202500697/1/A3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 december 2024 in zaak nr. 23/723 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Leudal.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2020 heeft de burgemeester de loods bij het erf aan het [locatie] in Heythuysen gesloten voor de duur van twaalf maanden.
Bij besluit van 8 juni 2021 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de duur van de sluiting gesteld op tien maanden.
Bij uitspraak van 4 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 juni 2021 vernietigd en de burgemeester opgedragen om een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 8 maart 2023, bekend gemaakt op 29 maart 2023, heeft de burgemeester opnieuw de sluitingsduur bepaald op tien maanden.
Bij uitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep vanwege het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 8 maart 2023 gegrond verklaard, het besluit van 8 december 2020 herroepen en bepaald dat de duur van de sluiting wordt gesteld op zes maanden.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 31 juli 2026 behandeld, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Poppelaars, advocaat in Helmond, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. Y.G.P. Vos, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Naar aanleiding van een anonieme tip die op 8 juli 2020 was ontvangen heeft de politie op 12 augustus 2020 in een kelder van een loods aan het [locatie] in Heythuysen een in werking zijnde hennepplantage met ongeveer 520 planten aangetroffen. Deze kelder was toegankelijk via een verborgen trap, die was geplaatst achter een kast waarin ordners waren geplaatst. De kast kon alleen weggehaald worden met behulp van een palletwagen, zodat niet zichtbaar was dat daar een trap naar de hennepplantage was geplaatst. Bovendien was deze kelder illegaal geplaatst en bleek na onderzoek van toezichthouders van de gemeente Leudal dat de constructie van de loods gevaarlijk was aangetast. Deze bevindingen heeft de politie in een bestuurlijke rapportage van 12 september 2020 opgenomen en aan de burgemeester toegezonden.
Besluitvorming
2. Naar aanleiding van de bevindingen heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten tot sluiting van de loods voor de duur van twaalf maanden. [appellant] is van mening dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft voldoende toezicht gehouden. Ook blijkt uit de bestuurlijke rapportage dat de hennepkwekerij zodanig professioneel verborgen was, dat de kwekerij zonder de door de politie ontvangen anonieme tip niet gevonden kon worden. De burgemeester heeft bij het besluit op bezwaar van 8 juni 2021 het bezwaar gegrond verklaard en de sluitingsduur teruggebracht naar tien maanden.
2.1. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd. Volgens de rechtbank heeft de burgemeester niet gemotiveerd waarom een sluiting van tien maanden evenredig is. [appellant] had geen enkele betrokkenheid bij de kwekerij en heeft toezicht gehouden op het gebruik van de loods. De kwekerij was bovendien professioneel verborgen. Weliswaar heeft de burgemeester deze omstandigheden betrokken, maar hij heeft niet gemotiveerd waarom om die redenen een sluiting van tien maanden gerechtvaardigd was. Verder was er geen zichtbare loop naar het pand. Ook was er geen sprake van dat in de nabije omgeving van het pand vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Daarom moest de burgemeester een nieuw besluit nemen.
2.2. Bij besluit van 8 maart 2023 heeft de burgemeester opnieuw de duur van de sluiting bepaald op tien maanden. De rechtbank heeft dit besluit opnieuw vernietigd, omdat de burgemeester niet gemotiveerd had waarom de sluiting van tien maanden evenredig was. De rechtbank heeft vervolgens zelf bepaald dat een sluiting van zes maanden gerechtvaardigd is. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat [appellant] geen enkel verwijt te maken valt, de hennepkwekerij niet gemakkelijk te vinden was en er geen loop naar de loods was. Verder heeft de rechtbank het beroep dat [appellant] heeft ingediend vanwege het niet tijdig nemen van het besluit door de burgemeester niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit beroep te vroeg was ingediend.
Wettelijk kader
3. Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet luidt: "De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is."
Evenwichtigheid
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de sluitingsduur op zes maanden heeft bepaald. Ook die sluitingsduur is niet evenredig. Er is geen verwijtbaarheid. De loods ligt niet in een omgeving waar eerder drugsovertredingen hebben plaatsgevonden. Er is ook niet gebleken van overlast en loop naar of in de omgeving van het pand, aldus [appellant]
4.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank weliswaar terecht heeft geoordeeld dat een sluiting van tien maanden te lang is, maar ten onrechte de sluitingsduur heeft bepaald op zes maanden. Vaststaat dat [appellant] geen weet had kunnen hebben van de loods en op een juiste manier invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht als verhuurder. Daarom kan hem geen enkel verwijt worden gemaakt van de overtreding. Daarnaast is van belang dat de loods op een afgesloten terrein staat, er geen loop naar de loods was en de loods niet in een omgeving ligt waar vaker drugsovertredingen worden geconstateerd. Daar staat het belang van de burgemeester tegenover. Hij moet de belangen beschermen die de Opiumwet dient, zoals het tegengaan van criminaliteit. In dit geval is sprake van de vondst van een grote professionele hennepkwekerij die goed was verstopt. Daarvoor zijn bouwkundige aanpassingen gedaan aan de loods die tot onveilige situaties kon leiden. Ook moet deze hennepkwekerij een belangrijke rol hebben gespeeld in het criminele circuit. Gelet op deze omstandigheden is een sluiting voor de duur van drie maanden voldoende om de openbare orde te herstellen. De vergelijking van [appellant] met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2924, waarbij de burgemeester af had moeten zien van sluiting, gaat niet op. In die zaak ging het immers om de sluiting van een woning, terwijl het in deze zaak gaat om de sluiting van een loods.
4.2. Het betoog slaagt.
Proceskostenvergoeding
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de proceskosten van bezwaar toe te kennen.
5.1. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] dit betoogt terecht voordraagt. Omdat de rechtbank het besluit van 8 maart 2023 heeft vernietigd en het besluit van 8 december 2020 heeft herroepen omdat de daarin de sluiting moet worden gesteld op zes maanden, hadden de kosten van bezwaar moeten worden vergoed.
5.2. Het betoog slaagt.
Beroep niet-tijdig beslissen
6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ingebrekestelling die hij op 10 maart 2023 naar de burgemeester heeft gestuurd, te vroeg was ingediend. Volgens hem heeft de rechtbank weliswaar geen termijn gegeven voor het geven van een nieuw besluit, maar de burgemeester had desondanks binnen zes weken nadat de rechtbank op 4 januari 2023 uitspraak had gedaan, een nieuw besluit moeten nemen. Het duurde tot en met 29 maart 2023 voordat het besluit openbaar was gemaakt. De burgemeester moet daarom een dwangsom betalen. Het beroep dat hij heeft ingesteld wegens het uitblijven van een besluit, heeft de rechtbank dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus [appellant].
6.1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 januari 2023 geoordeeld dat de burgemeester een nieuw besluit moest nemen. Daaraan heeft de rechtbank geen termijn verbonden. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3568, heeft geoordeeld, moet een bestuursorgaan, als na de vernietiging van een besluit door de bestuursrechter geen termijn voor het nemen van een nieuw besluit is gesteld, in beginsel beslissen binnen dezelfde termijn als de termijn die gold voor het nemen van het vernietigde besluit. Gelet hierop en gezien het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, moest de burgemeester het nieuwe besluit op bezwaar in dit geval uiterlijk twaalf weken na de verzending van de uitspraak van de rechtbank van 4 januari 2023 nemen, dus uiterlijk op 29 maart 2023.
6.2. De burgemeester heeft het nieuwe besluit op bezwaar genomen op 8 maart 2023 en bekendgemaakt op 29 maart 2023. Daarmee heeft de burgemeester tijdig opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant]. De ingebrekestelling van 10 maart 2023 was dan ook te vroeg ingediend. Ook het beroep dat [appellant] op 27 maart 2023 heeft ingesteld wegens het niet op tijd nemen van een besluit, heeft [appellant] te vroeg ingediend. De rechtbank heeft dat beroep dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
6.3. Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
7. [appellant] verzoekt tot slot om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
7.1. De redelijke termijn vangt aan bij de ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan, in dit geval op 5 maart 2021. De redelijke termijn voor behandeling vanaf indiening van het bezwaarschrift tot aan de uitspraak bij de Afdeling is vier jaar. Die termijn is overschreden met één jaar en ruim zes maanden en is toe te rekenen aan de burgemeester. De schadevergoeding bedraagt € 2.000,-. De Afdeling zal het verzoek dan ook toewijzen.
Conclusie
8. Gelet op wat de Afdeling onder 4.1 en 5.1 heeft overwogen, is het hoger beroep van [appellant] gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen, voor zover de rechtbank de sluitingsduur heeft bepaald op zes maanden en heeft nagelaten de kosten van bezwaar te vergoeden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de sluitingsduur bepalen op drie maanden. Deze uitspraak zal in zoverre in de plaats treden van het vernietigde besluit van 8 maart 2023. De uitspraak van de rechtbank moet voor het overige worden bevestigd. De Afdeling zal verder het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toewijzen en bepalen dat de burgemeester een bedrag van € 2.000,- aan [appellant] moet betalen.
9. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 december 2024 in zaak nr. 23/723, voor zover de rechtbank de sluitingsduur heeft bepaald op zes maanden en heeft nagelaten de kosten van bezwaar te vergoeden;
III. bepaalt dat het pand aan het [locatie] in Heythuysen voor de duur van drie maanden mocht worden gesloten;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 8 maart 2023;
V. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VI. veroordeelt de burgemeester van Leudal tot betaling aan [appellant] van € 2.000,00;
VII. veroordeelt de burgemeester van Leudal tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar, hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.667,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de burgemeester van Leudal aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
1071