202403828/1/R3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B], beiden wonend in Peize, gemeente Noordenveld,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 31 mei 2024 in zaak nr. 23/1771 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellante B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.
Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2022 heeft het college geweigerd om aan [appellant A] en [appellante B] een omgevingsvergunning voor het planten van diverse fruitbomen en een rododendronhaag op het perceel [locatie] in Peize te verlenen.
Bij besluit van 10 maart 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 mei 2024 heeft de rechtbank onder meer het door [appellant A] en [appellante B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellante B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 augustus 2026, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door M.I. Tap en E. Oosterloop, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant A] en [appellante B] zijn eigenaren en bewoners van de woning op het perceel [locatie] in Peize. Zij hebben op de gronden ten noorden van de woning 19 fruitbomen en een rododendronhaag geplant. Op 13 oktober 2022 hebben zij een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om de bestaande situatie te legaliseren.
3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Noordenveld". De gronden waarop de fruitbomen en de rododendronhaag zijn geplant hebben de bestemming "Agrarisch met waarden". Op grond van artikel 6.6.1, aanhef en onder 2, van de planregels is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning lijnvormige beplanting aan te brengen. Op grond van artikel 6.6.3, onder b, van de planregels kan de in artikel 6.6.1 genoemde aanlegvergunning slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 6.1.1 van de planregels genoemde waarden.
4. Met het besluit van 16 november 2022, zoals dat in stand is gelaten met het besluit op bezwaar van 10 maart 2023, heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen. Met de brief van 21 juni 2023 heeft het college een aanvullende motivering op de weigering gegeven. Aan de weigering heeft het college ten grondslag gelegd dat het planten van lijnvormige beplanting op deze locatie afbreuk doet aan het behoud en herstel van de volgende kenmerken: het open graslandgebied, percelen begrensd door lijnvormige beplanting en de midden- en bovenloop van het Peizerdiep. [appellant A] en [appellante B] zijn het daar niet mee eens en zijn tegen de weigering opgekomen.
Toetsingskader
5. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
De brief van het college van 21 juni 2023
6. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank ten onrechte de brief van 21 juni 2023 bij haar beoordeling van het beroep tegen het besluit op bezwaar van 10 maart 2023 heeft betrokken.
6.1. De rechtbank heeft onder 5 van de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de brief van 21 juni 2023 geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept, in die zin dat dit geen verandering in de rechtspositie van [appellant A] en [appellante B] heeft gebracht. Het college is bij de weigering van de omgevingsvergunning gebleven en heeft slechts nader onderbouwd waarom het aanbrengen van beplanting in verschillende rijen midden op het perceel de kenmerken "percelen begrensd door lijnvormige beplanting" en "Midden- en bovenloop van het Peizerdiep" aantast. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de brief van 21 juni 2023 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar moet worden beschouwd als een aanvullende motivering van het besluit op bezwaar van 10 maart 2023. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellante B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet de aanvullende motivering van 21 juni 2023 bij haar beoordeling van het besluit op bezwaar van 10 maart 2023 heeft mogen betrekken.
Het betoog slaagt niet.
Omvang van de aanvraag
7. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of de beplanting ook anders dan lijnvormig kan worden geplant geen onderdeel van de procedure is. Zij stellen dat als het is toegestaan dat de fruitbomen in een andere vorm worden geplant dat wel degelijk van belang is voor deze procedure. Daarbij wijzen zij erop dat zij niet hebben aangevoerd dat zij de beplanting ook anders dan lijnvormig willen planten. Verder voeren zij aan dat hobbymatige agrarische activiteiten zijn toegestaan binnen de bestemming "Wonen - Boerderij". De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat het planten van de fruitbomen in strijd is met het bestemmingsplan.
7.1. Het college kan in het stelsel van de Wabo alleen beslissen over een omgevingsvergunning als er een aanvraag voor die vergunning is gedaan. De Afdeling overweegt dat [appellant A] en [appellante B] in de bij hun aanvraag overgelegde situatietekening met kruisjes hebben weergegeven waar zij de fruitbomen en de rododendronhaag hebben geplant. De Afdeling stelt op basis hiervan vast dat de omvang van de aanvraag is beperkt tot een rododendronhaag vanaf de woning tot aan de noordgrens van het perceel, met daarachter drie rijen met fruitbomen. De fruitbomen en de rododendronhaag bevinden zich, wat tussen partijen niet in geschil is, op het gedeelte van het perceel dat de bestemming "Agrarisch met waarden" heeft. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de aanvraag zich dan ook beperkt tot dat deel van het perceel. Dat hobbymatige agrarische activiteiten zijn toegestaan op het deel van het perceel met de bestemming "Wonen - Boerderij", maakt niet dat de aanvraag ook op dat deel van het perceel ziet. Net als de rechtbank benadrukt de Afdeling dat een andere indeling van de fruitbomen en de rododendronhaag niet is aangevraagd. Mochten [appellant A] en [appellante B] in de toekomst wel fruitbomen en een rododendronhaag in een andere indeling willen planten, dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Is er een vergunningplicht?
8. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het planten van de fruitbomen en de rododendronhaag geen vergunningplichtige activiteit is. Zij voeren aan dat de beplanting in de bestemming "Agrarisch met waarden" past omdat er volgens hen geen sprake is van lijnvormige beplanting. Zij wijzen er in dat verband op dat alleen sprake is van lijnvormige beplanting als deze dicht op elkaar wordt aangelegd en niet op een afstand van 8 tot 10 m zoals in het onderhavige geval. Ter onderbouwing wijzen zij op de foto's die zij als bijlagen bij hun hoger beroepschrift hebben gevoegd.
8.1. De Afdeling stelt allereerst vast dat het op grond van artikel 6.6.1, aanhef en onder 2, van de planregels verboden is om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning lijnvormige beplanting aan te brengen. In het bestemmingsplan is geen definitie van het begrip "lijnvormige beplanting" opgenomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:939, onder 13.4, wordt een planregel omwille van de rechtszekerheid letterlijk uitgelegd. Die letterlijke uitleg brengt met zich dat artikel 6.6.1, aanhef en onder 2, van de planregels zo moet worden gelezen dat het moet gaan om iedere vorm van beplanting die in de vorm van een lijn wordt aangebracht. Zoals onder 7.1 is overwogen is de aanvraag ingediend voor een rododendronhaag vanaf de woning tot aan de noordgrens van het perceel, met daarachter drie rijen met fruitbomen. Naar het oordeel van de Afdeling kan de aangevraagde beplanting worden aangemerkt als "lijnvormige beplanting". Dat de bomen op een afstand van 8 tot 10 m van elkaar zijn geplant, wat daar verder ook van zij, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat op grond van artikel 6.6.1, aanhef en onder 2, van de planregels een omgevingsvergunning is vereist.
Het betoog slaagt niet.
De weigering van de omgevingsvergunning
9. [appellant A] en [appellante B] betogen dat het college ten onrechte heeft geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Zij voeren hiertoe aan dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat het perceel in een open graslandgebied ligt. Volgens hen blijkt uit de "Noordenveldse kwaliteitsgids" van februari 2020 dat sprake is van een dorpse inrichting met een agrarisch karakter en dus niet van een open graslandgebied. Zij wijzen er ook op dat de provincie Drenthe bomen ten zuiden van hun woning heeft geplant waardoor de doorkijk naar de achterliggende gronden al wordt verstoord. Daarnaast hebben zij foto’s overgelegd waarop volgens hen te zien is dat bij naburige percelen ook geen doorkijk naar de achterliggende gronden is.
Verder beroepen [appellant A] en [appellante B] zich op het gelijkheidsbeginsel met de stelling dat het college met twee maten meet, omdat het planten van bomen op andere locaties, zoals aan de Woudrustlaan, wel mogelijk wordt gemaakt.
9.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er met de verlening van de omgevingsvergunning sprake zou zijn van een onevenredige afbreuk van het open graslandgebied. De Afdeling verwijst in de eerste plaats kortheidshalve naar de uitspraak van de rechtbank onder 9.3 en 9.4. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellante B] hebben aangevoerd geen aanleiding daar anders over te oordelen. Daarbij overweegt de Afdeling dat het gebied Peizerwold, waarin het perceel aan de [locatie] ligt, in de Noordenveldse kwaliteitsgids is beschreven als een gebied dat wordt gekenmerkt door lintvormige bebouwing met een agrarisch karakter met middelgrote boerderijen met veel doorzichten naar het landschap waar veel graslanden voorkomen. De Afdeling ziet gelet daarop geen redenen waarom het college er ten onrechte van is uitgegaan dat sprake is van een open graslandgebied. De verwijzing van [appellant A] en [appellante B] naar de bomen ten zuiden van hun woning en de beplanting op naburige percelen, maakt dat niet anders. Het college heeft hierover toegelicht dat op de door [appellant A] en [appellante B] aangeleverde foto's de beplanting op de delen van naburige percelen met een woonbestemming zichtbaar is. Tussen deze delen van de percelen bevinden zich, zoals ook bij het perceel aan de [locatie] het geval is, gronden met een agrarische bestemming waar sprake is van graslanden. De bomen ten zuiden van de woning van [appellant A] en [appellante B] bevinden zich volgens het college niet midden op het perceel met de agrarische bestemming, zodat de doorkijk naar het open graslandgebied niet wordt verstoord. De Afdeling ziet geen aanleiding het college niet te volgen in dit standpunt.
Er is verder geen aanleiding voor het oordeel dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door te weigeren om de omgevingsvergunning te verlenen. Het is aan [appellant A] en [appellante B] om te onderbouwen dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld omdat in andere gelijke gevallen wel een omgevingsvergunning is verleend. Van dergelijke gelijke gevallen is niet gebleken. Voor zover [appellant A] en [appellante B] op de zitting hebben gewezen op de planologische voorgeschiedenis van het perceel, wordt overwogen dat het bestemmingsplan niet ter beoordeling voorligt in deze procedure. Onderwerp van het geschil is de weigering van de aanvraag om een omgevingsvergunning te verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
10. Wat [appellant A] en [appellante B] hebben aangevoerd over de kapvergunning en de bouwvergunning hebben zij niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.R. Mosterd, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Mosterd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
1091
BIJLAGE
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…]
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]
Artikel 2.11
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan […], wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is […].
Bestemmingsplan "Buitengebied Noordenveld"
Artikel 1 Begrippen
[…]
1.13 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door het houden van dieren;
Artikel 6 Agrarisch met waarden
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. uitoefening van het agrarisch bedrijf;
[…]
n. behoud en herstel van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden;
[…]
6.1.1 Landschappelijke en natuurlijke waarden
Het behoud en herstel van landschappelijke en natuurlijke waarden wordt nagestreefd door middel van behoud en herstel van de volgende kenmerken:
[…]
Landschap/cultuurhistorie:
[…]
- percelen begrensd door lijnvormige beplanting;
[…]
- open graslandgebied;
[…]
- midden- en bovenloop van het Peizerdiep: deels open grasland, deels op hogere flanken dwars op de stromingsrichting geplaatste houtwallen met soms dwarswallen;
[…]
6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.6.1 Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
[…]
2. het aanbrengen en verwijderen van lijnvormige beplantingen;
[…]
6.6.3 Voorwaarden
[…]
b. De in lid 6.6.1 bedoelde vergunning mag geen onevenredige afbreuk doen aan de in lid 6.1.1 omschreven waarden.
[…]