ECLI:NL:RVS:2026:5492

ECLI:NL:RVS:2026:5492

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 202601038/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 24 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [appellant] in het kader van de hersteloperatie toeslagen afgewezen. [appellant] heeft op 6 februari 2025 een aanvraag om herbeoordeling van kinderopvangtoeslag in het kader van de hersteloperatie toeslagen ingediend. Aan de afwijzing hiervan, bij besluit van 24 maart 2025, heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat de aanvraag is ingediend na het verstrijken van de uiterste aanvraagdatum op 2 januari 2024 (artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht)) en er geen bijzondere omstandigheden zijn om een uitzondering te maken. [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat hij te laat kennis heeft genomen van het bestaan van een termijn voor het indienen van de aanvraag. Verder heeft hij een toelichting gegeven op zijn persoonlijke situatie in de afgelopen jaren.

Uitspraak

202601038/1/A2.

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de Dienst Toeslagen,

2. [appellant],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2026 in zaak nr. 25/5650 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [appellant] in het kader van de hersteloperatie toeslagen afgewezen.

Bij besluit van 2 september 2025 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 februari 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 september 2025 vernietigd, het besluit van 24 maart 2025 herroepen, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 september 2025 en bepaald dat de Dienst Toeslagen binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuw besluit neemt op de aanvraag van [appellant].

Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. De Dienst Toeslagen heeft hierop een reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juli 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en [appellant], bijgestaan door mr. R. Jethoe, advocaat in Almere, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft op 6 februari 2025 een aanvraag om herbeoordeling van kinderopvangtoeslag in het kader van de hersteloperatie toeslagen ingediend. Aan de afwijzing hiervan, bij besluit van 24 maart 2025, heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat de aanvraag is ingediend na het verstrijken van de uiterste aanvraagdatum op 2 januari 2024 (artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht)) en er geen bijzondere omstandigheden zijn om een uitzondering te maken. [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat hij te laat kennis heeft genomen van het bestaan van een termijn voor het indienen van de aanvraag. Verder heeft hij een toelichting gegeven op zijn persoonlijke situatie in de afgelopen jaren.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat er in het geval van [appellant] bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van de aanvraagtermijn op grond van de hardheidsclausule, die is opgenomen in artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, rechtvaardigen. Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat, waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, is een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet gepast. Op basis van wat [appellant] naar voren heeft gebracht, is voldoende aannemelijk dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraagdeadline door persoonlijke omstandigheden redelijkerwijs niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. Hierbij zijn volgens de rechtbank onder meer de volgende overwegingen van belang.

Uit de medische informatie blijkt dat [appellant] na de eerste behandelperiode bij de psycholoog in 2020/21 niet vrij was van klachten. In de medische informatie is voldoende bevestigd dat hij in het jaar 2023 last had van psychische klachten, die hem belemmerden in zijn dagelijks functioneren en hem dusdanig in zijn doenvermogen hebben beperkt, dat van hem niet verwacht kon worden dat hij tijdig een aanvraag indiende. Dat [appellant] in 2023 geen behandeling heeft gevolgd, is niet doorslaggevend. Hij heeft voor en na dit jaar psychische behandeling gehad. Omdat behandeling van de psychische klachten in 2023 uitbleef, kon, juist vanwege de aard van de klachten, niet van [appellant] verlangd worden dat hij zich bij de Dienst Toeslagen zou melden om een aanvraag te doen.

Dat [appellant] zijn aanvraag pas op 6 februari 2025 heeft ingediend, heeft ermee te maken dat hij zich sinds 2020 van alles heeft afgesloten. Dat de termijnoverschrijding relatief lang is, brengt, gelet op zijn beperkte doenvermogen, niet met zich dat de termijnoverschrijding in dit geval niet verschoonbaar is. De Dienst Toeslagen had de aanvraag met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht inhoudelijk moeten beoordelen.

3. In deze uitspraak gaat de Afdeling onder meer in op de vraag of er bijzondere omstandigheden speelden die maakten dat [appellant] niet kan worden verweten dat hij zijn aanvraag ruim na de daarvoor geldende termijn heeft ingediend en of de hardheidsclausule had moeten worden toegepast. Vervolgens beoordeelt de Afdeling het beroep van [appellant]. Eerst zal de Afdeling ingaan op de vraag of de Dienst Toeslagen ontvankelijk is in zijn beroep. [appellant] betoogt namelijk dat dit niet zo is.

Hoger beroep van de Dienst Toeslagen

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat het hoger beroep van de Dienst Toeslagen niet-ontvankelijk is wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Op de zitting van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen te kennen gegeven dat hij in dit soort gevallen in de regel geen hoger beroep tegen een gegrondverklaring instelt. [appellant] voert aan dat hij hieraan het vertrouwen mocht ontlenen dat de Dienst Toeslagen ook in zijn zaak geen hoger beroep zou instellen. Daar komt bij dat de Dienst Toeslagen voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep een voor burgers toetsbare en kenbare afweging zou moeten maken. [appellant] verwijst hiervoor naar het Afwegingskader hoger beroep tegen burgers in het bestuursrecht (het Afwegingskader) en de bijbehorende Beslisnota afwegingskader procederen in hoger beroep door de overheid (de Beslisnota).

4.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij of zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

4.2. Uit de zittingsaantekeningen volgt dat de Dienst Toeslagen, naar aanleiding van de vraag van de rechtbank of hij hoger beroep instelt in zaken die vergelijkbaar zijn met het geval van [appellant], te kennen heeft gegeven dat hij dat over het algemeen niet doet, gelet op de uitgangspunten van de hersteloperatie. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit dit antwoord niet van een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging dat in deze specifieke procedure van het instellen van hoger beroep wordt afgezien. Dat betekent dat het beroep op het vertrouwensbeginsel alleen al hierom niet kan slagen. De verwijzing naar het Afwegingskader en de Beslisnota maakt dit niet anders. Het afwegingskader vormt een handreiking aan bestuursorganen, met uitgangspunten voor een zorgvuldige afweging bij de beslissing om al dan niet hoger beroep in te stellen. Vervolgens is het aan het bestuursorgaan om een afweging te maken ten aanzien van het al dan niet instellen van dat hoger beroep. De Dienst Toeslagen heeft die afweging gemaakt en gemotiveerd waarom hij in dit specifieke geval hoger beroep heeft ingesteld.

Het betoog slaagt niet.

5. [appellant] betoogt dat het hoger beroep van de Dienst Toeslagen niet-ontvankelijk is, omdat het hogerberoepschrift niet is ondertekend, waardoor het niet voldoet aan de vereisten die daarin in de wet zijn gesteld.

5.1. In artikel 6:5, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat een hogerberoepschrift wordt ondertekend. In artikel 6:6, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Awb, is bepaald dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

5.2. De Dienst Toeslagen heeft op 8 april 2026 een hogerberoepschrift ingediend. Dit hogerberoepschrift is niet ondertekend en voldoet in zoverre niet aan de eisen van artikel 6:5, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb. De Dienst Toeslagen heeft bij e-mailbericht van 6 mei 2026 een ondertekende kopie van het hogerberoepschrift overgelegd. Hiermee is het door [appellant] bedoelde gebrek hersteld.

Het betoog slaagt niet.

Inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep

6. De Dienst Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn die afwijking van de aanvraagtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Volgens de Dienst Toeslagen heeft de rechtbank op onjuiste wijze in haar oordeel betrokken dat het hier gaat om een eenmalige aanvraag. Ook vindt de Dienst Toeslagen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat gebleken is van een beperkt doenvermogen en dat zij de duur van de termijnoverschrijding heeft miskend.

6.1. Bij overschrijding van de aanvraagtermijn in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht kan de hardheidsclausule worden toegepast. Daarvoor moet op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht sprake zijn van een situatie waarbij de handhaving van de uiterste aanvraagtermijn leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Dienst Toeslagen heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht hoe hij deze hardheidsclausule toepast. De strikte handhaving van de op zichzelf ruim gestelde aanvraagtermijn van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht kan in bijzondere situaties onbillijk uitpakken, waardoor toepassing van deze bepaling achterwege moet blijven. Voor de vraag wanneer sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, zoekt de Dienst Toeslagen in dat soort gevallen aansluiting bij de situaties, zoals genoemd in de rechtspraak van de bestuursrechter na de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31), waarin een termijnoverschrijding bij het indienen van een bezwaar- of beroepschrift op grond van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar wordt geacht. Dat betekent dat als er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de aanvrager geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt, waardoor de overschrijding van de termijn niet aan de aanvrager kan worden toegerekend, en de aanvrager zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd alsnog de aanvraag heeft ingediend, de hardheidsclausule wordt toegepast en de aanvraag alsnog in behandeling wordt genomen. Tot deze omstandigheden kunnen behoren de schrijnende omstandigheden die in andere gevallen aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, zoals ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3). Het moet hierbij gaan om omstandigheden die zich hebben voorgedaan gedurende een relevant deel van de aanvraagtermijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de Dienst Toeslagen de toepassing van deze bevoegdheid zo mogen vormgeven. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid die maken dat de aanvrager geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt, in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.

6.2. Naar het oordeel van de Afdeling leidt de strikte handhaving van de aanvraagtermijn in het geval van [appellant] niet tot een onbillijkheid van overwegende aard. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat [appellant] geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt waardoor de overschrijding van de termijn niet aan hem kan worden toegerekend.

De aanvraagperiode liep van medio 2020 tot 1 januari 2024. Volgens de door [appellant] overgelegde stukken is in 2020 een lichte depressieve episode vastgesteld en is hij hiervoor van 7 mei 2020 tot en met 29 april 2021 behandeld. Over de periode van 29 april 2021 tot 8 september 2023 heeft [appellant] geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt van psychische klachten die zijn doenvermogen hebben beperkt. Op 8 september 2023 heeft hij zich opnieuw aangemeld wegens teruggekeerde depressieve stemmingsklachten. De behandeling daarvoor is op 28 februari 2024 gestart. Uit de overgelegde informatie over deze aanmelding en de daaropvolgende behandeling valt niet af te leiden dat [appellant] als gevolg van psychische klachten in de periode vóór 1 januari 2024 zodanig in zijn doenvermogen is beperkt, dat van hem niet kon worden verwacht dat hij tijdig een aanvraag zou indienen. Dat hij zowel vóór als na 2023 voor psychische klachten is behandeld, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat hij gedurende een groot deel van de aanvraagperiode een beperkt doenvermogen had.

Het betoog van de Dienst Toeslagen slaagt.

Incidenteel hoger beroep van [appellant]

7. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] zijn incidenteel hoger beroep ingetrokken.

Conclusie

8. Het hoger beroep van de Dienst Toeslagen is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

Beroep van [appellant]

9. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de Afdeling nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

10. [appellant] betoogt dat de Dienst Toeslagen in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld, omdat in het besluit van 2 september 2025 niet is te lezen waarom de redenen, die hij in verband met de termijnoverschrijding heeft aangevoerd, niet maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarnaast vindt hij dat de Dienst Toeslagen, in strijd met artikel 3:2 van de Awb, onzorgvuldig heeft gehandeld door niet de nodige kennis vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

10.1. Uit het besluit van 2 september 2025 en de door de Dienst Toeslagen overgelegde stukken volgt dat de Dienst Toeslagen alle door [appellant] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden in de besluitvorming heeft meegewogen. De Dienst Toeslagen heeft deze feiten en omstandigheden ook benoemd in het besluit van 2 september 2025 en dat besluit deugdelijk gemotiveerd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de Dienst Toeslagen niet in strijd met het motiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld.

Het betoog van [appellant] slaagt niet.

11. [appellant] betoogt verder dat een tijdige aanmelding niets zou hebben uitgemaakt. In dat geval had hij immers alsnog lang moeten wachten op een besluit van de Dienst Toeslagen. Gelet op de wettelijke beslistermijn is het onder deze omstandigheden, mede gelet op zijn persoonlijke situatie, ongepast en in strijd met het beginsel van fair play dat hij op een termijnoverschrijding is afgerekend door de Dienst Toeslagen.

11.1. De Dienst Toeslagen heeft tijdig een besluit op de aanvraag van [appellant] genomen. Als de Dienst Toeslagen dat besluit niet binnen de wettelijke beslistermijn had genomen, zou dat overigens, anders dan [appellant] kennelijk meent, geen reden zijn geweest om op grond van het beginsel van fair play geen gevolgen te verbinden aan de overschrijding van de aanvraagtermijn.

Het betoog van [appellant] slaagt niet.

12. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van [appellant] niet tot het oordeel kunnen leiden dat de Dienst Toeslagen zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 2 september 2025 ongegrond verklaren.

Proceskosten

13. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de Dienst Toeslagen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 februari 2026 in zaak nr. 25/5650;

III. verklaart het beroep van [appellant] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

452-1190

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W. den Ouden

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand