202402170/1/A3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 februari 2024 in zaak nr. 23/744 in het geding tussen:
[appellant]
en
de korpschef van de politie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2022 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie deels ingewilligd.
Bij besluit van 27 december 2022 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 december 2022 vernietigd en de korpschef opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 6 mei 2024 heeft de korpschef opnieuw besloten op het bezwaar van [appellant], dit opnieuw deels gegrond verklaard en nog meer informatie deels openbaar gemaakt.
Bij besluit van 26 juni 2024 heeft de korpschef aanvullend besloten op het bezwaar van [appellant] en delen van twee documenten alsnog openbaargemaakt.
[appellant] heeft gronden tegen de besluiten van 6 mei 2024 en 26 juni 2024 aangevoerd.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. I. Middelbrink, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 13 juli 2021 heeft [appellant] de korpschef verzocht om openbaarmaking van informatie over een protest dat heeft plaatsgevonden op 8 juli 2020 in [locatie]. Met het besluit van 4 april 2022 heeft de korpschef het verzoek deels ingewilligd en daarbij 25 documenten deels openbaar gemaakt. De korpschef heeft het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, omdat in de deels openbaar gemaakte documenten niet herkenbaar was op welke grond de niet openbaar gemaakte passages zijn geweigerd. Daarom heeft de korpschef een nieuwe inventarislijst gemaakt en in de documenten per niet openbaar gemaakte passage kenbaar gemaakt op grond van welke uitzondering van hoofdstuk 5 van de Wet open overheid (Woo) openbaarmaking is geweigerd. [appellant] is het daarmee niet eens en heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 27 december 2022 vernietigd, omdat de korpschef dit besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de in de documenten genoemde rechtspersonen onevenredig worden benadeeld als de gevraagde informatie openbaar wordt gemaakt. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef ten onrechte heeft geweigerd in document 16 de naam van een woordvoerder die wegens zijn functie in de openbaarheid treedt, openbaar te maken. De overige passages die de korpschef heeft geweigerd ter bescherming van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo, heeft de korpschef op goede gronden geweigerd, aldus de rechtbank. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef de passages die hij op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder c, van de Woo heeft geweigerd, omdat het belang van openbaarmaking daarvan niet opweegt tegen het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, redelijkerwijs op die grond heeft kunnen weigeren. Tot slot heeft de rechtbank vastgesteld dat de korpschef foutief in het besluit van 27 december 2022 heeft weergegeven dat hij op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, heeft geweigerd. Uit de inventarislijst en de documenten volgt dat de korpschef deze uitzonderingsgrond niet heeft toegepast, aldus de rechtbank. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank heeft daarom hoger beroep daartegen ingesteld.
Hoger beroep
Gebruik van ongelakte stukken
3. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] zijn hoger beroep ten onrechte mede heeft gebaseerd op de ongelakte stukken die de rechtbank abusievelijk naar hem heeft gestuurd. Volgens de korpschef is de handelwijze van [appellant] in deze procedure onrechtmatig en onbetamelijk en daarmee in strijd met het beginsel van behoorlijke procesvoering.
3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447, is in een bestuursrechtelijke procedure eenieder die daarin een rol heeft, waaronder de rechtszoekende, gebonden aan het beginsel van behoorlijke procesvoering. Dat beginsel houdt onder meer in dat zowel schriftelijk als mondeling het debat met elkaar gevoerd moet worden op een fatsoenlijke manier, zonder daarbij gebruik te maken van ongepaste, beledigende en dreigende teksten en/of uitlatingen. De rechter kan overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel als het taalgebruik de grenzen van de normale, beschaafde en legitieme kritiek overstijgt en/of in een procedure systematisch rechters of medewerkers van een gerecht, bestuursorganen of representanten van bestuursorganen worden beschuldigd van vooringenomenheid, partijdigheid of het plegen van misdrijven.
3.2. In dit geval is daarvan geen sprake. Het beginsel van behoorlijk procesgedrag ziet op ontoelaatbare gedragsuitingen en uitlatingen van partijen. Het gebruik van de ongelakte stukken die de rechtbank abusievelijk heeft doorgezonden, is niet als zodanig aan te merken. Ook anderszins acht de Afdeling het gebruik van deze informatie in dit geval niet onrechtmatig. De Afdeling acht daartoe van belang dat [appellant] de informatie niet onrechtmatig heeft verkregen, maar door een fout van de rechtbank. Ook gebruikt [appellant] deze informatie in zijn hogerberoepschrift met een redelijk doel. Hij wil immers dat deze informatie openbaar wordt voor eenieder. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om de beroepsgronden, voor zover deze zijn gebaseerd op het gebruik van de ongelakte stukken, buiten beschouwing te laten.
3.3. De Afdeling doet dus in het hiernavolgende uitspraak op basis van de hogerberoepsgronden, zoals [appellant] deze heeft aangevoerd.
Belang van de opsporing van strafbare feiten
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd waarom hij redelijkerwijs het belang van de opsporing van strafbare feiten zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Hij wijst daartoe op een aantal concrete voorbeelden van geweigerde passages uit de documenten. Volgens [appellant] zijn dit passages die gaan over algemeen bekende werkwijzen van de politie die zij ook op haar website publiceert, zoals het inzetten van materieel en personeel en over hoe de politie aan informatie komt, zodat de opsporing en vervolging van strafbare feiten doorgaans niet zullen worden gefrustreerd als deze openbaar worden gemaakt.
4.1. De Afdeling beoordeelt bij een beroep op een van de relatieve uitzonderingen van de Woo of het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gestelde belang aan de orde is en daarna of het bestuursorgaan dit belang redelijkerwijs zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het algemene belang van openbaarmaking.
4.2. De korpschef heeft informatie geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Woo. Hij heeft in algemene bewoordingen gemotiveerd waarom het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten volgens hem zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Volgens de korpschef bevatten de documenten directe en indirecte informatie over tactieken, werkwijzen en operationele beslissingen van de politie bij de handhaving van de openbare orde dan wel uitvoering van de opsporingstaak. Ook bevatten de documenten informatie over de wijze waarop de politie informatie vergaart en de actuele informatiepositie van de politie, waaronder informatie waaruit kan worden afgeleid in welke informatie de politie geïnteresseerd is en welke bronnen daarvoor worden gebruikt. Inzicht in het politieoptreden, de bij de politie bekende informatie en de operationele beslissingen waartoe die informatie heeft geleid, hebben volgens de korpschef directe invloed op het in goede banen leiden van demonstraties en het voorkomen van wanordelijkheden en/of verstoringen van de openbare orde. Openbaarmaking van deze informatie kan de effectiviteit en veiligheid van het politieoptreden bij soortgelijke situaties in de toekomst in gevaar brengen en de voorbereiding frustreren. Daarom weegt het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten zwaarder dan het belang van openbaarmaking aan eenieder, aldus de korpschef.
4.3. De Afdeling heeft kennisgenomen van de ongelakte stukken en heeft beoordeeld of de korpschef de voornoemde uitzonderingsgrond op juiste wijze heeft toegepast. [appellant] stelt weliswaar terecht dat de politie op haar website informatie publiceert over welke middelen zij tot haar beschikking heeft, maar dit betreft algemene informatie en niet informatie over de inzet van die middelen in een specifiek geval, zoals nu aan de orde. Door openbaarmaking van informatie over wat de politie bij een specifieke demonstratie heeft ingezet, heeft iedereen inzicht in welke keuzes de politie maakt bij een dergelijke demonstratie. De korpschef heeft voldoende gemotiveerd dat dit niet wenselijk is in het licht van het toezicht en de opsporing en vervolging en dat die belangen dus zwaarder wegen dan het belang van openbaarmaking. Dat de politie haar werkwijze aanpast aan de omstandigheden, betekent niet dat informatie over eerdere demonstraties haar waarde verliest voor toekomstige gevallen. Datzelfde geldt voor het weigeren van informatie over de wijze waarop de politie informatie vergaart en de actuele informatiepositie van de politie. Hoewel het algemeen bekend is dat de politie meerdere informatiebronnen heeft, neemt dat niet weg dat openbaarmaking van de bron waarvan de informatie in een concreet geval afkomstig is, afbreuk kan doen aan het vergaren van informatie over een toekomstige demonstratie. De korpschef heeft met de door hem gegeven motivering voldoende onderbouwd dat ook dat niet wenselijk is en dat dit aan openbaarmaking van die informatie in de weg staat. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2022:4525).
Het betoog slaagt in zoverre niet.
4.4. Het voorgaande gaat evenwel niet op voor de eerste passage die in document 4 van deel 1, onder 2.1, is geweigerd op deze grond. Deze informatie heeft de korpschef in andere documenten niet geweigerd. De korpschef heeft niet gemotiveerd waarom het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten voor deze informatie in dit geval wel aan de orde is. Ook heeft de korpschef onvoldoende gemotiveerd waarom hij de laatste drie geweigerde passages, onder het kopje "HOPS", met een beroep op deze grond heeft geweigerd. Deze passages gaan over een verzoek aan politiemedewerkers om zich te houden aan de destijds geldende coronamaatregelen. Zonder nadere motivering van de korpschef, ziet de Afdeling geen reden waarom het belang van openbaarmaking van deze informatie voor eenieder moet wijken voor het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten. Het besluit van 27 december 2022 is in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.
Het betoog slaagt in zoverre.
Belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
5. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef redelijkerwijs heeft kunnen weigeren om informatie openbaar te maken, omdat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Hij voert daartoe aan dat de korpschef hierover geen belangenafweging heeft gemaakt voor de namen van enkele bestuursleden van Farmers Defence Force, zodat het besluit 27 december 2022 ook op dit onderdeel onvoldoende is gemotiveerd. Ook voert [appellant] aan dat deze personen waarvan openbaarmaking van de naam is geweigerd wegens hun naam en/of functie in de openbaarheid zijn getreden, zodat zij bij openbaarmaking van hun naam niet in hun persoonlijke levenssfeer worden aangetast. Tot slot voert [appellant] aan dat in document 5 ten onrechte deze grond uitzonderingsgrond is toegepast.
5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 10 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4322), verzet het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob- of Woo-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.
5.2. In dit geval gaat het om namen van personen die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden. Uit de informatie is immers niet af te leiden in welke hoedanigheid deze personen bij de demonstratie waren betrokken. Dat de personen betrokken zijn geweest bij het organiseren van vergelijkbare demonstraties, zich daarbij in de openbaarheid begeven en incidenteel laten interviewen en/of fotograferen, maakt dat niet anders. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA9807) en 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:642). [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de openbaarheid hier zwaarder weegt. Voor zover [appellant] aanvoert dat de korpschef ten onrechte in document 5 van deel 1, onder 1, informatie op deze grond heeft geweigerd, is de Afdeling van oordeel dat de korpschef redelijkerwijs het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zwaarder heeft kunnen laten wegen, ook voor het deel dat niet gaat over de naam van een persoon. De Afdeling acht dit gerechtvaardigd, gelet op de specifieke context van de passage die onleesbaar is gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
Persoonlijke beleidsopvattingen
6. De Afdeling stelt vast dat de korpschef in zijn besluiten en in de inventarislijst heeft vermeld dat hij informatie heeft geweigerd, omdat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen, zoals bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Woo. Uit de stukken blijkt echter dat hij deze uitzonderingsgrond niet heeft toegepast. Wat [appellant] hierover aanvoert, kan daarom onbesproken worden gelaten.
Beroepen van rechtswege
7. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft de korpschef op 6 mei 2024 opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van [appellant]. Met het besluit van 26 juni 2024 heeft de korpschef een aanvullend besluit op bezwaar genomen. Beide besluiten worden, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
7.1. Met het besluit van 6 mei 2024 heeft de korpschef het bezwaar van [appellant] deels gegrond verklaard. Hiertoe heeft de korpschef een nieuwe zoekslag verricht en toegelicht dat daaruit twee nieuwe documenten zijn gekomen. Deze documenten heeft de korpschef deels openbaar gemaakt. Ook heeft de korpschef een aantal passages van de eerder deels openbaar gemaakte documenten, alsnog openbaar gemaakt. Daartoe behoren ook de passages die zijn bedoeld onder 4.4 van deze uitspraak. Met het besluit van 26 juni 2024 heeft de korpschef nog meer passages alsnog openbaar gemaakt.
8. [appellant] heeft gronden tegen het besluit van 6 mei 2024 aangevoerd. Naar aanleiding van het besluit van 26 juni 2024 heeft [appellant] zijn beroepsgronden over de weigering om namen van rechtspersonen en de naam van de burgemeester van Emmen openbaar te maken, ingetrokken, omdat de korpschef hem in zoverre tegemoet is gekomen. Tijdens de zitting van de Afdeling heeft [appellant] zijn beroepsgrond over een proceskostenvergoeding voor het bijwonen van de hoorzitting ingetrokken. [appellant] persisteert in zijn resterende beroepsgrond die alleen is gericht tegen het besluit van 6 mei 2024. Gelet daarop, ontstaat tegen het besluit van 26 juni 2024 geen beroep van rechtswege, omdat [appellant] daarbij onvoldoende belang heeft.
9. [appellant] betoogt dat de korpschef ten onrechte blijft weigeren om de naam openbaar te maken van een burger die in de context van de demonstratie met zijn naam in de openbaarheid is getreden.
9.1. Gelet op wat de Afdeling onder 5.2 heeft overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de korpschef op juiste gronden openbaarmaking van deze informatie heeft geweigerd.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
10. Het hoger beroep is gegrond. Het beroep tegen het besluit van 6 mei 2024 is ongegrond. Omdat de korpschef het gebrek dat onder 4.4 is geconstateerd al heeft hersteld met het besluit van 6 mei 2024, hoeft de korpschef geen nieuw besluit te nemen.
11. De korpschef moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. veroordeelt de korpschef van de politie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten van € 1.868,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de korpschef van de politie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
1072