ECLI:NL:RVS:2026:5509

ECLI:NL:RVS:2026:5509

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 202504837/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 22 mei 2024 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst Toeslagen (nu: de minister van Financiën) geweigerd een afgeloste private schuld van [appellante] te compenseren. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister gevraagd om een afgeloste schuld ter grootte van € 15.000,00 te compenseren. Deze schuld komt voort uit een lening die zij is aangegaan bij een kennis genaamd [persoon]. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgeloste schuld bij [persoon] een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. De informele schuld voldoet daarmee niet aan artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Verder heeft [appellante] geen officiële stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de schuld aan [persoon] opeisbaar is geweest voor 1 juni 2021, waardoor er ook niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.

Uitspraak

202504837/1/A2.

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2025 in zaak nr. 24/6644 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2024 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst Toeslagen (nu: de minister) geweigerd een afgeloste private schuld van [appellante] te compenseren.

Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 augustus 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. H.L. Thiescheffer, advocaat in Leeuwarden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ishak en mr. drs. A. Divis-Stein, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de minister gevraagd om een afgeloste schuld ter grootte van € 15.000,00 te compenseren. Deze schuld komt voort uit een lening die zij is aangegaan bij een kennis genaamd [persoon].

2. In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een bepaling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Dit artikel houdt kort gezegd en voor zover hier relevant in dat een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel (zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht) in aanmerking komt voor vergoeding, als deze afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt welke private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Aan deze voorwaarden moet dus ook zijn voldaan. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling worden private schulden overgenomen die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, kan een informele private schuld in aanmerking komen voor overname, indien die is vastgelegd in een notariële akte of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021.

3. In artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht is een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Besluitvorming

4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgeloste schuld bij [persoon] een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. De informele schuld voldoet daarmee niet aan artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Verder heeft [appellante] geen officiële stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de schuld aan [persoon] opeisbaar is geweest voor 1 juni 2021, waardoor er ook niet wordt voldaan aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.

Uitspraak van de rechtbank

5. Niet in geschil is dat de lening niet is opgenomen in een notariële akte. [appellante] heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen en de eis van de notariële akte mocht stellen. Daaraan heeft zij het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] heeft het bestaan van de schuld niet aannemelijk gemaakt. Haar situatie kan dan ook niet gelijk gesteld worden met die waarin een notariële akte is opgemaakt. Uit de overgelegde bankafschriften en een screenshot van een whatsappgesprek is niet af te leiden dat [appellante] daadwerkelijk € 15.000,00 van [persoon] heeft geleend. Ook is niet duidelijk geworden wat de verdere afspraken over de gestelde lening waren. [appellante] heeft verder niet concreet aangevoerd dat zij door het niet betalen van de schuld in de problemen komt. Van de op de zitting naar voren gebrachte gezondheidsproblemen en financiële problemen zijn geen bewijstukken overgelegd. Ook is niet gebleken dat deze problemen samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren of van schrijnende omstandigheden.

Hoger beroep

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. Door de terugvorderingen van kinderopvangtoeslagen was zij genoodzaakt extra te werken, waardoor zij lichamelijke klachten heeft gekregen. Zij stelt dat zij hierdoor niet meer volledig kan werken en arbeidsongeschikt is verklaard. [appellante] heeft nu een substantieel lager inkomen en stelt dat zij haar vaste lasten, zoals huurkosten en kosten van een leaseovereenkomst, niet meer kan dragen. Als de hardheidsclausule wordt toegepast, kan volgens [appellante] verder voorbij worden gegaan aan de afwezigheid van een notariële akte.

6.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de wettelijke bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. De hardheidsclausule kan dus zowel worden toegepast in bijzondere situaties waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt, als in situaties waarin sprake is van schrijnende omstandigheden. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.

6.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister navolgbaar toegelicht dat hij in zijn afweging alle omstandigheden van [appellante] heeft betrokken, maar dat de situatie, mede gelet op de schuld die al is afbetaald, niet dusdanig schrijnend is dat hij daarin aanleiding had moeten zien toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Hoewel de gestelde medische en persoonlijke omstandigheden van [appellante] verdrietig zijn, blijkt niet dat zij daardoor in serieuze en structurele financiële nood is komen te verkeren. Weliswaar blijkt uit het overgelegde verslag van 12 oktober 2025 van de neuroloog dat zij te kampen heeft met medische klachten, maar daaruit volgt niet dat de weigering de schuld te compenseren tot deze medische klachten heeft geleid. [appellante] heeft niet inzichtelijk gemaakt dat er in haar geval actuele schrijnende omstandigheden zijn die samenhangen met (de gevolgen van) de weigering van de minister om de schuld te compenseren.

6.3. De Afdeling wijst er verder op dat ook als aan het ontbreken van een notariële akte voorbij zou worden gegaan, de schuld niet voor compensatie in aanmerking zou zijn gekomen. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat de overgelegde stukken niet voldoende zijn om te onderbouwen dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was, zoals als voorwaarde is gesteld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.

6.4. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

154-1112

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P.A. de Vink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand