202402634/1/R1.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A [appellant B], [appellant C] en [appellant D], allen wonend te [woonplaats], [appellant E], [appellant F], [appellant G] en [appellant H], allen wonend in [woonplaats], en [appellant I], wonend te [woonplaats], (hierna tezamen: [appellant A] en anderen),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 maart 2024 in zaak nr. LEE 22/4521 en 22/4523 in het geding tussen:
[appellant A] en anderen
en
het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's.
Procesverloop
Bij besluit van 31 augustus 2021 heeft het dagelijks bestuur aan Prolander een vergunning verleend voor het aanpassen van de waterhuishouding als onderdeel van het Inrichtingsplan Geelbroek.
Bij besluit van 18 november 2022 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant A] en anderen tegen het besluit van 31 augustus 2021 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 maart 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het dagelijks bestuur en [appellant A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 augustus 2025, waar [appellant A] en anderen, bijgestaan door [appellant F], en het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's, vertegenwoordigd door P. Schriemer, H. Jager en B. Lammers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Prolander, vertegenwoordigd door mr. L. Mathey, advocaat te Groningen, ing. E.M. Blom en [partij], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet , dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingsrecht het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 16 juni 2021. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Bij besluit van 17 september 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe het Inrichtingsplan voor Geelbroek vastgesteld. Het Inrichtingsplan heeft betrekking op een gebied van 404 hectare dat deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en voor een deel in het Natura 2000-gebied Drentsche Aa ligt. Voor het gebied gelden verschillende beleidsdoelen, waaronder het verbeteren van de kwaliteit en het vergroten van de oppervlakte van het habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) en het "bovenstrooms" vasthouden van 180.000 kubieke meter water in natte perioden, wat bijdraagt aan het voorkomen en afwentelen van wateroverlast "benedenstrooms". De belangrijkste voorwaarde om de doelen te kunnen realiseren is herstel van de natuurlijke waterhuishouding met hogere (grond)waterstanden.
3. Om het Inrichtingsplan uit te voeren, heeft Sweco Nederland namens Prolander op 16 juni 2021 twee vergunningaanvragen bij het dagelijks bestuur ingediend. Eén aanvraag ziet op het aanpassen van de waterhuishouding en één aanvraag ziet op het aanleggen en aanpassen van een watergang ten behoeve van het omleggen van de Geelbroekerweg. Deze procedure heeft betrekking op de aanvraag voor het aanpassen van de waterhuishouding.
4. [appellant A] en anderen zijn eigenaren van percelen in Ekehaar, Eleveld en Hoogharen, waarop zij wonen en agrarische activiteiten uitvoeren. Zij stellen schade te ondervinden als gevolg van de verleende vergunningen.
Gronden hoger beroep
5. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank niet het juiste toetsingskader heeft toegepast en heeft miskend dat het besluit van 31 augustus 2021 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onevenredige gevolgen voor hen heeft.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het volgens [appellant A] en anderen niet zo dat bij de beslissing op een aanvraag om een watervergunning uitsluitend rekening mag worden gehouden met de aan die doelstellingen gelieerde belangen. De belangenafweging die het dagelijks bestuur moet verrichten, is breder dan alleen de afweging of een watervergunning, gelet op de doelstellingen van de Waterwet, moet worden geweigerd of moet worden verleend. Ook zal het dagelijks bestuur moeten bezien of en in hoeverre waterstaatbelangen of andere bij het besluit betrokken belangen aanleiding geven tot het verbinden van beperkingen en/of voorschriften aan de watervergunning. Nu uit artikel 6.21 van de Waterwet, noch uit enige andere bepaling uit de Waterwet voortvloeit dat bij het stellen van die voorschriften en beperkingen uitsluitend waterstaatkundige belangen mogen worden betrokken, zal het dagelijks bestuur daarbij op grond van art. 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) alle betrokken belangen moeten betrekken.
[appellant A] en anderen voeren verder aan dat het besluit van 31 augustus 2021 in strijd is met artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de Awb. Daartoe voeren zij aan dat het dagelijks bestuur bij de ondertekening van het besluit van 31 augustus 2021 niet alle feiten en belangen kende en niet alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen heeft meegewogen. [appellant A] en anderen stellen dat zij door de besluitvorming met diverse schades worden geconfronteerd en het besluit van 31 augustus 2021, gelet daarop, onevenredig is. [appellant A] en anderen verwijzen in dit kader ook naar het verweerschrift van het dagelijks bestuur in beroep waarin volgens hen door het dagelijks bestuur wordt gesuggereerd dat het bij de voorbereiding van het besluit van 31 augustus 2021, mede op grond van de "Analyse schade landbouw Geelbroek" d.d. 5 januari 2022 van E. Blom van Prolander, een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Dat is volgens [appellant A] en anderen niet juist nu het stuk van Prolander dateert van na het besluit van 31 augustus 2021, het stuk een intern vertrouwelijk memo is dat slechts per abuis openbaar is gemaakt en in de vergunningaanvraag dit stuk ook niet als bijlage is genoemd.
5.1. Een watervergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen van artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. Dit volgt uit artikel 6.21 van de Waterwet. De in het eerste lid van artikel 2.1 genoemde doelstellingen zijn:
a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met;
b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en
c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Uit artikel 6.20 van de Waterwet volgt dat het dagelijks bestuur aan een watervergunning voorschriften kan verbinden. Deze voorschriften kunnen mede betrekking hebben op:
a. financiële zekerheidsstelling voor de nakoming van krachtens de vergunning geldende verplichtingen of voor de dekking van aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit door de vergunde handeling of het staken van die handeling veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem;
b. het na het staken van de vergunde handeling wegnemen, compenseren of beperken van door de vergunde handeling of het staken van die handeling veroorzaakte nadelige gevolgen voor het watersysteem.
5.2. De Afdeling overweegt dat in artikel 6.21 van de Waterwet is voorgeschreven dat een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan onverenigbaar is met de doelstellingen van artikel 2.1 van de Waterwet, of de belangen, bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. Daaruit volgt dat indien sprake is van onverenigbaarheid met de waterstaatkundige doelstellingen uit artikel 2.1 of de belangen uit artikel 6.11, de vergunning moet worden geweigerd. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van onverenigbaarheid met de waterstaatkundige doelstellingen heeft het bestuursorgaan beoordelingsruimte.
5.3. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de rechtbank is uitgegaan van het juiste toetsingskader door te bepalen dat bij verlening van een watervergunning uitsluitend rekening mag worden gehouden met waterstaatkundige belangen.
Als het project waarvoor een watervergunning wordt gevraagd verenigbaar is met de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen en de belangen van artikel 6.11, dan doet zich geen weigeringsgrond voor. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit artikel 6.21 van de Waterwet echter niet dat het bevoegd gezag bij de besluitvorming over de verlening van een watervergunning alleen met waterstaatkundige belangen rekening mag houden. Artikel 6.21 van de Waterwet bepaalt immers niet dat een watervergunning uitsluitend mag worden verleend ten behoeve van de in artikel 2.1 genoemde doelstellingen of de belangen van artikel 6.11. Artikel 6.21 van de Waterwet staat er verder niet aan in de weg dat een watervergunning kan worden aangevraagd en verleend ten behoeve van een doel of belang van een aanvrager dat op zichzelf niet van waterstaatkundige aard is, zoals de ontsluiting van een perceel, mits daarbij steeds voldaan wordt aan de voorwaarde dat die vergunningverlening verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. Dergelijke andere belangen die een aanvrager beoogt te dienen, kunnen dit vereiste van verenigbaarheid met de doelstellingen van artikel 2.1 en belangen van artikel 6.11 nooit opzij zetten. De Afdeling wijst er nog wel op dat het bevoegd gezag op grond van artikel 6.20 van de Waterwet aan een watervergunning voorschriften kan verbinden. Onder omstandigheden zou het opleggen van specifieke voorschriften er alsnog toe kunnen leiden dat het bevoegd gezag de verlening van de watervergunning niet langer onverenigbaar acht met de in artikel 6.21 genoemde doelstellingen of belangen.
5.4. Hoewel het door de rechtbank onder 4 van de aangevallen uitspraak geformuleerde toetsingskader, gelet op het hiervoor overwogene, te beperkt is, leidt dit niet tot de door [appellant A] en anderen beoogde vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
5.5. De betogen van [appellant A] en anderen dat het besluit van
31 augustus 2021 niet zorgvuldig is voorbereid, dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden en dat zij schade leiden als gevolg van die besluitvorming waardoor deze onevenredig is, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan op die gronden. [appellant A] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn.
[appellant A] en anderen hebben verder in aanvulling op hetgeen al in beroep bij de rechtbank is aangevoerd in hoger beroep uitsluitend gewezen op het verweerschrift van het dagelijks bestuur in beroep en de daarin genoemde "Analyse schade landbouw Geelbroek" van 5 januari 2022 van E. Blom, hydroloog bij Prolander, en gesteld dat het dagelijks bestuur zich niet op grond van deze analyse op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bij de voorbereiding van het besluit van 31 augustus 2021 een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Dit stuk is echter door [appellant A] en anderen zelf in beroep ingediend en het dagelijks bestuur is om die reden in het verweerschrift expliciet ingegaan op die analyse. Daargelaten dat het dagelijks bestuur zich in de analyse kan vinden, is deze niet aan het besluit van 31 augustus 2021 of het besluit van 18 november 2022 ten grondslag gelegd.
Het betoog slaagt niet.
Inschakelen Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB)
6. [appellant A] en anderen hebben verzocht om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) in te schakelen.
6.1. De Afdeling overweegt dat de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 8:47, eerste lid, van de Awb een deskundige te benoemen, een discretionaire bevoegdheid is van de Afdeling. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 5.2 tot en met 5.5, ziet de Afdeling geen aanleiding de StAB in te schakelen.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Kos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
580