202505719/1/A2.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], zonder vaste woon- of verblijfplaats,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 oktober 2025 in zaak nr. 25/486 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2024 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 11 december 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 augustus 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.J. Ouderdorp, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door C.H.L. Bakker en A. de Horde, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 31 mei 2024 heeft [appellante] een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend bij het college.
2. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van de algemene weigeringsgronden van artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening gemeente Uithoorn 2017 (Hvv). Daarin staat dat het college de urgentieverklaring weigert indien de aanvrager het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen of het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze kan oplossen. Volgens het college heeft [appellante] niet zo vaak als mogelijk gereageerd op het regulier aanbod voor een passende woonruimte, althans niet al het mogelijke gedaan om een woonruimte te vinden.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] het huisvestingsprobleem redelijkerwijs kon voorkomen of op andere wijze kan oplossen. Uit het dossier is niet gebleken dat zij actief naar huisvesting heeft gezocht. De stelling van [appellante] dat zij sinds 2021 meerdere keren per week op woningen heeft gereageerd, heeft zij niet onderbouwd met controleerbare en verifieerbare stukken. Nu een algemene weigeringsgrond van toepassing is, hoefde het college niet te beoordelen of aan [appellante] een urgentie om medische of sociale redenen kon worden verleend. Verder is de rechtbank [appellante] niet gevolgd in haar betoog dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule nopen.
Hoger beroep en beoordeling daarvan
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college haar mocht tegenwerpen dat zij niet al het mogelijke heeft gedaan om woningruimte te vinden. Zij heeft veelvuldig gereageerd op aanbod van passende woonruimte. Haar begeleider heeft dit ook ter zitting aan de rechtbank verklaard en [appellante] heeft het college nadien per e-mail een overzicht toegezonden waaruit blijkt dat zij elke week veelvuldig heeft gereageerd op woonruimteaanbod. Het gaat om minstens honderd reacties.
5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit een overzicht van Woningnet is gebleken dat [appellante] niet heeft gereageerd op passend woningaanbod, hoewel zij wel ingeschreven staat en haar woningen in Uithoorn en omgeving worden aangeboden.
5.2. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het college de weigeringsgrond zoals neergelegd in artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Hvv aan [appellante] mocht tegenwerpen. Uit artikel 4.2 van de Beleidsregels woonruimteverdeling gemeente Uithoorn 2017 volgt dat bovengenoemde weigeringsgrond zich voordoet als een aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat een huisvestingsprobleem zou ontstaan niet zo vaak als mogelijk op het regulier aanbod van voor de aanvrager passende woonruimte heeft gereageerd. In dat artikel staat eveneens vermeld dat de zinsnede "zo vaak als mogelijk" moet worden gelezen als "tenminste tweemaal per week, voor zover er tenminste twee keer per week voor de aanvrager passende woonruimte werd aangeboden". Op de zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat slechts relevant is hoe vaak in het jaar voorafgaand aan de aanvraag op woningen is gereageerd. In deze zaak van [appellante] loopt de beoordelingsperiode dus van 31 mei 2023 tot en met 31 mei 2024. Het is aan [appellante] om aan te tonen dat zij in die periode tenminste tweemaal per week op passende woonruimte heeft gereageerd, voor zover haar passende woonruimte werd aangeboden. Niet in geschil is dat [appellante] ten minste tweemaal per week passende woonruimte werd aangeboden. [appellante] heeft in hoger beroep screenshots overgelegd van de website van Huren in Holland Rijnland. Daaruit blijkt dat [appellante] in de beoordelingsperiode weliswaar heeft gereageerd op woningen, maar niet dat zij dat tweemaal per week heeft gedaan. De Afdeling constateert dat [appellante] in die periode slechts acht keer op een woning heeft gereageerd. Dat is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat zij zo vaak als mogelijk op het regulier aanbod voor een passende woonruimte heeft gereageerd.
Het betoog slaagt niet.
6. De grond die [appellante] in hoger beroep aanvoert over de hardheidsclausule is zo goed als een herhaling van de grond die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is op die grond ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder rechtsoverweging 5.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat ook uit de door [appellante] in hoger beroep overgelegde stukken niet blijkt dat er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
1033
BIJLAGE
Wettelijk kader
Huisvestingsverordening gemeente Uithoorn 2017
Artikel 2.5.5
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
[…].
Artikel 2.5.11
1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
[…]
Beleidsregels woonruimteverdeling gemeente Uithoorn 2017
Artikel 4.2
Een aanvraag wordt getoetst aan de algemene weigeringsgronden. Doet zich tenminste één weigeringsgrond voor, dan wordt de aangevraagde urgentie geweigerd. Als zich geen algemene weigeringsgrond voordoet wordt vervolgens beoordeeld of er een urgentiegrond aanwezig is. Bij deze beoordeling wordt gekeken of de aanvrager in een specifieke omstandigheid verkeert die aanleiding kan zijn voor toekenning van een urgentieverklaring. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het college van burgemeester en wethouders de aanvraag toetst aan de in artikel 2.5.5 van de verordening opgenomen algemene weigeringsgronden. Overigens zijn niet alle algemene weigeringsgronden van toepassing op alle urgentiegronden. In bijlage 1 is een tabel opgenomen waarin staat aangegeven welke algemene weigeringsgrond van toepassing is op welke urgentiecategorie. Hieronder worden cursief de in artikel 2.5.5, eerste en tweede lid, van de verordening opgenomen algemene weigeringsgronden geciteerd. Daarbij wordt voor elk van deze weigeringsgronden de nadere uitwerking van het college van burgemeester en wethouders gegeven.
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
Hiervan is in ieder geval sprake als:
- de aanvrager niet al dat redelijkerwijs tot zijn mogelijkheden behoort in het werk heeft gesteld om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;
- de aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen, tot een jaar voorafgaand aan zijn aanvraag, een, ook voor zijn huidige situatie, passende regulier aangeboden woning heeft geweigerd;
- in de twee jaar direct voorafgaand aan zijn aanvraag een urgentie heeft gekregen voor hetzelfde huisvestingsprobleem als dat nu aan zijn aanvraag ten grondslag ligt;
- de aanvrager heeft gelet op zijn inkomen of vermogen de middelen om zelf in een oplossing voor het huisvestingsprobleem te voorzien;
- de aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat een huisvestingsprobleem zou ontstaan niet zo vaak als mogelijk op het reguliere aanbod van voor de aanvrager passende woonruimte heeft gereageerd. De zinsnede "zo vaak als mogelijk" in de vorige zin moet gelezen worden als "tenminste tweemaal per week, voor zover er tenminste twee keer per week voor de aanvrager passende woonruimte werd aangeboden";
- de aanvrager, gelet op zijn inschrijfduur als woningzoekende, wordt geacht zelf een woning te kunnen vinden binnen een, gelet op de aard en ernst van het huisvestingsprobleem, redelijke termijn.
[…].