202405110/1/R3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1], wonend in Enschede,
2. [appellant sub 2], wonend in Enschede,
3. [appellant sub 3], wonend in Enschede,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Enschede,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5A" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.
Bij besluit van 9 maart 2026 (het herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5A" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben gronden aangevoerd tegen dit besluit.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J. van der Kaap, rechtsbijstandverlener in Groningen, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. A. Durmus, advocaat in Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door ing. R.C. van der Spek en C. Meijerink, zijn verschenen. Verder is op de zitting Interspace B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 1 juni 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de transformatie van het kantoorgebouw op de percelen Visserijstraat 3, 5 en 5a in Enschede. In de plantoelichting bij het oorspronkelijke besluit staat dat de initiatiefnemer het voornemen had om het kantoorgebouw te transformeren naar een wooncomplex met zes woningen, namelijk vier appartementen en twee maisonnettes. Daarbij maakte het plan op het pand een vierde verdieping mogelijk, die volgens de plantoelichting bestemd was voor een kantoorruimte. Ook voorzag het plan in de mogelijkheid om het pand ter plaatse van het parkeerterrein aan de zuidzijde uit te breiden.
Dat plan is met het herstelbesluit gewijzigd. De kantoorfunctie is komen te vervallen en in plaats daarvan maakt het gewijzigde plan een extra woning mogelijk op de bovenste bouwlaag. In de plantoelichting bij het herstelbesluit staat dat het herstelbesluit daarnaast voorziet in een nadere motivering op het gebied van schaduwwerking en parkeren en het repareren van enkele planregels.
[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wonen allen in de directe omgeving van het plangebied. Zij vrezen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat.
Herstelbesluit
3. Met het herstelbesluit heeft de raad het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Het herstelbesluit kent aan de gronden van het plangebied niet langer de bestemming "Gemengd - 1", maar de bestemming "Wonen" toe. De maatvoering voor het maximum aantal wooneenheden is ten opzichte van het oorspronkelijke plan bijgesteld van zes naar zeven wooneenheden. Verder is in het herstelbesluit onder meer met een voorwaardelijke verplichting geborgd dat overal waar in het plangebied bouwmogelijkheden zijn en waar de afstand tot naburige percelen 2 m of minder is, een blinde gevel moet worden gerealiseerd en in stand gehouden. Ook is de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 9.1 van de planregels van het oorspronkelijke besluit niet meer opgenomen in het herstelbesluit en is de afwijkingsbevoegdheid in artikel 8.1, onder a, van de planregels in het herstelbesluit aangepast, zodat niet meer kan worden afgeweken van de in het plan voorgeschreven maximale bouwhoogte.
4. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege een beroep van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] is ontstaan tegen het herstelbesluit. De Afdeling zal eerst de van rechtswege ontstane beroepen tegen het herstelbesluit beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen tegen het besluit van 15 juli 2024.
De van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het herstelbesluit van 9 maart 2026
Ingetrokken beroepsgronden
5. Op de zitting heeft [appellant sub 3] zijn beroepsgronden over de evidente privaatrechtelijke belemmering en de strijd met de Nota Parkeernormen Enschede 2017 ingetrokken. [appellant sub 1] heeft zijn beroepsgronden over het te kleine parkeervak en fietsparkeren ingetrokken.
Toetsingskader
6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Strijd met de Omgevingsverordening Overijssel 2017
7. [appellant sub 1] betoogt dat het plan in strijd is met artikel 2.2.2, vijfde lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (Omgevingsverordening). Hij voert hierover aan dat uit de plantoelichting niet blijkt dat de raad over dit plan overleg heeft gevoerd met het college van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel of de gemeenten in de regio.
7.1. Artikel 2.2.2, vijfde lid, van de Omgevingsverordening luidt:
"Wanneer de realisatie van nieuwe woningen niet past binnen geldende woonafspraken of wanneer er voor de gemeente geen woonafspraken gelden, dan moet de behoefte aan nieuwe woningen aangetoond worden door middel van actueel onderzoek woningbouw waarop de instemming is verkregen van zowel de gemeenten in de regio als Gedeputeerde Staten."
Het begrip "woonafspraken" is in artikel 2.2.1, onder d, van de Omgevingsverordening gedefinieerd als "bestuurlijke afspraken tussen provincie Overijssel en gemeenten over onder meer doelgroepen, wonen en zorg, stedelijke vernieuwing, toekomstbestendigheid bestaande voorraad, programmeren en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt".
7.2. De raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat de Twentse gemeenten, waaronder Enschede, met de provincie Overijssel en het Rijk in de "Woondeal Twente: Wonen met Kwaliteit" van 2 december 2022 (Woondeal) afspraken hebben gemaakt op het gebied van woningbouw. Deze afspraken zijn geactualiseerd in de "Actualisatie Woondeal Twente 2025 t/m eind 2030" van 20 maart 2025 (de actualisatie). Op pagina 24 van de actualisatie, waar de raad in zijn verweerschrift ook naar verwijst, staat dat tussen 2024 en eind 2030 in Enschede 6.440 woningen gebouwd moeten worden.
7.3. De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 2.2.2, vijfde lid, van de Omgevingsverordening. Daarover overweegt zij dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van de zeven in het plan voorziene woningen past binnen de 6.440 woningen die volgens de geldende woonafspraken in de Woondeal tussen 2024 en eind 2030 in Enschede moeten worden gebouwd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat de raad op grond van artikel 2.2.2, vijfde lid, van de Omgevingsverordening verplicht was om de woningbehoefte te onderbouwen met een actueel onderzoek woningbouw als bedoeld in die bepaling.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met het parapluplan "Kwalitatief sturen op appartementen 2022"
8. [appellant sub 1] betoogt dat het plan in strijd is met het parapluplan "Kwalitatief sturen op appartementen 2022" (het parapluplan). Hij voert hierover aan dat ten onrechte niet in het bestemmingsplan, maar alleen in de plantoelichting uitdrukkelijk is beschreven dat het bestemmingsplan in de plaats treedt van het parapluplan. Omdat de raad dit niet uitdrukkelijk in het bestemmingsplan heeft aangegeven, is het plan volgens [appellant sub 1] niet in de plaats getreden van het parapluplan.
8.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3412, onder 3.2, is het uitgangspunt dat met de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan het voorgaande bestemmingsplan wordt overschreven, tenzij uit het nieuwe bestemmingsplan volgt dat het voorgaande bestemmingsplan (al dan niet gedeeltelijk) in samenhang met het nieuwe bestemmingsplan blijft gelden. Of en in hoeverre een voorgaand plan zijn betekenis behoudt, is afhankelijk van de bewoordingen in de planregels, in combinatie gelezen met de verbeelding.
De Afdeling stelt vast dat uit de regels van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5A", in combinatie met de verbeelding, niet blijkt dat ter plaatse het parapluplan in samenhang met dat bestemmingsplan blijft gelden. Dat betekent dat het parapluplan in het plangebied van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5A" niet langer geldt, omdat het parapluplan door dat plan is overschreven. Het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5A" is dus niet in strijd met het parapluplan.
Het betoog slaagt niet.
De toegestane maximale bouwhoogte
9. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat de in het plan voorziene maximale bouwhoogte van 13 m te hoog is. Zij voeren hierover verschillende beroepsgronden aan, die de Afdeling hierna zal bespreken.
Wat maakt het plan aan bebouwing mogelijk?
9.1. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan aan het gehele plangebied de bestemming "Wonen" toekent. Binnen die bestemming voorziet het plan in één bouwvlak met een oppervlakte van 360 m2. In dat bouwvlak is de maximale bouwhoogte met twee verschillende maatvoeringen begrensd. Aan de volledige west-, zuid- en oostzijde van het bouwvlak is een maximale bouwhoogte van 10 m toegestaan. Daartussen is in het middenstuk van het bouwvlak een deelvlak met een diepte van ongeveer 7,5 m opgenomen, waarin een maximale bouwhoogte van 13 m is toegestaan.
De Afdeling stelt verder vast dat het plan aan een strook langs de gehele noordzijde van het bouwvlak, én aan stroken van delen van de west- en zuidzijde van het bouwvlak, de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - blinde gevel" toekent. Deze stroken zijn 2 m breed. Op grond van artikel 3.3.3 van de planregels is het in overeenstemming met de bestemming "Wonen" gebruiken van bebouwing ter plaatse van die aanduiding alleen toegestaan als de gevel inclusief de kap als blinde gevel wordt uitgevoerd en in stand gehouden.
Op grond van artikel 3.2.2, onder b, van de planregels mag de maximale bouwhoogte worden overschreden door een balustrade met een hoogte van maximaal 1,3 m, die voor ten minste 50% transparant is. In artikel 3.2.2, onder c, van de planregels is bepaald dat zo’n balustrade niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - blinde gevel".
Stedenbouwkundige inpassing
10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom de maximale bouwhoogte van 13 m in het plangebied vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Volgens hen past een gebouw met vier bouwlagen niet in de stedenbouwkundige structuur van de Visserijstraat. Daarbij wijzen zij erop dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan slechts een maximale bouwhoogte van 10 m was toegestaan.
10.1. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De omstandigheid dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan slechts een maximale bouwhoogte van 10 m was toegestaan, leidt op zichzelf dus niet tot de conclusie dat de raad de maximale bouwhoogte van 13 m niet aanvaardbaar heeft kunnen achten.
De Afdeling is verder van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maximale bouwhoogte van 13 m die het plan toestaat vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad in paragraaf 4.1 van de plantoelichting heeft toegelicht dat de vierde bouwlaag een zogenoemde "setback", een terugliggende bouwlaag, heeft. Volgens de raad zorgt die setback ervoor dat het in het plan voorziene wooncomplex zich, ondanks de maximale bouwhoogte van 13 m, in het straatbeeld voegt. Deze setback is ook planologisch geborgd, omdat niet direct aan de west- en oostzijde, maar alleen in het midden van het bouwvlak een maximale bouwhoogte van 13 m is toegestaan. Verder betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat een bouwhoogte van 13 m in de omgeving van het plangebied niet uitzonderlijk is. Zoals de raad terecht stelt in zijn verweerschrift, zijn in de directe omgeving van het plangebied ook maximale bouwhoogten van 15 m toegestaan, bijvoorbeeld op de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].
Het betoog slaagt niet.
Bezonning
11. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren aan dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van schaduwwerking op hun percelen. Volgens hen heeft de raad hun belangen onvoldoende meegewogen in zijn belangenafweging. Daarbij stelt [appellant sub 2] dat de raad ten onrechte concludeert dat slechts sprake is van een beperkte verslechtering van de schaduwhinder. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad daarnaast niet redelijkerwijs meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van de in het plan voorziene ontwikkeling dan aan zijn belangen, omdat die ontwikkeling tot gevolg heeft dat in zijn woning ruimschoots niet wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. [appellant sub 3] heeft verder op de zitting toegelicht dat het plan leidt tot een verminderde opbrengst van zijn zonnepanelen.
11.1. Voor de bezonning van woningen bestaan geen wettelijke normen. Dat neemt niet weg dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging moet maken van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De raad heeft de "Zonnestudie Visserijstraat 3-5A Enschede" van 22 september 2025, opgesteld door Zonnestudie.nl (de zonnestudie), aan het herstelbesluit ten grondslag gelegd. De zonnestudie is opgenomen in bijlage 7 bij de plantoelichting.
In de zonnestudie is weergegeven welke gevolgen het in het plan voorziene wooncomplex heeft voor de bezonning van de direct aan het plangebied grenzende percelen [locatie 1] en [locatie 2], waar de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] staan. Daarbij is de bezonningssituatie op die percelen getoetst aan de zogenoemde lichte TNO-norm, die inhoudt dat er in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober minimaal twee bezonningsuren per dag zijn op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam.
11.2. In de zonnestudie wordt geconcludeerd dat zowel in de bestaande situatie als in de nieuwe situatie niet wordt voldaan aan de lichte TNO-norm. Zo wordt op pagina 48 van de zonnestudie geconcludeerd dat de meetpunten op de begane grond op het perceel [locatie 2] zowel in de bestaande situatie als in de nieuwe situatie op 19 februari en 21 oktober helemaal geen zoninval hebben. Op het perceel [locatie 1] is slechts op twee van de drie meetpunten op de begane grond sprake van zoninval op 19 februari en 21 oktober. Wel volgt uit de zonnestudie dat de bezonningssituatie van één van die meetpunten verslechtert, omdat de zoninval in de nieuwe situatie afneemt van 45 minuten naar 15 minuten per dag.
11.3. De raad heeft in paragraaf 5.1.8 van de plantoelichting toegelicht dat weliswaar sprake is van enige verslechtering van de bezonningssituatie bij de woningen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2], maar dat de effecten van het plan beperkt en aanvaardbaar zijn in een stedelijke omgeving. Volgens de raad leidt de vermindering van de bezonning er niet toe dat bij de woningen geen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. De raad heeft verder meegewogen dat op de begane grond en enkele ramen op de verdiepingen van de woningen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] ook in de bestaande situatie op 19 februari en 21 oktober niet aan de lichte TNO-norm wordt voldaan en dat er op die percelen slechts één raam is waar in de bestaande situatie nog wel, maar in de nieuwe situatie niet meer aan de lichte TNO-norm wordt voldaan. Ook wijst de raad erop dat met het plan wordt voorzien in de behoefte aan meer woningen. In zijn verweerschrift heeft de raad toegelicht dat de raad de belangen die gemoeid zijn met de uitvoering van het plan zwaarder vindt wegen dan de schaduwhinder die het plan tot gevolg heeft voor de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3]. Verder wijst de raad erop dat in een hoogstedelijke omgeving minder strenge eisen worden gesteld aan de mate van bezonning.
11.4. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad het belang dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben bij de bezonningssituatie op hun percelen voldoende heeft meegewogen bij de vaststelling van het plan. Weliswaar is sprake van een verslechtering van de bezonningssituatie op hun percelen, maar de raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat die verslechtering er niet toe leidt dat op die percelen geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij heeft de raad in zijn afweging mogen betrekken dat ook in de bestaande situatie op hun percelen al sprake is van een ongunstige bezonningssituatie waarin niet wordt voldaan aan de lichte TNO-norm en dat met het plan wordt voorzien in de behoefte aan extra woningen. Ook heeft de raad er gewicht aan mogen toekennen dat in een stedelijke omgeving andere eisen mogen worden gesteld aan bezonning dan in een minder bebouwde omgeving. De Afdeling ziet in zoverre dus geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de gevolgen van het plan voor de bezonningssituatie op de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet aanvaardbaar heeft mogen achten.
11.5. Voor zover [appellant sub 3] heeft aangevoerd dat het plan leidt tot een verminderde opbrengst van zijn zonnepanelen, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals in de uitspraak van 29 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4449, onder 11.4, is overwogen, is de raad weliswaar niet verplicht een stedelijke omgeving zo in te richten dat bestaande zonnepanelen optimaal gebruikt kunnen worden, maar moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan wel het belang van eigenaren bij het kunnen opwekken van duurzame energie betrekken.
Wat [appellant sub 3] hierover heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. [appellant sub 3] heeft in zijn zienswijze op het ontwerpbesluit naar voren gebracht dat de in het plan voorziene ontwikkeling invloed heeft op de zonnepanelen die op het dak van zijn woning liggen en dat die invloed ten onrechte niet is onderzocht en betrokken in de belangenafweging van de raad bij de vaststelling van het plan. In de zienswijzennota is de raad daarop ingegaan door toe te lichten dat met een bezonningsstudie is aangetoond dat sprake is van een minimale belemmering. In beroep heeft [appellant sub 3] niet geconcretiseerd dat deze toelichting van de raad niet juist is. Naar het oordeel van de Afdeling is dat onvoldoende voor de conclusie dat de raad het belang van [appellant sub 3] bij het kunnen opwekken van duurzame energie onvoldoende heeft betrokken in zijn belangenafweging.
De betogen slagen niet.
Onevenredige belangenafweging
12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het onevenredig is om een extra bouwlaag toe te staan. Zij voeren hierover aan dat met die extra bouwlaag slechts één extra woning mogelijk wordt gemaakt, terwijl die bouwlaag wel een nog een ingrijpendere aantasting van hun woon- en leefklimaat tot gevolg heeft. Zij wijzen daarbij op de aantasting van hun privacy, de toename van schaduwwerking en een aantasting van hun uitzicht door de dominante gevel direct aan de erfgrens.
12.1. De raad heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat hij een integrale belangenafweging heeft gemaakt, waarbij zowel het belang van de woningbouwontwikkeling als de belangen van omwonenden zijn betrokken. De raad stelt zich daarbij op het standpunt dat de belangen die met het plan gemoeid zijn, namelijk dat wordt voorzien in een kwalitatieve herontwikkeling van de locatie, dat een bijdrage wordt geleverd aan de woningbouwopgave en dat een bijdrage wordt geleverd aan doelmatig ruimtegebruik binnen het bestaand stedelijk gebied, zwaarder wegen dan de belangen van omwonenden. Daarnaast stelt de raad zich in zijn verweerschrift op het standpunt dat enig verlies van privacy als gevolg van het plan niet is uit te sluiten, maar dat de aantasting van de privacy niet zodanig is dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft de raad betrokken dat het plangebied ligt in een stedelijke, dichtbebouwde omgeving, waar in de bestaande situatie al sprake is van een beperkte mate van privacy.
12.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de belangenafweging die de raad aan het plan ten grondslag heeft gelegd onevenredig is. De raad heeft redelijkerwijs een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van de in het plan voorziene ontwikkeling dan aan de belangen van de omwonenden. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad zich, gelet op wat hiervoor is overwogen, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan opgenomen maximale bouwhoogte, door ook de beperkingen die zijn gesteld aan de bebouwing van de bovenste laag, aanvaardbaar is en dat wat betreft bezonning geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. De Afdeling is verder van oordeel dat de raad zich, gelet op de gegeven toelichting, op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van omwonenden.
Het betoog slaagt niet.
Balkons en dakterrassen
13. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat de in het plan toegestane mogelijkheden voor balkons en dakterrassen zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Hierover voeren zij aan dat de raad zich niet op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de omliggende woningen wat betreft geluid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, mede omdat de raad onvoldoende heeft onderzocht welke gevolgen eventuele balkons en dakterrassen hebben voor de geluidbelasting op omliggende percelen. [appellant sub 1] voert daarnaast aan dat de in het plan toegestane mogelijkheden voor balkons ongunstig zijn voor zijn privacy en de sociale veiligheid.
13.1. De Afdeling oordeelt dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan toegestane mogelijkheden voor balkons en dakterrassen niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 3]. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.
Wat betreft geluid is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van balkons of dakterrassen niet leidt tot onaanvaardbare geluidbelasting op de omliggende percelen. De raad heeft er in zijn verweerschrift terecht op gewezen dat het horen van stemgeluid in een omgeving waar wordt gewoond, niet maakt dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad de gevolgen van balkons en dakterrassen voor de geluidbelasting op omliggende percelen onvoldoende heeft onderzocht.
Verder heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan van balkons en dakterrassen niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant sub 1]. Daarvoor vindt de Afdeling relevant dat, zoals de raad in zijn verweerschrift ook heeft benoemd, het plangebied gelegen is in een stedelijke omgeving met woningen, waarin al sprake was van een beperkte mate van privacy. Het is inherent aan het wonen in een dergelijke stedelijke omgeving dat de privacy in zekere mate kan worden aangetast.
De Afdeling ziet tot slot geen aanleiding voor het oordeel dat de mogelijkheden die het plan biedt voor balkons en dakterrassen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de sociale veiligheid in de omgeving van het plangebied. In zijn verweerschrift heeft de raad hierover toegelicht dat de sociale controle door het in het plan voorziene wooncomplex zal toenemen ten opzichte van de kantoorfunctie die het gebouw voorheen had. De Afdeling ziet geen reden om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen. Ook ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen grond voor de conclusie dat de mogelijkheden die het plan biedt voor balkons en dakterrassen nadelige gevolgen zullen hebben voor de sociale veiligheid.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
14. [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat het plan op het punt van parkeren in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben hierover op de zitting toegelicht dat zij niet betwisten dat het plan aan de parkeernormen voldoet, maar dat de raad volgens hen onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen die het plan heeft voor de parkeerdruk in de openbare ruimte in de omgeving van het plangebied. Volgens hen is in de huidige situatie namelijk al sprake van een hoge parkeerdruk in de omgeving van het plangebied.
14.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1727, onder 6.2, moet de raad, hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor bouwen van de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkelingen aan de orde zal komen, bij de vaststelling van het bestemmingsplan al wel bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De Afdeling zal daarom beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
14.2. De raad heeft in paragraaf 4.1 van de plantoelichting toegelicht dat de parkeerbehoefte die door de in het plan voorziene ontwikkeling ontstaat op basis van de Nota Parkeernormen Enschede 2025 vier parkeerplaatsen bedraagt. Daarbij heeft de raad toegelicht dat in het meest recente ontwerp van het in het plan voorziene wooncomplex, dat als bijlage 8 bij de plantoelichting is opgenomen, wordt voorzien in vijf inpandige parkeerplaatsen op de begane grond. Volgens de raad is daarmee aangetoond dat kan worden voorzien in de parkeerbehoefte.
Daarnaast is in artikel 10.1.1, onder a en b, van de planregels bepaald dat alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen mag worden verleend als op het terrein waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft wordt voorzien in ruimte voor het parkeren van auto’s en het stallen van fietsen.
14.3. De Afdeling ziet geen aanleiding voor de conclusie dat op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien. De raad heeft toereikend gemotiveerd dat op eigen terrein kan worden voorzien in de parkeerbehoefte die als gevolg van het plan ontstaat. Dat betekent dat mag worden verwacht dat de parkeerdruk in de omgeving niet zal toenemen als gevolg van het plan. Ook hoeft het bestemmingsplan geen oplossing te bieden voor een eventueel al hoge parkeerdruk in de omgeving van het plangebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft het aspect parkeren niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Het betoog slaagt niet.
Afwijkingsbevoegdheid en wijzigingsbevoegdheid in de planregels
15. [appellant sub 1] betoogt dat artikel 8.1, onder a, van de planregels ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om met ten hoogste 10% af te wijken van de in het plan voorgeschreven maten, afmetingen en percentages, waardoor de bouwhoogte kan toenemen tot 14,3 m. Daarnaast voorziet het plan volgens [appellant sub 1] in artikel 9.1, onder a en b, van de planregels ten onrechte in een wijzigingsbevoegdheid die het college de bevoegdheid geeft om bestemmingsgrenzen en bouwvlakken met maximaal 5 m en het wijzigen van de in het plan voorgeschreven maten, afmetingen en percentages met 20%.
15.1. De Afdeling stelt vast dat de raad artikel 8.1, onder a, van de planregels in het herstelbesluit heeft aangepast, zodat op grond van die afwijkingsbevoegdheid niet langer van de maximale bouwhoogte kan worden afgeweken. De Afdeling stelt daarnaast vast dat de wijzigingsbevoegdheid die was opgenomen in artikel 9.1, onder a en b, van de regels van het oorspronkelijke plan, niet in het herstelbesluit is opgenomen. Wat [appellant sub 1] hierover heeft aangevoerd, leidt daarom niet tot de vernietiging van het herstelbesluit.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
16. De van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het herstelbesluit zijn ongegrond.
17. Met het herstelbesluit is het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Omdat de beroepen tegen het herstelbesluit ongegrond zijn, komt dat plan in rechte vast te staan. Dat betekent dat geen betekenis meer toekomt aan het bij besluit van 15 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan. Niet is gebleken dat [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] nog een belang hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun beroepen tegen dat besluit. De Afdeling zal die beroepen daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskosten en griffierecht
18. De Afdeling stelt vast dat de raad met het herstelbesluit gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3]. Zij ziet daarom aanleiding de raad op navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 3]. Ten aanzien van [appellant sub 2] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De Afdeling ziet verder aanleiding de raad te gelasten het door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Enschede van 15 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5A" niet-ontvankelijk;
II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van de raad van de gemeente Enschede van 9 maart 2026 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Visserijstraat 3-5A" ongegrond;
III. veroordeelt de raad van de gemeente Enschede tot vergoeding van:
- bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Enschede:
- het door [appellant sub 1] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt;
- het door [appellant sub 2] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt;
- het door [appellant sub 3] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.H.A. Alkemade, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Alkemade
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
1117