202600912/1/R4.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2025 heeft het college zijn beslissing om op 13 oktober 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 9 van de Afvalstoffenverordening 2010 en de daarop gebaseerde uitvoeringsregeling van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijk afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 25 februari 2026 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 13 oktober 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse container (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar adres op het adreslabel op de doos staat.
Overtreding
2. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar wel dat zij die doos verkeerd heeft aangeboden. Zij voert aan dat de zij de doos in de vulopening van de ORAC heeft gedaan, waarna de doos klem kwam te zitten in de vulopening. Hierdoor blokkeerde de vulopening en kon zij de doos er niet meer uit halen, aldus [appellante]. [appellante] stelt dat haar dochter heeft gezien dat zij op de juiste wijze de doos heeft aangeboden en dat haar dochter bereid is een verklaring af te leggen. Verder voert [appellante] aan dat de doos door een ander uit de ORAC kan zijn gehaald. Als laatste voert [appellante] aan dat zij nooit een huisvuilkalender heeft ontvangen van het college met de ophaaldagen voor oud papier.
2.1. Als verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij de overtreder is. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Vast staat dat op 13 oktober 2025 naast een ORAC ter hoogte van de [locatie] een doos is aangetroffen, die daarmee in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling is aangeboden. Gelet op het op de doos aangetroffen adreslabel is de doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij wat [appellante] aanvoert grond oplevert voor twijfel dat zij degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. De stelling dat zij de doos juist in een ORAC heeft gedaan is daarvoor niet voldoende en het opperen van de mogelijkheid dat iemand anders de doos eruit heeft gehaald ook niet. Op grond van artikel 6, tweede lid, onder b, c en p, van de Regeling uitvoering Afvalstoffenverordening 2010 Den Haag moeten inzamelvoorzieningen na gebruik goed gesloten worden, mogen er geen voorwerpen uit de inzamelvoorziening steken en mogen er bij het aanbieden van afvalstoffen geen afvalstoffen buiten de inzamelcontainer achterblijven. Het college heeft in zijn besluit op bezwaar toegelicht dat indien de doos op de juiste wijze was aangeboden, door het goed sluiten van de inzamelvoorziening, het voor een ander niet mogelijk was om deze uit de ORAC te halen. Over de door [appellante] gestelde omstandigheid dat zij nooit een huisvuilkalender heeft ontvangen, merkt de Afdeling op dat deze huisvuilkalender op de website van de gemeente Den Haag te vinden is. [appellante] heeft onvoldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat zij de doos verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft haar dan ook terecht als overtreder aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
195-836