202502470/1/R2.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 maart 2025 in zaak nr. 24/4017 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend in Tilburg,
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2023 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen het laden en lossen bij [tuincentrum] aan de [locatie] in Tilburg afgewezen.
Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 maart 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 maart 2024 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met in achtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 10 juni 2025 heeft het college opnieuw het bezwaar van [wederpartij] ongegrond verklaard.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 augustus 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Vonk en mr. M.A. Wouters, en [wederpartij] zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 5 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Tegenover de woning van [wederpartij] is enkele jaren geleden een nieuw tuincentrum gebouwd. [wederpartij] ervaart overlast van het tuincentrum door het laden en lossen tegenover zijn woning. Hij heeft het college gevraagd op te treden tegen het laden en lossen aan deze kant, omdat bij de vaststelling van het bestemmingsplan is afgesproken dat het laden en lossen aan de andere kant van het tuincentrum plaatsvindt. Volgens [wederpartij] mag hij op die afspraak vertrouwen. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of het college bevoegd is om te handhaven op de plek van het laden en lossen.
Is het college bevoegd om handhavend op te treden?
3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet zorgvuldig heeft onderzocht of afgewogen of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen en, zo ja, wat betekenis daarvan is voor de uitoefening van zijn handhavingsbevoegdheid. Hierover voert het college aan dat het tuincentrum geen voorschrift overtreedt, omdat het bestemmingsplan niet expliciet laden en lossen aan de noord- en westzijde van het tuincentrum verbiedt, of laden en lossen via de zuid- en oostzijde verplicht. Ook voert het college aan dat uit akoestisch onderzoek blijkt dat het tuincentrum de geluidsnormen tussen 07:00 uur en 19:00 uur niet overschrijdt. Het college is daarom naar eigen zeggen niet bevoegd om handhavend op te treden, ongeacht het mogelijk gewekte vertrouwen.
3.1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college niet zorgvuldig heeft onderzocht of afgewogen of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen. Het college is namelijk niet bevoegd om tegen het tuincentrum handhavend op te treden op basis van mogelijk bij [wederpartij] gewekt vertrouwen, zodat er langs de weg van handhaving geen mogelijkheid bestaat om dergelijk eventueel gewekt vertrouwen te honoreren. Handhavend optreden kan het college immers alleen als een wettelijk voorschrift wordt overtreden. Dat is hier niet het geval. Partijen zijn het er namelijk over eens dat de planregels van het bestemmingsplan niet verbieden om aan de noord- en westzijde van het tuincentrum te laden en lossen. Uitlatingen in de nota van zienswijzen waarop [wederpartij] zich beroept, zijn juridisch niet bindend. Zelfs als tot de conclusie zou worden gekomen dat de passage uit de nota van zienswijzen moet worden gelezen als een toezegging van het college, dan nog kan dit niet leiden tot handhavend optreden op grond daarvan. Dat zou in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel (artikel 5:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). In dit artikel is geregeld dat een bestuurlijke sanctie alleen wordt opgelegd als de overtreding bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift is omschreven.
Het betoog slaagt.
Nader besluit
4. Tegen het besluit van 10 juni 2025 is van rechtswege een beroep van [wederpartij] ontstaan (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 van de Awb). [wederpartij] heeft geen gronden aangevoerd tegen dit besluit, zodat het beroep van [wederpartij] ongegrond is.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. Wat het college verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het besluit op bezwaar van 14 maart 2024 bevat daarmee geen gebrek op het punt van de bevoegdheid tot handhaving. Het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 10 juni 2025 is ongegrond. Het college heeft met dat besluit het door de rechtbank geconstateerde gebrek over onderzoek naar het overtreden van geluidsnormen hersteld. Dit houdt in dat deze procedure over het handhavingsverzoek over de plek van het laden en lossen ten einde is.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 10 juni 2025 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
638-1212