ECLI:NL:RVS:2026:5511

ECLI:NL:RVS:2026:5511

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 202505618/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 juli 2024 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf 24 juli 2024 ongeldig verklaard, omdat zij niet over de vereiste rijvaardigheid beschikt. Op 8 december 2023 is [appellant] links afgeslagen op een plaats waar zij alleen rechts mocht afslaan. Daardoor reed zij tegen de verplichte rijrichting in. Daarom heeft de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant aan het CBR het vermoeden medegedeeld dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid voor het besturen van een personenauto. Het CBR heeft bij besluit van 15 februari 2024 een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd aan [appellant].

Uitspraak

202505618/1/A2.

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-­Brabant van 19 september 2025 in zaak nr. 24/8299 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2024 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf 24 juli 2024 ongeldig verklaard, omdat zij niet over de vereiste rijvaardigheid beschikt.

Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 augustus 2026,

waar [appellant], bijgestaan door P.M. Jille en mr. L.P. Kabel, advocaat in Eindhoven, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 8 december 2023 is [appellant] links afgeslagen op een plaats waar zij alleen rechts mocht afslaan. Daardoor reed zij tegen de verplichte rijrichting in. Daarom heeft de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant aan het CBR het vermoeden medegedeeld dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid voor het besturen van een personenauto. Het CBR heeft bij besluit van 15 februari 2024 een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd aan [appellant].

2. Het rijvaardigheidsonderzoek heeft plaatsgevonden op 1 mei 2024. Volgens de rijvaardigheidsadviseur beheerste [appellant] een aantal onderdelen van het praktijkgedeelte niet. [appellant] heeft daarom op 11 juli 2024 een tweede onderzoek ondergaan. Ook voor dit onderzoek heeft zij volgens de rijvaardigheidsadviseur op verschillende praktijkonderdelen een onvoldoende gehaald. Het CBR heeft daarom in het besluit van 17 juli 2024 gesteld dat [appellant] niet over de vereiste rijvaardigheid beschikt en haar rijbewijs ongeldig verklaard.

3. [appellant] heeft zowel tegen het besluit van 15 februari 2024, waarbij het rijvaardigheidsonderzoek is opgelegd, als tegen het besluit van 17 juli 2024, waarbij haar rijbewijs ongeldig is verklaard, bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 3 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5842) heeft de Afdeling geoordeeld dat het CBR het rijvaardigheidsonderzoek terecht heeft opgelegd. Het besluit van 15 februari 2024 staat dus in rechte vast.

In deze zaak gaat het om de vraag of het CBR het rijbewijs ongeldig mocht verklaren.

4. In artikel 133, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) staat dat het CBR de aard van het rijvaardigheidsonderzoek bepaalt en door welke deskundige(n) het onderzoek zal worden verricht.

Artikel 27, onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) bepaalt dat het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als de uitslag van het rijvaardigheidsonderzoek is dat betrokkene niet de rijvaardigheid heeft voor de categorie motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs geldt.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat het CBR het rijbewijs ongeldig mocht verklaren, omdat [appellant] beide rijvaardigheidstesten niet heeft gehaald. Volgens de rechtbank heeft [appellant] niet onderbouwd dat het CBR bij het rijvaardigheidsonderzoek, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, voor ouderen andere maatstaven aanlegt. Volgens de rechtbank zijn de onderzoeken niet onzorgvuldig geweest. Dat [appellant] volgens een door haarzelf ingeschakelde rijinstructeur wel voldoende rijvaardig is, kan haar niet baten, omdat het CBR een eigen oordeel over de rijvaardigheid moet geven.

De rechtbank vindt de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn. Bovendien kan [appellant] een rijbewijs krijgen door opnieuw rijexamen te doen.

Beoordeling van het hoger beroep

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank haar grond over het gelijkheidsbeginsel niet goed heeft begrepen. Zij heeft niet gesteld dat bij het rijvaardigheidsonderzoek onderscheid wordt gemaakt naar de leeftijd van de betrokkene, maar dat aan rijbewijshouders die een rijvaardigheidsonderzoek moeten doen ten onrechte hogere eisen worden gesteld dan aan kandidaten voor een regulier rijexamen. Het rijvaardigheidsonderzoek duurt tweeënhalf uur, terwijl het reguliere examen 55 minuten duurt. Het is volgens [appellant] niet duidelijk waarom het rijvaardigheidsonderzoek en het reguliere rijexamen van elkaar verschillen.

[appellant] betoogt verder dat de opzet en duur van het onderzoek voor oudere mensen in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat uit onderzoek is gebleken dat ouderen geen reële kans hebben om het rijvaardigheidsonderzoek te halen. In 2023 haalde slechts 1,5% van de ouderen het onderzoek.

[appellant] betoogt ten slotte dat de gevolgen van de huidige opzet van het rijvaardigheidsonderzoek voor ouderen onevenredig zijn in verhouding tot het met het onderzoek te dienen doel. Het doel van het onderzoek zou moeten zijn om na te gaan of een betrokkene nog veilig aan het verkeer kan deelnemen. Uit het extreem lage slagingspercentage, in combinatie met het gegeven dat zij volgens haar eigen rijinstructeur voldoende rijvaardig is, blijkt dat de huidige opzet van het rijvaardigheidsonderzoek niet bij dit doel aansluit. Bij ouderen komt de oplegging van een rijvaardigheidsonderzoek in feite neer op ongeldigverklaring van het rijbewijs. Volgens [appellant] heeft de regelgever bij de totstandkoming van artikel 27, onder a, van de Regeling deze mogelijk ingrijpende gevolgen voor ouderen onvoldoende meegewogen. Zij wijst erop dat zij door medische klachten voor haar sociale leven een rijbewijs nodig heeft.

Gelijkheidsbeginsel

6.1. Het rijvaardigheidsonderzoek duurt langer dan het gewone rijexamen, namelijk maximaal 2,5 uur. Deze tijd wordt niet geheel besteed aan een rijtest, want de betrokkene moet ook een theorie-examen afleggen.

Het CBR heeft uiteengezet dat het gewone rijexamen een ander doel dient dan het rijvaardigheidsonderzoek. Het gewone rijexamen heeft als doel om vast te stellen of een kandidaat voor het eerst een rijbewijs kan krijgen. Een rijvaardigheidsonderzoek wordt pas opgelegd als het vermoeden bestaat dat een rijbewijshouder niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid. Het doel ervan is het verkrijgen van een representatief beeld van het rijgedrag van een betrokkene in uiteenlopende verkeerssituaties. Het onderzoek is een beoordeling van de actuele rijvaardigheid van een rijbewijshouder door een daarvoor speciaal opgeleide rijvaardigheidsadviseur. Deze let ook op mogelijk ingesleten rijgedrag. De langere duur van het rijvaardigheidsonderzoek maakt het mogelijk dat kleine foutjes aan het begin van de rijtest in het vervolg van de test kunnen worden gecorrigeerd, aldus het CBR.

Naar het oordeel van de Afdeling rechtvaardigt het doel van het rijvaardigheidsonderzoek, zoals uiteengezet door het CBR, het verschil in opzet en duur tussen het rijvaardigheidsonderzoek en het gewone rijexamen. Er is dus geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Het betoog slaagt niet.

Zorgvuldigheidsbeginsel

6.2. In artikel 133, tweede lid, van de Wvw 1994 staat dat het CBR de aard van het rijvaardigheidsonderzoek bepaalt. Het CBR bepaalt ook door welke deskundige(n) het onderzoek zal worden verricht. Dat het CBR bij de opzet van het onderzoek geen onderscheid maakt naar de leeftijd van de betrokkene is niet onzorgvuldig. Het is in het belang van de verkeersveiligheid dat alle rijbewijshouders aan dezelfde rijvaardigheidseisen voldoen. Aan de stelling van [appellant] dat in 2023 slechts 1,5% van de ouderen aan wie een rijvaardigheidsonderzoek was opgelegd dat onderzoek heeft gehaald, kan niet de conclusie worden verbonden dat het CBR onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat percentage kan ook bevestigen dat het vermoeden dat een betrokkene niet rijvaardig (meer) is, in veruit de meeste gevallen juist was.

Het betoog slaagt niet.

Evenredigheidsbeginsel

6.3. Artikel 27, onder a, van de Regeling bepaalt dat het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als de uitslag van het rijvaardigheidsonderzoek inhoudt dat een betrokkene niet de rijvaardigheid bezit voor de categorie motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs geldt.

Voor zover [appellant] betoogt dat dit artikel op zichzelf onevenredig is, slaagt dit betoog niet. Dat het CBR een rijbewijs ongeldig verklaart als een betrokkene geen voldoende voor het rijvaardigheidsonderzoek behaalt, is gelet op het grote belang van de verkeersveiligheid geschikt en noodzakelijk om de verkeersveiligheid te bevorderen. Dat de regelgever daarbij geen onderscheid maakt naar leeftijd maakt de regeling niet onevenwichtig. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het rijvaardigheidsonderzoek onredelijk bezwarend is voor ouderen en hun belangen zwaarder moeten wegen dan de veiligheid van andere verkeersdeelnemers.

Voor zover [appellant] betoogt dat artikel 27, onder a, van de Regeling in haar geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat toepassing daarvan achterwege moet worden gelaten, slaagt dat betoog evenmin. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat [appellant] daarvoor geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd. Haar situatie wijkt onvoldoende af van die van andere personen van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard.

Eindoordeel

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Besselink

voorzitter

w.g. De Vries-Biharie

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

611

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.J.M. Besselink
  • mr. N. Verheij
  • mr. A.B. Blomberg

Griffier

  • mr. A.G. de Vries-Biharie

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand