202406916/1/A3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2024 in zaak nr. 23/8663 in het geding tussen:
[appellant]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2023 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van gegevens afgewezen.
Bij besluit van 28 november 2023 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op de motivering van de zoekslag en het niet voldoen aan de doorzendplicht. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover deze zien op de motivering van de zoekslag.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. van Drunen, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. P.M.L. van der Schot-Schröder, advocaat in Loosdrecht, zijn verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze uitspraak over?
1. [appellant] heeft inzage gehad in zijn persoonsgegevens in AIVD-dossiers. Hij stelt dat hij daarbij een proces-verbaal tegenkwam van een project "Dierenrechtactivisme" van de Unit Terrorismebestrijding en Bijzondere Taken van de Dienst Rechercheonderzoeken van de politie. Volgens [appellant] is dit project in opdracht van het College van procureurs-generaal gestart. Het was een onderzoek naar "de aard, ernst, omvang en impact van acties gevoerd onder de naam van dierenrechtenactivisme". Dit dossier heeft waarschijnlijk nummer RL 8017. [appellant] heeft met een beroep op de Wet open overheid (Woo) aan de korpschef verzocht om hem een afschrift te sturen van alle documenten die op dit project en onderzoek betrekking hebben. Ook wil hij een afschrift van het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer 28-831310 en van alle stukken die hebben geleid tot dit proces-verbaal en die naar aanleiding van dit proces-verbaal zijn opgesteld.
2. De korpschef heeft het verzoek afgewezen omdat uit een inventarisatie is gebleken dat het onderzoek RL 8017 ongeveer twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden en de gegevens van het onderzoek niet meer beschikbaar zijn. Een zoekslag naar het nummer van het proces-verbaal van bevindingen leverde niks op.
3. Bij het besluit op bezwaar heeft de korpschef de afwijzing van het verzoek gehandhaafd, met een verbetering van de motivering. De korpschef heeft gesteld dat bij een nadere zoekslag documenten zijn gevonden, maar dat de hierin vermelde gegevens op zichzelf, dan wel bezien in de context van de documenten waarin ze zijn opgenomen, politiegegevens zijn. De bijzondere openbaarmakingsregeling van de Wet politiegegevens (Wpg) prevaleert boven de toepassing van de bepalingen van de Woo. Daarom is er geen plaats voor openbaarmaking van deze informatie op grond van de Woo.
Wat heeft de rechtbank overwogen?
4. De rechtbank heeft overwogen dat de korpschef duidelijk heeft gemaakt op welke zoektermen is gezocht. Maar de rechtbank is van oordeel dat de korpschef pas in het verweerschrift de zoekslag voldoende heeft gemotiveerd. De korpschef heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift en de informatie die tijdens de hoorzitting is ontvangen een nieuwe zoekslag verricht. Deze zoekslag is verricht door medewerkers met het hoogste autorisatieniveau van Contra-Terrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER) en Dienst Landelijke Informatieorganisatie (DLIO). Daarnaast is de zoekslag verricht via de privacyfunctionarissen van de staf en via de registerbeheerder van de Landelijke Eenheid. Gelet op de verrichte zoekslagen kan de rechtbank de stelling van [appellant], dat het onderzoek RL 8017 zich nog onder de korpschef moet bevinden omdat er geen proces-verbaal van vernietiging is overgelegd, niet volgen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de onder geheimhouding overgelegde documenten en vastgesteld dat het twaalf Summ-IT registraties zijn. De rechtbank is met de korpschef van oordeel dat deze documenten politiegegevens in de zin van de Wpg bevatten. Indien de documenten zouden worden ontdaan van politiegegevens, zou verstrekking daarvan zinledig zijn. Gelet hierop en omdat de Woo geen verplichting kent tot het maken van een inventarislijst, vindt de rechtbank het niet onaanvaardbaar dat de korpschef geen inventarislijst heeft gemaakt.
Vanwege de verrichte zoekslagen vindt de rechtbank het niet ongeloofwaardig dat de korpschef geen andere documenten onder zich heeft. Maar de korpschef wist of had wel kunnen weten dat er mogelijk informatie onder het College van procureurs-generaal berust. De korpschef had het Woo-verzoek daarom door moeten zenden naar of navraag moeten doen bij dat college.
De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd voor zover dat ziet op de motivering van de zoekslag en het niet voldoen aan de doorzendplicht. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand blijven voor zover deze zien op de motivering van de zoekslag.
5. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld.
Wat heeft [appellant] in hoger beroep aangevoerd?
Bevatten de documenten politiegegevens?
6. [appellant] bestrijdt de overweging van de rechtbank dat de documenten politiegegevens in de zin van de Wpg bevatten.
6.1. Dit betoog slaagt niet. Hoewel [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Woo heeft gevraagd, betekent dat niet per definitie dat de gevraagde documenten daarmee ook onder de Woo vallen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor de toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens. Zie daarover de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2004. Hetzelfde geldt voor de toepassing van de Woo.
Zoals de Afdeling verder in die uitspraak heeft overwogen, is bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren.
6.2. De Afdeling is na kennisname van de onder geheimhouding overgelegde documenten van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de documenten politiegegevens in de zin van de Wpg bevatten. Anders dan [appellant] heeft betoogd, zijn de hierin vermelde data politiegegevens omdat, zoals de korpschef ter zitting heeft toegelicht, aannemelijk is dat deze gegevens in combinatie met andere gegevens herleidbaar zijn tot een persoon. Indien de documenten zouden worden ontdaan van de politiegegevens, zou verstrekking van die gegevens zinledig zijn. De korpschef heeft daarom terecht de openbaarmaking van de documenten geheel geweigerd omdat deze politiegegevens bevatten.
Inventarislijst
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet onaanvaardbaar is dat de korpschef geen inventarislijst heeft opgesteld. Volgens [appellant] moet de korpschef door middel van een inventarislijst een overzicht geven van de aangetroffen documenten, ook als die niet onder de reikwijdte van de Woo vallen. Hij verwijst daartoe naar een uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2739. Omdat de korpschef heeft nagelaten om inzicht te geven in de aangetroffen documenten, is het volgens [appellant] onmogelijk om beroepsgronden aan te voeren. Daardoor is hij in zijn procespositie geschaad.
7.1. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Woo geen verplichting kent tot het vervaardigen van een inventarislijst. Het zorgvuldigheidsbeginsel kan onder omstandigheden vereisen dat het bestuursorgaan inzicht biedt in zijn besluitvorming, door bijvoorbeeld een inventarislijst op te stellen. Dat was het geval in de door [appellant] genoemde uitspraak van de Afdeling. Maar die situatie doet zich in dit geval niet voor. Anders dan in die uitspraak heeft de korpschef in dit geval voldoende duidelijk gemaakt hoeveel documenten er zijn gevonden, wat voor soort documenten het zijn en waarom de openbaarmaking van al deze documenten wordt geweigerd. De korpschef heeft toegelicht dat het gaat om twaalf registraties uit het politiesysteem Summ-IT en dat de openbaarmaking van deze documenten geheel wordt geweigerd omdat deze politiegegevens bevatten. Een verdere toelichting kan de korpschef niet geven zonder inzicht te geven in de inhoud van de politiegegevens. Dat wat [appellant] heeft aangevoerd biedt daarom geen grond voor het oordeel dat de korpschef meer inzicht had moeten bieden in zijn besluitvorming, door bijvoorbeeld een inventarislijst op te stellen. De stelling van [appellant] dat het onmogelijk is om beroepsgronden aan te voeren, is overigens feitelijk onjuist en kan de Afdeling niet volgen.
Is de zoekslag volledig geweest?
8. [appellant] bestrijdt de overwegingen van de rechtbank dat de korpschef de zoekslag voldoende heeft gemotiveerd en dat het niet ongeloofwaardig is dat de korpschef geen andere documenten onder zich heeft. De korpschef heeft volgens [appellant] ten onrechte niet gezocht op de zoekterm "dierenrechtactivisme". Uit een door hem overgelegd stuk blijkt volgens hem dat een deel van de registraties niet is vastgelegd onder het trefwoord "dierenrechtenactivisme", maar onder het trefwoord "dierenrechtactivisme". De zoekslag van de korpschef is daarom onvolledig.
Verder voert [appellant] aan dat dossiers over strafrechtelijke vervolging niet vernietigd mogen worden en dus nog beschikbaar moeten zijn. Hij wijst er verder op dat onderzoekplatform Follow the Money resultaten van een onderzoek heeft gepubliceerd waaruit blijkt dat de politie, in tegenstelling tot haar wettelijke plicht, geen gegevens uit politieregisters verwijdert. Dat wordt ook bevestigd in een brief van 4 februari 2019 van de minister van Justitie en Veiligheid aan de voorzitter van de Tweede Kamer. Ook dit betekent volgens hem dat de gevraagde documenten nog beschikbaar moeten zijn. Volgens [appellant] suggereert de korpschef dat er stukken zijn vernietigd. Maar van die vernietiging is geen bewijs, zoals een proces-verbaal van vernietiging.
8.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2617) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
8.2. [appellant] heeft met de algemene stellingen, dat de korpschef zich niet houdt aan wettelijk voorgeschreven bewaartermijnen en dat dossiers over strafrechtelijke vervolging niet vernietigd mogen worden, wat daar ook van zij, niet op concrete wijze aannemelijk gemaakt dat er in dit geval meer documenten moeten zijn. Datzelfde geldt voor wat hij heeft aangevoerd over het ontbreken van een proces-verbaal van vernietiging.
Verder heeft [appellant] met zijn betoog, dat de korpschef heeft nagelaten om te zoeken op de term "dierenrechtactivisme", niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten moeten zijn. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van gegevens over een specifiek dossier en een specifiek proces-verbaal. De korpschef heeft ter zitting uitgelegd dat, gelet op de wijze waarop de politiesystemen zijn ingericht, dergelijke gegevens naar boven zouden moeten komen door te zoeken op de specifieke nummers. Dat is gebeurd. Daarom is niet aannemelijk dat een nadere zoekslag op de term "dierenrechtactivisme" tot nieuwe gegevens zal leiden. Dat achteraf is gebleken dat de korpschef deze term in een document heeft gebruikt, leidt niet tot het oordeel dat de zoekslag onvolledig is geweest.
8.3. Het betoog slaagt niet.
Doorzendplicht
9. [appellant] voert aan dat de korpschef de opdracht van de rechtbank om het verzoek naar het College van procureurs-generaal door te sturen te beperkt heeft opgevat. De korpschef heeft de opdracht zo begrepen dat de doorzendplicht alleen geldt voor de uitvoering van het onderzoek RL 8017. Maar de doorzendplicht geldt ook voor de
processen-verbaal.
9.1. Dit betoog is niet gericht tegen een overweging van de uitspraak van de rechtbank en kan daarom niet slagen. De korpschef heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank het verzoek van [appellant] doorgezonden naar het Openbaar Ministerie, waar het College van procureurs-generaal onder valt. Daar kan [appellant] de opdracht van de rechtbank aan de orde stellen.
Proceskosten
10. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om de korpschef te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten voor het bezwaar.
10.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestaat recht op vergoeding van de kosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar alleen dan, indien het besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Omdat het besluit van 26 april 2023 niet is herroepen, kan [appellant] geen aanspraak maken op een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
12. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Larsson-van Reijsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
978