dag van het vonnis al telefonisch contact tussen de betrokken ketenpartners over de opgelegde straf. Dat de minister in deze zaak via de migratieketen sneller had moeten handelen, geldt temeer omdat hij in zijn reactie op de gestelde vragen heeft geantwoord dat hij prioriteit geeft aan voorbereidingshandelingen bij tot relatief korte straffen veroordeelde vreemdelingen. Doordat de minister heeft nagelaten voorbereidingshandelingen gericht op het vertrek van appellant te verrichten, heeft de bewaring onnodig lang geduurd en kon appellant pas op 11 maart 2022 worden uitgezet. Dit terwijl de benodigde documenten al in beslag waren genomen en bijvoorbeeld een aanvraag voor een laissez-passer niet nodig was. Om die redenen betoogt appellant dat de bewaring onrechtmatig was.
Beoordeling
8. Tot nu toe heeft de Afdeling in haar rechtspraak aangenomen dat de inspanningsverplichting ontstaat op het moment dat de minister bekend is met de datum van het ontslag van een vreemdeling uit strafrechtelijke detentie. Als die datum ongewis is en er geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling, geldt de inspanningsverplichting niet. De Afdeling verwijst naar haar eerdere uitspraken van 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:17, onder 1.1, en 2 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9731, onder 4.1.
8.1. In deze uitspraak komt de Afdeling terug van die rechtspraak en zet zij een nieuwe lijn uit. Dat wordt hierna toegelicht.
8.2. De Afdeling wijst in de eerste plaats op het ingrijpende karakter van vreemdelingenbewaring. Als uitgangspunt geldt daarom dat de inbewaringstelling een ultimum remedium is, wat ook de ratio is voor de verankering van de inspanningsverplichting in de Vc 2000. Als een vreemdeling vanuit een strafrechtelijke detentie of direct aansluitend daarop kan worden uitgezet, sluit dat aan bij dat uitgangspunt.
Verder wijst de Afdeling erop dat het Unierecht van lidstaten verlangt dat een bewaring van derdelanders zonder rechtmatig verblijf zo kort mogelijk duurt en niet langer duurt dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering (artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn). De Afdeling wijst erop dat specifiek voor Unieburgers zonder rechtmatig verblijf in een andere lidstaat geldt dat de minister niet de maximale bewaringsduur van zes maanden, bedoeld in artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000, kan aanhouden zonder in strijd te komen met het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562, onder 9.2.3, en het daarin genoemde arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2021, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., ECLI:EU:C:2021:505, punten 66 tot en met 72. Ook wijst de Afdeling op artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, waaruit volgt dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan nodig is voor de uitvoering van een overdracht. Dit onderstreept de noodzaak van een effectieve uitvoering van de inspanningsverplichting en duidelijkheid over het startmoment ervan.
8.3. Van de minister mag verwacht worden dat hij zich, zodra dit mogelijk is, vergewist van de status van een strafzaak en in het verlengde daarvan van de (voorlopige) einddatum van een strafrechtelijke detentie. Daarbij mag van de minister ook worden verwacht dat hij een actieve houding aanneemt.
8.4. Uit de onder 6.10 weergegeven reactie van de minister blijkt dat er doorgaans al op de dag van een mondeling vonnis telefonisch contact is tussen de administratie van de rechterlijke macht en AICE over een strafrechtelijke veroordeling of vrijspraak. Dat ligt naar het oordeel van de Afdeling ook in lijn met de situatie waarin de rechter-commissaris de onmiddellijke vrijheid van een gedetineerde vreemdeling beveelt en die vreemdeling daarna terug wordt gebracht naar een politiecel. In zo’n situatie moet ook zo snel mogelijk gehandeld worden in samenspraak met OM, parketpolitie, AICE, AVMM en KMar. De reden daarvoor is, naast de uitvoering die aan een strafrechtelijke beslissing moet worden gegeven, dat AVMM en KMar tijdig moeten kunnen bezien of er alsnog een inbewaringstelling moet volgen. De Afdeling wijst ter vergelijking op B.2.3 van de Ketenprocesbeschrijving. Dat is niet anders voor het contact tussen de strafrecht- en migratieketen na een strafrechtelijke veroordeling.
8.5. Het is aan de minister om toe te zien op efficiënte informatiestromen en -uitwisseling tussen de verschillende ketenpartners, waar dat relevant is voor de uitvoering van zijn beleid in paragraaf A5/6.12 van de Vc 2000. Informatie over de executie van een gevangenisstraf kan afzonderlijk van een nog op te stellen overdrachtsdossier worden gedeeld en rechtvaardigt om deze reden niet het standpunt van de minister dat op een compleet overdrachtsdossier gewacht moet worden. Bovendien heeft de minister bij brief van 19 december 2023 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2023/24, 19637, nr. 3184) laten weten te bezien in hoeverre de processtappen uit de Ketenprocesbeschrijving gedigitaliseerd en geautomatiseerd kunnen worden. Dat de minister wijst op een vertragend effect als gevolg van de administratieve verwerking, overtuigt de Afdeling, mede gelet daarop, onvoldoende.
8.6. Daarnaast heeft de Afdeling ambtshalve in verschillende zaken over de inspanningsverplichting geconstateerd dat het moment waarop de minister bekend is geraakt met de einddatum van een vonnis, wisselt. Dat betekent ook dat het startpunt van de inspanningsverplichting binnen de ‘oude’ rechtspraak zoals onder 8 weergegeven, per geval wisselend is. Dat is onwenselijk voor de betrokken vreemdelingen, de rechtseenheid en de rechtszekerheid. Naar het oordeel van de Afdeling mag de uitvoeringspraktijk bij een inspanningsverplichting niet afhankelijk gemaakt worden van het tijdsverloop van een administratieve verwerking van gegevens. Als dat wel zo zou zijn, dan ontstaat een situatie die op gespannen voet staat met een effectieve uitvoering van paragraaf A5/6.12 van de Vc 2000 en het daaraan ten grondslag gelegen uitgangspunt dat een inbewaringstelling als ultimum remedium geldt.
Startpunt inspanningsverplichting: datum vonnis
8.7. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de datum van het vonnis geldt als startmoment waarop de minister via de ketenpartners in de migratieketen bekend is, of geacht wordt te zijn, met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. De Afdeling volgt de minister daarbij in zijn standpunt dat de inspanningsverplichting níet geldt tijdens de preventieve hechtenis, omdat de einddatum van de strafrechtelijke detentie dan nog volledig ongewis is. Maar de Afdeling volgt de minister niet in zijn standpunt dat de inspanningsverplichting ook niet geldt tijdens de periode dat een vreemdeling zich in preventieve hechtenis bevindt en rechtsmiddelen heeft aangewend, of kan aanwenden, tegen een strafrechtelijke veroordeling waarbij hij of zij tot een gevangenisstraf is veroordeeld. Bij haar oordeel hierover betrekt de Afdeling dat de minister in zo’n geval bekend geacht wordt te zijn met een einddatum, of in ieder geval een mogelijke einddatum, van de strafrechtelijke detentie, zodat deze einddatum dan ook voor de minister niet meer volledig ongewis is. Mocht de detentieperiode als gevolg van een aangewend rechtsmiddel langer of korter uitvallen, dan doet dat niet af aan de tussentijdse verplichting van de minister om te voorkomen dat een vreemdeling na een strafrechtelijke detentie in vreemdelingenrechtelijke bewaring wordt gesteld. De inspanningsverplichting geldt dus ook als een vonnis nog niet onherroepelijk is. Hierop gelden twee uitzonderingen: als en voor zolang de voorlopige hechtenis van een vreemdeling, bij einduitspraak van de rechtbank of in verband met een ingesteld rechtsmiddel, door het gerechtshof of de Hoge Raad wordt geschorst of, als en voor zolang als de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke gevangenisstraf van een vreemdeling wordt onderbroken of opgeschort. In die gevallen is de vreemdeling namelijk niet of niet altijd beschikbaar voor een eventuele uitzetting of overdracht, zoals ook blijkt uit de schriftelijke reactie van de minister.
Uitvoering van de inspanningsverplichting bij korte strafrechtelijke detentie
8.8. Bij de bepaling van het startpunt van de inspanningsverplichting ontstaat in het kader van deze specifieke zaak vervolgens de vraag hoe de minister uitvoering aan zijn inspanningsverplichting moet geven bij een korte strafrechtelijke detentie.
8.9. De minister heeft toegelicht dat de prioriteit bij de uitvoering van de inspanningsverplichting in beginsel ligt bij relatief kort gestrafte vreemdelingen, omdat de termijnen dan korter zijn en dus sneller moet worden gehandeld. Ook heeft hij toegelicht dat er uiterlijk dertig dagen nodig zijn om te zorgen dat het overdrachtsdossier voor de einddatum van de detentie bij DT&V ligt, dat deze periode in beginsel ook nodig is, waarna DT&V uitvoering kan geven aan de inspanningsverplichting. Dat zou betekenen dat bij (super)snelrechtzittingen een aanzienlijke kans bestaat dat er geen overdrachtsdossier naar DT&V wordt gestuurd, om de eenvoudige reden dat zulke zittingen vaak al binnen dertig dagen na een strafrechtelijke aanhouding plaatsvinden en het goed denkbaar is dat een strafrechtelijke veroordeling ook nog binnen die dertig dagen uitgevoerd kan worden. Tegelijkertijd zal de minister juist bij korte strafrechtelijke detenties prioriteit moeten geven aan de inspanningsverplichting.
8.10. Op de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er geen definitie voor ‘kort’ of ‘lang’ is. De Afdeling komt op basis van wat hiervoor onder 8.9 is weergeven, tot het oordeel dat een korte strafrechtelijke detentie in de context van de uitvoeringspraktijk van de inspanningsverplichting wordt bepaald op een detentieperiode van maximaal dertig dagen.
Maximaal acht werkdagen voor een eerste voorbereidingshandeling
8.11. Uit de hiervoor weergegeven vier stappen (onder 5.1 tot en met 5.5) en de toelichting van de minister daarbij, blijkt dat er de nodige schakels zitten tussen het moment van een strafrechtelijk vonnis en het moment waarop DT&V bekend raakt met de einddatum van een strafrechtelijke detentie. In die tussentijd moet, zo is gebleken, onder meer bezien worden of er nog straffen openstaan of dat een gedetineerde vreemdeling nog een vervangende hechtenis moet ondergaan. De vraag is hoeveel dagen de minister moet worden gegeven om hieraan uitvoering te geven en een eerste voorbereidingshandeling te verrichten.
De Afdeling is van oordeel dat de minister maximaal acht werkdagen heeft om uitvoering te geven aan de inspanningsverplichting door in ieder geval een eerste voorbereidingshandeling te verrichten (vgl. onder 6.8), waarbij de dag van het vonnis als eerste werkdag meetelt. Concreet betekent dit dat de minister uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van het vonnis een eerste voorbereidingshandeling moet hebben verricht. De Afdeling houdt bij dit oordeel rekening met het belang van vreemdelingen bij een effectieve uitvoering van de inspanningsverplichting. Tegelijkertijd houdt de Afdeling rekening met een voor partijen werkbare uitvoeringspraktijk. Zo is het in sommige gevallen denkbaar dat de strafrechter een vonnis pas laat op de dag wijst, waardoor dit ook laat in de systemen wordt verwerkt en later zichtbaar is voor de betrokken ketenpartners. Met deze belangen heeft de Afdeling rekening gehouden in de vaststelling van de termijn van acht werkdagen. Hierbij heeft zij betrokken dat de minister heeft toegelicht dat DT&V geen piketregeling heeft voor de avonden en weekenden.
Tussenconclusie
8.12. Het startmoment van de inspanningsverplichting is de dag van het strafrechtelijke vonnis. Voor vreemdelingen die strafrechtelijk zijn aangehouden in verband met een nog openstaande gevangenisstraf op basis van een eerder strafrechtelijk vonnis, geldt als startmoment de dag waarop feitelijk de executie van die gevangenisstraf is aangevangen. Vanaf dat moment moet de minister aan zijn inspanningsverplichting invulling geven door uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van het vonnis of na de dag waarop feitelijk de executie van een gevangenisstraf is aangevangen, een eerste voorbereidingshandeling te verrichten. Daarbij moet de minister steeds rekening houden met de relevante feiten en omstandigheden van het geval.
Wat betekent dit concreet voor appellant?
8.13. Appellant is op 21 februari 2022 strafrechtelijk veroordeeld. Gelet op het vonnis, het uittreksel van de Justitiële Documentatie en de registratiekaart was het voor de minister duidelijk dat hij op 27 februari 2022 zou vrijkomen. Hij is op die dag aansluitend in vreemdelingenrechtelijke bewaring gesteld. De periode vanaf het vonnis tot de inbewaringstelling bedraagt zeven dagen, waarbij zowel de dag van het vonnis als de dag waarop appellant vanuit strafrechtelijke detentie is overgegaan naar vreemdelingenbewaring zijn meegerekend. Het gaat daarbij dus om een korte strafrechtelijke detentie. Hoewel de minister steeds het nodige moet doen om een inbewaringstelling van een vreemdeling aansluitend op een strafrechtelijke detentie te voorkomen en dus niet mag ‘stilzitten’, heeft hij ook vrijheid om eigen keuzes te maken over de invulling van de voorbereidingshandelingen op uiterlijk de zevende werkdag na de dag van het vonnis. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5649, onder 2.2, over de beoordelingsruimte van de regievoerder.
8.14. In dit geval heeft de minister de inspanningsverplichting niet geschonden en is de rechtbank terecht tot dat oordeel gekomen. Hij heeft uiterlijk op de zevende werkdag na de dag van het vonnis de nodige voorbereidingshandelingen moeten verrichten. Omdat de minister appellant op de zesde dag na de dag van het vonnis in bewaring heeft gesteld, was de periode van maximaal acht werkdagen nog niet volgelopen. Daarom heeft de minister de inspanningsverplichting in het geval van appellant niet geschonden.
8.15. De eerste grief slaagt niet.
8.16. Wat appellant in zijn tweede grief heeft aangevoerd leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
8.17. Uit wat hiervoor onder 8.2 is overwogen, volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van rechtspraak van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
9. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. V.V. Essenburg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
922
BIJLAGE
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 50
[…]
3. Indien de identiteit van de staande gehouden persoon onmiddellijk kan worden vastgesteld en indien blijkt dat deze persoon geen rechtmatig verblijf geniet, dan wel niet onmiddellijk blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft, mag hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Hij wordt aldaar niet langer dan gedurende zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.
[…]
Artikel 50a
1. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f tot en met h en m staande te houden, over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar op te houden, indien dit nodig is voor de voorbereiding van een besluit omtrent inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, 59a of 59b. De ophouding duurt ten hoogste zes uren, met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.
[…]
Artikel 59
[…]
5. Onverminderd het vierde lid duurt de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden.
[…]
Vreemdelingencirculaire 2000
A5. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
[…]
6.12. Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie
Het moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Als een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moet worden omdat feitelijk vertrek aansluitend aan de strafrechtelijke detentie niet mogelijk is, deelt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling tijdens de strafrechtelijke detentie mee dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, Vw naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Hier wordt de vreemdeling geïnformeerd over de verdere te volgen procedure. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van model M122, aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt moet een afschrift van model M122 worden gestuurd. De ambtenaar moet ook van de toepassing van dit artikel proces-verbaal (zie model M105-A) opmaken.
Vraagstelling aan de minister in zaak nr. 202201713/1/V3
De Afdeling heeft verschillende hoger beroepen in behandeling over de inspanningsverplichting van de minister van Asiel en Migratie tijdens de strafrechtelijke detentie voorafgaand aan een inbewaringstelling.
Naar aanleiding van die hoger beroepen heeft de Afdeling vragen over de wijze waarop de minister uitvoering geeft aan het beleid in paragraaf A5/6.12 van de Vc 2000.
ALGEMENE VRAGEN:
In algemene zin verzoekt de Afdeling onderstaande vragen te beantwoorden.
Vragen over het vaststellen van een inspanningsverplichting
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de inspanningsverplichting pas ontstaat op het moment dat de minister bekend is met de datum van het ontslag van een vreemdeling uit strafrechtelijke detentie. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 2 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9731, onder 4.1, en 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:17, onder 1.1.
De Afdeling stelt vast dat in zaken waarin een rechtsvraag over de inspanningsverplichting speelt, met regelmaat de relevante contextinformatie over het moment waarop een inspanningsverplichting ontstaat, ontbreekt. In de kern gaat het daarbij om een onherroepelijke einddatum van strafrechtelijke detentie, het moment waarop die einddatum (definitief) vastgesteld kon worden in de strafrechtketen en het moment waarop de migratieketen daarmee bekend is geraakt.
1. Kunt u toelichten hoe de informatieoverdracht tussen de strafrecht- en migratieketen verloopt? De Afdeling heeft ambtshalve kennisgenomen van een rapport hierover van de Inspectie Justitie en Veiligheid, "Een onderzoek naar informatieoverdracht tussen ketenpartners", van september 2021, en verzoekt u de inhoud daarvan te betrekken in uw reactie en die reactie toe te spitsen op een inspanningsverplichting.
2. Wanneer wordt de migratieketen op de hoogte gesteld van informatie die noodzakelijk is voor de vaststelling van een inspanningsverplichting? Concreet gaat het dan om informatie waaruit een einddatum van strafrechtelijke detentie blijkt en waaruit blijkt dat de veroordeling onherroepelijk is. In de hoofdconclusie van het onder 1 genoemde rapport (p. 14) concludeert de Inspectie Justitie en Veiligheid dat de organisaties die betrokken zijn bij het VRIS-proces in de meeste gevallen tijdig beschikken over de informatie die zij in dit kader nodig hebben. Deelt u die conclusie? En zo ja, kan daaruit afgeleid worden dat een document van de strafrechtketen met daarin een einddatum van strafrechtelijke detentie met u wordt gedeeld op de dag waarop dat document is opgemaakt? Zo niet, waarom gebeurt dat niet en/of is dat niet mogelijk?
3. Kunt u toelichten welke informatie voor u relevant is voor de vaststelling dat er een inspanningsverplichting geldt? Heeft u daarvoor bijvoorbeeld een registratiekaart van de Dienst Justitiële Inrichtingen nodig, of baseert u zich ook op andere informatie, en zo ja, welke?
4. In sommige zaken wordt verwezen naar een M122-formulier (mededeling toepassing artikel 50, derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000). Daaruit blijkt slechts dat een vreemdeling na ontslag uit (voorlopige) hechtenis zal worden overgebracht naar een plaats voor verhoor in het kader van vreemdelingenrechtelijke bevoegdheden. In hoeverre is het M122-formulier relevant voor de vaststelling van een inspanningsverplichting?
5. De Afdeling verzoekt u ook in te gaan op een eventuele periode van inverzekering-/inbewaringstelling en voorlopige hechtenis en het instellen van een rechtsmiddel tegen een strafrechtelijke veroordeling. Tijdens een periode van inverzekering-/inbewaringstelling dan wel voorlopige hechtenis is niet op voorhand bekend of, en zo ja wanneer, een vreemdeling in vrijheid wordt gesteld of mogelijk aansluitend een vrijheidsontnemende straf moet ondergaan. Daarnaast kan het instellen van een strafrechtelijk rechtsmiddel door een vreemdeling of het Openbaar Ministerie gevolgen hebben voor de duur van de voorlopige hechtenis of, na strafrechtelijke veroordeling, een beoogde ontslagdatum. Wat betekent dit voor de vraag of er een inspanningsverplichting geldt?
Vragen over de uitvoering van de inspanningsverplichting
6. Kunt u nadere informatie verstrekken over de wijze waarop u uitvoering geeft aan het beleid in paragraaf A5/6.12 van de Vc 2000 en eventuele nadere afspraken die u daarover heeft gemaakt?
7. Kunt u een overzicht geven van handelingen die u in het algemeen verricht om tijdens een strafrechtelijke detentie uitvoering te geven aan een inspanningsverplichting?
8. De Afdeling verzoekt u bij de vragen onder 6 en 7 ook in te gaan op een (mogelijk) verschil tussen vreemdelingen die langdurig strafrechtelijk zijn gedetineerd en vreemdelingen die een relatief korte strafrechtelijke detentie ondergaan. Op welke wijze geeft u invulling aan een inspanningsverplichting voor beide categorieën vreemdelingen? Heeft u daarover (interne) afspraken gemaakt en zo ja, welke?
Vragen over een mogelijke schending van de inspanningsverplichting
In het geval dat de minister geen of onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan een inspanningsverplichting, betekent dat niet dat de maatregel van bewaring daarom al onrechtmatig is. Er is namelijk ruimte voor een belangenafweging. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 23 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1548, onder 2.3, en 17 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:764, onder 1.
9. Kunt u toelichten welke afwegingen voor u relevant zijn bij de vraag of een schending van de inspanningsverplichting gevolgen moet hebben voor de rechtmatigheid van een bewaring?
ZAAKSGERELATEERDE VRAGEN:
De Afdeling verzoekt u om een schriftelijke uiteenzetting te geven en daarin de relevante aspecten uit de hiervoor genoemde vragen te betrekken.
Concreet betekent dit dat de Afdeling u onder meer verzoekt om in de schriftelijke uiteenzettingen per hoger beroep te betrekken of, en zo ja wanneer, er sprake was van een onherroepelijke einddatum van strafrechtelijke detentie, het moment waarop die einddatum (definitief) in de strafrechtketen is vastgesteld, het moment waarop de minister met die vaststelling bekend is geraakt en welke invulling u aan een eventuele inspanningsverplichting heeft gegeven.