ECLI:NL:RVS:2026:5480

ECLI:NL:RVS:2026:5480

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 202505565/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 20 juni 2018, waarin het CBR het bezwaar van [appellant] tegen de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs ongegrond heeft verklaard, afgewezen. Deze zaak gaat over de vraag of het CBR het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden zijn.

Uitspraak

202505565/1/A2.

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 18 september 2025 in zaak nr. 24/6213 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 20 juni 2018, waarin het CBR het bezwaar van [appellant] tegen de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs ongegrond heeft verklaard, afgewezen.

Bij besluit van 5 september 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 augustus 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Deze zaak gaat over de vraag of het CBR het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden zijn.

Wettelijk kader

2. Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:

"1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking."

Voorgeschiedenis

3. Bij besluit van 19 augustus 2014 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd. Op 4 juli 2015 is het onderzoek verricht door M.R.W. Guijt (arts) en P.J. van Dalen (psychiater). Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] bij besluit van 15 maart 2016 ongeldig verklaard. Bij besluit van 18 juli 2016 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 juni 2017 heeft de rechtbank Noord-Holland het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling is bij uitspraak van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1552, tot het oordeel gekomen dat het CBR het door Guijt en Van Dalen opgestelde psychiatrische rapport niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen, omdat het rapport een gebrek vertoont. Het is namelijk niet duidelijk of overleg heeft plaatsgevonden tussen Guijt en Van Dalen. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard enECLI:NL:RVS:2019:2358 het CBR opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het CBR heeft naar aanleiding hiervan navraag gedaan naar de wijze waarop het rapport van Guijt en Van Dalen tot stand is gekomen. Van Dalen heeft in een brief van 13 juni 2018, welke mede door Guijt is ondertekend, vermeld dat de keuring is verlopen volgens de gangbare werkwijze en dat hij naar schatting 5 à 10 minuten heeft doorgebracht in de onderzoekskamer samen met de betrokkene en Guijt. Het gesprek met de keuringsarts en psychiater had een totale tijdsduur van ca. 35 minuten. Bij besluit van 20 juni 2018 heeft het CBR het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2358, heeft de Afdeling geoordeeld dat met het besluit van 20 juni 2018 voldoende inzichtelijk is gemaakt dat het onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Verzoek om herziening

4. Bij brief van 26 januari 2024 heeft [appellant] verzocht om herziening van het besluit van 20 juni 2018. Hij voert aan dat Guijt en Van Dalen op 24 maart 2023 bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) verklaringen hebben afgelegd die strijdig zijn met de verklaringen uit de brief van 13 juni 2018. In de brief van 13 juni 2018 hebben Guijt en Van Dalen de procedure zoals die volgens hen op 4 juli 2015 heeft plaatsgevonden beschreven. Die brief is ten grondslag gelegd aan het besluit van 20 juni 2018. Op 24 maart 2023 hebben Guijt en Van Dalen tegenover het CTG echter verklaard dat zij de bewuste keuring niet meer kunnen herinneren. Volgens [appellant] dienen de verklaringen van 24 maart 2023 als nieuw gebleken feiten te worden aangemerkt.

Besluitvorming

5. Het CBR heeft het verzoek bij besluit van 21 maart 2024, gehandhaafd bij besluit van 5 september 2024, afgewezen, omdat [appellant] geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld die tot een ander besluit zouden moeten leiden.

Uitspraak van de rechtbank

6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding geven tot herziening van het besluit van 20 juni 2018.

Hoger beroep en beoordeling daarvan

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangedragen die aan het besluit van 20 juni 2018 kunnen afdoen. Guijt en Van Dalen hebben op 24 maart 2023 verklaard dat zij zich de keuring van 4 juli 2015 niet konden herinneren. In de uitspraak van 10 juli 2019 heeft de Afdeling overwogen dat de brief van 13 juni 2018 van Guijt en Van Dalen niet enkel een verwijzing bevat naar de gangbare procedure. Als de Afdeling had geweten dat Guijt en Van Dalen geen concrete herinneringen hadden aan de keuring ten tijde van het opstellen van de brief van 13 juni 2018, dan had de Afdeling waarschijnlijk anders geoordeeld.

7.1. In een beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) van 18 juli 2017 staat dat: "Guijt ter zitting heeft toegelicht hoe de standaard gang van zaken tijdens een dergelijke keuring was. (…) Guijt kan zich de bewuste keuring niet herinneren. Zijn gebruikelijke werkwijze is om zijn bevindingen door te nemen in aanwezigheid van klager en psychiater." In de beslissing van 18 juli 2017 van het RTG in de zaak van Van Dalen staat vermeld: "Van Dalen kan zich de keuring van eiser niet herinneren, maar heeft ter zitting in het algemeen toegelicht hoe een dergelijke keuring verloopt."

7.2. Guijt heeft bij het CTG op 24 maart 2023 het volgende verklaard: "Ik kan me die bewuste keuring echt niet meer herinneren. In de brief aan de heer Kwant van het CBR is aangegeven dat de keuring volgens de gangbare werkwijze is verlopen. Er is geen aantekening gemaakt dat de keuring anders dan gebruikelijk is verlopen. Als bij de keuring wordt afgeweken van de gebruikelijke werkwijze wordt daarvan een aantekening gemaakt." Van Dalen heeft daar het volgende verklaard: "Op uw vraag of ik in de verklaring die is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak niet beter had kunnen schrijven dat ik niet met zekerheid kan zeggen hoe de keuring feitelijk is verlopen, antwoord ik dat nog eens naar de verklaring heb gekeken. Ik heb de reactie toen naar eer en geweten geschreven. Het was niet mijn bedoeling om de heer [appellant] te benadelen. Het leek mij passend om de algemene werkwijze weer te geven. Ik bestrijd echt dat wij de verklaring in de brief van 13 juni 2018 vanuit kennis van deze specifieke keuring hebben geconstrueerd. De werkwijze bij het BRK is behoorlijk gestandaardiseerd. Er is geen reden om aan te nemen dat deze keuring anders was dan normaal. Ik hou mij strikt aan de standaardwerkwijze. Ik weet zeker dat ik elke keuring op deze manier doe. Dit is de gangbare werkwijze. Het kan dan ook niet anders of de keuring is zo verlopen."

7.3. De Afdeling overweegt dat de verklaring van 24 maart 2023 van Guijt en Van Dalen overeenkomt met hun eerdere verklaringen die zijn opgenomen in de beslissingen van het RTG van 18 juli 2017. Hun verklaringen van beide data houden in dat zij zich van de keuring van [appellant] op 4 juli 2015 niets meer kunnen herinneren. Uit het feit dat Van Dalen op 24 maart 2023 heeft verklaard dat het hem passend leek om in de brief van 13 juni 2018 de algemene werkwijze weer te geven en dat hij bestrijdt dat de verklaring van 13 juni 2018 vanuit kennis van de specifieke keuring is geconstrueerd, volgt ook dat de verklaring van 24 maart 2023 niet afdoet aan de brief van 13 juni 2018 die bij de besluitvorming van 20 juni 2018 is betrokken. Uit de verklaring van 24 maart 2023 volgt daarmee slechts een nadere uitleg van de wijze waarop de brief van 13 juni 2018 moet worden bezien tegen de achtergrond van de verklaringen op 18 juli 2017. Dat Guijt en Van Dalen op 24 maart 2023 hebben verklaard dat zij zich de bewuste keuring niet meer kunnen herinneren, is daarom geen nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het CBR het verzoek om herziening daarom heeft mogen afwijzen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

9. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.

w.g. Drop

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Engele

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

1033

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.M. Engele

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand