202502129/1/A2.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2025 in zaak nr. 24/5856 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2024 heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van [appellante] om herziening van de definitieve berekening van haar kindgebonden budget over 2021 afgewezen.
Bij besluit van 22 augustus 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 mei 2026, waar [appellante], via een videoverbinding, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 6 mei 2023 heeft de Belastingdienst het kindgebonden budget van [appellante] over 2021 definitief berekend en vastgesteld op nihil. De reden daarvoor was dat het vermogen over 2021 uitkwam boven de vermogensgrens om in aanmerking te komen voor het kindgebonden budget. Daarbij is een bedrag van € 3.887,00 aan betaalde voorschotten (inclusief € 127,00 aan rente) teruggevorderd.
2. Op 25 januari 2024 heeft de inspecteur van de Belastingdienst meegedeeld dat het box 3-vermogen over 2021 is herzien van € 206.420,00 naar € 118.620,00. [appellante] heeft vervolgens op 12 maart 2024 de Dienst Toeslagen verzocht om herziening van de definitieve berekening van haar kindgebonden budget over 2021. Zij stelt dat het verschil tussen de vastgestelde rendementsgrondslag en de vermogensgrens zo gering is dat het onevenredig is om vast te houden aan een vaststelling van het kindgebonden budget op nihil.
3. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek afgewezen, omdat de wetgeving over de vermogensgrens dwingend is geformuleerd en daar niet van afgeweken kan worden op basis van het evenredigheidsbeginsel. Ook is er in dit geval geen sprake van een situatie die gezien kan worden als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het teruggevorderde bedrag kan worden verlaagd. Deze afwijzing heeft in bezwaar standgehouden.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen terecht heeft overwogen dat de situatie waarin het vermogen op 1 januari 2021 in afwachting van de oplevering van een woning op de bankrekening van [appellante] stond, niet valt onder de uitzonderingen van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Zij heeft daartoe overwogen dat de opsomming van de uitzonderingen limitatief is, waardoor een beroep op de hardheidsclausule op grond van artikel 47 van de Awir niet kan slagen.
4.1. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de vraag of de terugvordering onevenredig is buiten de omvang van het geding valt. Zij heeft daartoe overwogen dat de Dienst Toeslagen weliswaar heeft beoordeeld of er aanleiding was om de terugvordering te matigen, maar dat het herzieningsverzoek enkel zag op de definitieve berekening van het kindgebonden budget voor het jaar 2021 en niet over de vaststelling van de terugvordering.
Het hoger beroep
5. De gronden die [appellante] over de vermogensgrens in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2.1 en 2.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de onevenredigheid van de terugvordering buiten de omvang van het geding valt. Haar herzieningsverzoek heeft namelijk zowel betrekking op de vaststelling op het kindgebonden budget, als op de terugvordering.
6.1. De Dienst Toeslagen heeft in het besluit van 24 juni 2024 niet alleen beoordeeld of aanleiding bestond om de definitieve berekening van het kindgebonden budget over 2021 te herzien, maar ook of aanleiding bestond om de terugvordering te matigen. Verder heeft [appellante] in bezwaar uitdrukkelijk verzocht om matiging van de terugvordering. Dat de Dienst Toeslagen daarop in het besluit op bezwaar van 22 augustus 2024 niet is ingegaan, betekent niet dat deze vraag daardoor buiten de omvang van het geding valt. [appellante] klaagt dan ook terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gestelde onevenredigheid van de terugvordering buiten de omvang van het geding valt. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
6.2. De Afdeling ziet namelijk geen grond voor het oordeel dat de terugvordering onevenredig is. [appellante] heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat zij er om fiscale redenen bewust voor heeft gekozen om de overdracht van de woning pas in januari 2021 te laten plaatsvinden. Daarnaast heeft [appellante] op de zitting bij de Afdeling verklaard dat zij het teruggevorderde bedrag kan terugbetalen.
Conclusie
7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop die rust.
8. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Gelet op wat onder 6.1 is overwogen, moet de Dienst Toeslagen wel het door [appellante] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak;
III. gelast dat de Dienst Toeslagen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
284-1189