202600974/1/A2.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Dienst Toeslagen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2026 in zaak nr. 25/695 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] in het kader van de hersteloperatie toeslagen afgewezen.
Bij besluit van 24 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 december 2024 vernietigd, het besluit van 1 juli 2024 herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 24 december 2024 en bepaald dat de Dienst Toeslagen een inhoudelijk besluit moet nemen op de aanvraag van [wederpartij].
Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 juli 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en via een videoverbinding [wederpartij], bijgestaan door mr. L.C. van Kasteren, advocaat in Maastricht, vergezeld door [personen], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartij] heeft op 23 april 2024, na afloop van de geldende wettelijke termijn op 1 januari 2024, een zogenaamde herbeoordeling kinderopvangtoeslag aangevraagd in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag vanwege de termijnoverschrijding zonder inhoudelijke beoordeling afgewezen. [wederpartij] heeft aangevoerd dat zij eerder niet op de hoogte was van de mogelijkheid om een herbeoordeling aan te vragen. Zij spreekt niet goed Nederlands, en heeft afgelopen jaren fysieke, mentale, en financiële problemen gehad. Volgens de Dienst Toeslagen vormen die omstandigheden geen grond om de te laat ingediende aanvraag van [wederpartij], in afwijking van de wettelijke termijn, inhoudelijk te beoordelen.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 9.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht)) de aanvraag wel inhoudelijk had moeten beoordelen. Zij heeft overwogen dat de Dienst Toeslagen in het besluit van 24 december 2024 heeft gesteld dat ouders, van wie hij wist dat zij mogelijk gedupeerd zijn, een brief hebben ontvangen, waarin is gewezen op de mogelijkheid van herbeoordeling van kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft geen brief aan [wederpartij] gestuurd, terwijl zij onbetwist heeft aangevoerd dat zij in het verleden kinderopvangtoeslag heeft ontvangen, ten onrechte als fraudeur is aangemerkt, en daarom is geconfronteerd met terugvorderingen. Ook heeft de Dienst Toeslagen niet betwist dat sprake is geweest van een beperkt doenvermogen van [wederpartij] en heeft hij de door haar daarbij geschetste omstandigheden niet betwist. [wederpartij] heeft de aanvraag onverwijld ingediend, nadat zij bekend is geraakt met de hersteloperatie.
3. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft, naar aanleiding van een verzoek van de Dienst Toeslagen, in haar uitspraak van 19 mei 2026 in zaak nr. 202600974/2/A2 bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de Dienst Toeslagen geen inhoudelijk besluit hoeft te nemen op de aanvraag van [wederpartij] voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Hoger beroep van de Dienst Toeslagen
4. De Dienst Toeslagen voert aan dat hij op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, kan afwijken van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, waarin de aanvraagtermijn is geregeld, voor zover toepassing daarvan gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning van compensatie. De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief van 24 november 2023 aan de Tweede Kamer onder meer benadrukt dat ouders die zich in een bijzondere en/of schrijnende situatie bevinden, waardoor het niet eerder mogelijk was om zich aan te melden, de kans moeten krijgen hun zaak te laten beoordelen. Met andere woorden, de ouder kan dan een beroep doen op de hardheidsclausule. De ouder dient in dat geval aan te geven waarom sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevond. Bij de vraag of een termijnoverschrijding verschoonbaar is, wordt door de Dienst Toeslagen aansluiting gezocht bij de rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven over de overschrijding van de bezwaar- en beroepstermijnen. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat bijzondere omstandigheden die gedurende het jaar vóór de deadline hebben plaatsgevonden, kunnen hebben gezorgd voor een tijdelijke beperking van het doenvermogen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Naast de vraag of sprake is van een bijzondere omstandigheid wordt door de Dienst Toeslagen ook gekeken of hij iets heeft gedaan of nagelaten wat ervoor heeft gezorgd dat de aanvraag te laat is binnengekomen. Verder wordt bij de beoordeling meegewogen of de aanvraag zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd is ingediend. De Dienst Toeslagen wijst erop dat iedere casus op zijn eigen merites wordt beoordeeld. De Dienst Toeslagen betoogt dat de rechtbank, gelet op het bovenstaande ten onrechte heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen, omdat [wederpartij] onvoldoende inzichtelijk en aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege de door haar aangevoerde omstandigheden niet in staat was om de aanvraag tijdig in te dienen. Dat [wederpartij] de aanvraag na afloop van de termijn heeft ingediend, kan wel degelijk aan haar worden toegerekend.
4.1. In de Wht is in artikel 9.1, eerste lid, een hardheidsclausule opgenomen op grond waarvan de Dienst Toeslagen kan afwijken van de aanvraagtermijn in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, voor zover toepassing van de aanvraagtermijn, gelet op het doel of de strekking daarvan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de aanvrager.
4.2. In de memorie van toelichting is als artikelsgewijze toelichting bij de hardheidsclausule het onderstaande opgenomen. "In de hoofdstukken 2 tot en met 4 en 6 is geregeld wie, onder welke voorwaarden in het kader van de hersteloperatie toeslagen in aanmerking komt voor een herstelregeling, welke aanvraagtermijn daarbij geldt, binnen welke termijn het betrokken bestuursorgaan moet beslissen en hoe de uitbetaling is geregeld. Dit biedt rechtszekerheid voor de rechtszoekenden, draagt bij aan gelijke behandeling van gelijke gevallen en is van belang vanuit het oogpunt van democratische controle. De artikelen die in artikel 9.1, eerste en tweede lid, worden genoemd, geven op onderdelen voldoende beoordelingsruimte om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden in een individueel geval. Zij bevatten echter ook elementen die het bestuursorgaan weinig ruimte laten. Daar is bewust voor gekozen. Dit heeft echter het nadeel dat, als zich een bijzondere situatie voordoet waarin niet is voorzien en waarin toepassing van deze wetsbepalingen tot een zeer onbillijke uitkomst leidt, zij weinig mogelijkheden bieden om die uitkomst te verzachten. Met het oog op dergelijke gevallen wordt voorgesteld om in artikel 9.1 een hardheidsclausule op te nemen die het betrokken bestuursorgaan de bevoegdheid geeft om in een schrijnend geval af te wijken van de daarin genoemde artikelen. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat vasthouden aan de toepassing van de betreffende bepaling voor degene die verzocht om toekenning van een van de genoemde herstelregelingen zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Omdat de hardheidsclausule juist is bedoeld voor niet precies te voorziene gevallen is vooraf niet aan te geven welke bijzondere omstandigheden toepassing van de hardheidsclausule zouden kunnen rechtvaardigen. Op basis van ervaring met de uitvoering van de herstelregelingen kan op termijn in een beleidsregel worden uitgewerkt onder welke voorwaarden de bepaling toegepast zal worden." (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 162).
4.3. Bij overschrijding van de aanvraagtermijn in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, kan de hardheidsclausule worden toegepast. Daarvoor moet op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, sprake zijn van een situatie waarbij de handhaving van de uiterste aanvraagtermijn leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Dienst Toeslagen heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht hoe hij deze hardheidsclausule toepast. De strikte handhaving van de op zichzelf ruim gestelde aanvraagtermijn van artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, kan in bijzondere situaties onbillijk uitpakken, waardoor toepassing van deze bepaling achterwege moet blijven. Voor de vraag wanneer sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, zoekt de Dienst Toeslagen in dat soort gevallen aansluiting bij de situaties, zoals genoemd in de rechtspraak van de bestuursrechter na de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31), waarin een termijnoverschrijding bij het indienen van een bezwaar- of beroepschrift op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht verschoonbaar wordt geacht. Dat betekent dat als sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de aanvrager geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt, waardoor de overschrijding van de termijn niet aan de aanvrager kan worden toegerekend, en de aanvrager zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd alsnog de aanvraag heeft ingediend, de hardheidsclausule wordt toegepast en de aanvraag alsnog in behandeling wordt genomen. Tot deze omstandigheden kunnen behoren de schrijnende omstandigheden die in andere gevallen aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, zoals ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, ro. 7.3). Het moet hierbij gaan om omstandigheden die zich hebben voorgedaan gedurende een relevant deel van de aanvraagtermijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de Dienst Toeslagen de toepassing van deze bevoegdheid zo mogen vormgeven. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid die maken dat de aanvrager geen of slechts een gering verwijt kan worden gemaakt, in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
4.4. In deze zaak heeft [wederpartij] aangevoerd dat zij wegens bijzondere omstandigheden niet in staat was de aanvraag vóór afloop van de wettelijke termijn in te dienen. Rond 2010 heeft zij last gehad van suïcidale neigingen. Sinds 2016 heeft zij last van een hernia. Ook is in 2023 prikkelbaar darmsyndroom gediagnosticeerd waardoor zij haar arm niet kan bewegen. Zij lijdt onder bloedarmoede, heeft een ijzertekort, en valt vaak flauw. Kortgeleden is [wederpartij] in het ziekenhuis opgenomen omdat zij door haar mentale klachten te weinig had gegeten en was flauwgevallen. Door de terugvorderingen heeft zij ernstige financiële problemen gehad. [wederpartij] was ook niet op de hoogte van de hersteloperatie. Zij heeft geen brief van de Dienst Toeslagen ontvangen en kijkt niet naar het nieuws omdat zij niet goed Nederlands spreekt en bang is voor de Belastingdienst. In haar schriftelijke uiteenzetting heeft [wederpartij] haar eerder gestelde mentale en fysieke klachten nader onderbouwd. Bijgevoegd in de schriftelijke uiteenzetting is een document, ondertekend door een arts, waaruit volgt dat [wederpartij] in mei 2023 is opgenomen in een kliniek wegens een ernstige depressie en een poging tot zelfdoding.
4.5. Op zitting bij de Afdeling heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat hij hierin geen aanleiding ziet om de hardheidsclausule toe te passen omdat hij niet kan inzien waarom [wederpartij] in de maanden vóór en na haar opname in 2023 niet in staat was om de aanvraag in te dienen.
4.6. De Afdeling is van oordeel dat een door een specialist/deskundige vastgestelde psychische aandoening bij de aanvrager zelf een bijzondere omstandigheid kan vormen waardoor het indienen van de aanvraag na afloop van de termijn niet aan de aanvrager kan worden toegerekend. Dit strookt ook met de door de Dienst Toeslagen op de zitting bij de Afdeling gegeven uitleg. [wederpartij] heeft met het in hoger beroep overgelegde document objectief onderbouwd dat zij in 2023 last had van een psychische aandoening die zodanig ernstig was dat zij twee weken is opgenomen in een kliniek. Door deze psychische aandoening was [wederpartij] gedurende een relevant deel van de aanvraagtermijn redelijkerwijs niet in staat om een aanvraag in te dienen in het kader van de hersteloperatie. Dat haar aanvraag na afloop van de termijn is ingediend, kan daarom niet aan [wederpartij] worden toegerekend. De rechtbank heeft geoordeeld dat [wederpartij] de aanvraag zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd heeft ingediend. De Dienst Toeslagen heeft dit in hoger beroep niet betwist. De Afdeling ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Gelet hierop, levert de toepassing van de aanvraagtermijn in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, in dit geval een onbillijkheid van overwegende aard op. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de Dienst Toeslagen in het geval van [wederpartij] de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de Wht had moeten toepassen om af te wijken van de aanvraagtermijn in artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
4.7. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep van de Dienst Toeslagen is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een inhoudelijk besluit moet nemen op de aanvraag van [wederpartij].
6. De Dienst Toeslagen moet de proceskosten vergoeden.
7. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb, wordt van de Dienst Toeslagen griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de Dienst Toeslagen een griffierecht van € 596,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
594-1177