ECLI:NL:RVS:2026:5513

ECLI:NL:RVS:2026:5513

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 202504755/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 januari 2024 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst Toeslagen (nu: de minister van Financiën) geweigerd twee private schulden over te nemen. [appellant] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de minister gevraagd om twee schulden over te nemen van in totaal € 10.000,00 die voortkomen uit leningen aangegaan bij zijn boekhouder, [persoon], en [bedrijf]. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de leningen informele schulden zijn die niet zijn vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijken uit een rechterlijke uitspraak. De minister heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen, omdat de aangeleverde stukken geen authentieke documenten zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet valt te twijfelen aan het bestaan van de informele schulden en de daarover gemaakte betalingsafspraken. Daarnaast heeft [appellant] geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de schulden opeisbaar zijn geweest vóór 1 juni 2021.

Uitspraak

202504755/1/A2.

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 24 juli 2025 in zaak nr. 24/5561 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2024 heeft Sociale Banken Nederland namens de Belastingdienst Toeslagen (nu: de minister) geweigerd twee private schulden over te nemen.

Bij besluit van 15 augustus 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 augustus 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.T. Poort, advocaat in Beverwijk, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ishak en mr. drs. A. Divis-Stein, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de minister gevraagd om twee schulden over te nemen van in totaal € 10.000,00 die voortkomen uit leningen aangegaan bij zijn boekhouder, [persoon], en [bedrijf].

2. In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Artikel 4.1 van de Wht bepaalt welke private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Ingevolge het tweede lid worden private schulden overgenomen die zijn ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, van de Wht kan een informele private schuld in aanmerking komen voor overname, indien die is vastgelegd in een notariële akte of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021.

3. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing ervan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Besluitvorming

4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de leningen informele schulden zijn die niet zijn vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijken uit een rechterlijke uitspraak. De minister heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen, omdat de aangeleverde stukken geen authentieke documenten zijn op grond waarvan redelijkerwijs niet valt te twijfelen aan het bestaan van de informele schulden en de daarover gemaakte betalingsafspraken. Daarnaast heeft [appellant] geen stukken overgelegd, waaruit blijkt dat de schulden opeisbaar zijn geweest vóór 1 juni 2021.

Uitspraak van de rechtbank

5. De rechtbank heeft het standpunt van de minister dat de leningen informele schulden zijn, bevestigd. De rechtbank heeft verder onder meer geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de schulden opeisbaar waren vóór 1 juni 2021. De overgelegde leenovereenkomsten voor beide schulden bevatten geen looptijd, noch is er een aflossingsschema overeengekomen. De leenovereenkomsten bevatten juist expliciet de afspraak dat aflossing in onderling overleg zal plaatsvinden.

Hoger beroep

6. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] de grond dat de minister - in strijd met de goede procesorde - zich pas voor het eerst in beroep op het standpunt heeft gesteld dat de schuld niet opeisbaar is geworden voor 1 juni 2021, ingetrokken.

7. Het betoog van [appellant] dat gelet op het Haviltex-criterium de leenovereenkomsten zo uitgelegd moeten worden dat partijen een maandelijkse aflossing van € 1.000,00 voor ogen stond, slaagt niet. De Afdeling is, met de rechtbank, van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schulden niet voor overname in aanmerking komen. De Afdeling komt tot dit oordeel alleen al op grond van de in de overgelegde leenovereenkomsten opgenomen tekst dat de betaling geschiedt in onderling overleg. Hieruit blijkt namelijk dat de schulden niet voor 1 juni 2021 opeisbaar waren, zoals als voorwaarde is gesteld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.

Dit betekent dat de overige gronden geen bespreking meer behoeven.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

154-1112

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. P.A. de Vink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand