ECLI:NL:RVS:2026:5514

ECLI:NL:RVS:2026:5514

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 202506175/1/V6
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 8 januari 2024 heeft de minister van Defensie een verzoek van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren (het verzoek), afgewezen. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. Op 1 juli 2023 heeft hij de minister gevraagd om hem naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij van 2007 tot 2010 in dienst van het bedrijf "Global Peace and Logistics Services" (GPLS) heeft gewerkt binnen de kampen in Tarin Kowt en Deh Rawod, Afghanistan. Hij verrichtte onderhoudswerkzaamheden aan voertuigen voor de Nederlandse strijdmacht.

Uitspraak

202506175/1/V6.

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2025 in zaak nr. 25/2722 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Defensie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2024 heeft de minister een verzoek van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren (het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2025 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Met toestemming van partijen is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit en verblijft in Afghanistan. Op 1 juli 2023 heeft hij de minister gevraagd om hem naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij van 2007 tot 2010 in dienst van het bedrijf "Global Peace and Logistics Services" (GPLS) heeft gewerkt binnen de kampen in Tarin Kowt en Deh Rawod, Afghanistan. Hij verrichtte onderhoudswerkzaamheden aan voertuigen voor de Nederlandse strijdmacht.

2. De minister heeft het verzoek afgewezen omdat [appellant] niet kan worden aangemerkt als ‘voormalig lokale medewerker’ in de zin van de Werkafspraken tolken (de Tolkenregeling). [appellant] was slechts als werknemer van GPLS werkzaam en hij was daarmee niet opgenomen in de werkzaamheden van de Nederlandse militaire missie.

3. De Tolkenregeling is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen. Gelet op de aard van de werkzaamheden onderscheidt [appellant] zich namelijk onvoldoende van een grotere groep mensen die werkzaamheden hebben verricht of diensten hebben verleend ten behoeve van de Nederlandse missie. [appellant] is door zijn werkzaamheden niet in een extra zichtbare en kwetsbare positie gebracht en hij werd daardoor niet vereenzelvigd met de Nederlandse missie. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat de minister tijdens de zitting heeft verklaard dat ten tijde van de evacuatiefase verzoeken tot overbrenging ruimhartig zijn beoordeeld. Deze ruimhartigheid gold uitsluitend voor verzoeken die tijdens deze fase zijn behandeld. Daarnaast heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden concreet gevaar loopt. Hoewel [appellant] zich in een moeilijke bewijspositie bevindt, mag de minister van [appellant] verlangen dat hij dit aannemelijk maakt, aldus de rechtbank.

Moet de minister ruimhartig beoordelen?

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister het verzoek had moeten beoordelen aan de hand van de zogeheten ruimhartigheidstoets. [appellant] wijst in dit verband op het advies van de Commissie Advisering bezwaarschriften Defensie van 23 januari 2025. Daaruit volgt dat de commissie betekenis toekent aan de vereisten die nader zijn uitgewerkt in het Aanhangsel Handelingen II, 2020/21, nr. 3805 (het Aanhangsel Handelingen II). Volgens [appellant] volgt uit het Aanhangsel Handelingen II dat het ruimhartig beoordelen van verzoeken om overbrenging een vereiste van de Tolkenregeling is. Daarnaast betoogt [appellant] dat als de ruimhartige beoordeling alleen geldt voor verzoeken die tijdens de evacuatiefase zijn ingediend, dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over zijn beroep op de ruimhartigheidstoets, aldus [appellant].

5.1. Hoewel de uitspraak van de rechtbank onder 4.1 een weergave bevat van het standpunt van de minister over de ruimhartigheidstoets, moet dit zo worden opgevat dat de rechtbank de toelichting van de minister in haar oordeel heeft aanvaard. Die overweging staat immers onder het kopje ‘Wat is het oordeel van de rechtbank?’.

In de antwoorden 8, 11 en 12 van het Aanhangsel Handelingen II hebben de bij de Tolkenregeling betrokken bestuursorganen toegelicht dat verzoeken onder de Tolkenregeling op dat moment ruimhartig werden bezien wegens de veiligheidssituatie in Afghanistan destijds. De minister heeft tijdens de zitting bij de rechtbank verklaard dat de ruimhartige beoordeling uitsluitend gold voor verzoeken die tijdens de evacuatiefase zijn behandeld. Het verzoek van [appellant] is van na de evacuatiefase. Met het beëindigen van die evacuatiefase is een wezenlijk andere situatie ontstaan. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:719, onder 6.1. Hieruit volgt dat [appellant] tevergeefs betoogt dat het ruimhartig beoordelen van een verzoek om overbrenging een algemeen geldend vereiste is van de Tolkenregeling. Anders dan [appellant] aanvoert, is de ruimhartige beoordeling van verzoeken tijdens de evacuatiefase ten opzichte van de beoordeling van verzoeken van na deze fase niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De situatie tijdens de evacuatieperiode was acuut en verschilde daarom wezenlijk van de periode daarna.

5.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat hij gevaar loopt als gevolg van zijn werkzaamheden?

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden concreet gevaar loopt. Volgens [appellant] lopen mensen die in het verleden buitenlandse mogendheden hebben ondersteund categorisch gevaar. Dit volgt ook uit het Algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 december 2025 (het ambtsbericht). Het ambtsbericht bevestigt het reële risico dat buren of andere derden hem alsnog kunnen identificeren op grond van zijn werkzaamheden en hem verraden aan de Taliban. Verder speelt het tijdsverloop na zijn werkzaamheden voor de Taliban geen rol, omdat betrokkenen bij buitenlandse missies na verloop van tijd herkenbaar blijven. [appellant] betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte de opvatting van de minister heeft gevolgd dat gevaar in Afghanistan veel oorzaken kan hebben. Immers volgt uit het ambtsbericht specifiek dat personen die werkzaamheden hebben verricht voor buitenlandse missies, gevaar lopen.

6.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het aan [appellant] is om aannemelijk te maken dat hij gevaar loopt en dat dit gevaar het gevolg is van de werkzaamheden die hij voor de Nederlandse missie heeft verricht. De verwijzing naar het ambtsbericht maakt het gevaar dat [appellant] stelt te lopen niet concreet genoeg en maakt evenmin aannemelijk dat dit gevaar het gevolg is van de werkzaamheden die hij ten behoeve van de Nederlandse militaire missie heeft verricht. Weliswaar zal het in de praktijk voor veel verzoekers niet meer mogelijk zijn om concreet te maken dat zij gevaar lopen wegens hun werkzaamheden voor Nederland door het tijdsverloop in combinatie met de complexe Afghaanse samenleving, maar dat neemt niet weg dat de minister dit van [appellant] mag verlangen. De Afdeling betrekt hierbij dat het bij de Tolkenregeling gaat om buitenwettelijk begunstigend beleid. Bij het opstellen van zulk beleid hebben bestuursorganen veel beleidsruimte. Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869 onder 5.3.

6.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.

7. De hogerberoepsgrond dat de rechtbank het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard, heeft geen zelfstandige betekenis.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Van Breda

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Oei

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

670-1196

BIJLAGE

Werkafspraken tolken (de Tolkenregeling)

Inleiding

Deze werkafspraken geven uitvoering aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg hiervan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Dit is ook als zodanig verwoord door de bewindspersonen van Defensie en V&J tijdens het debat over de bescherming van tolken van 14 oktober 2014. Elk beschermingsverzoek in dit kader wordt op eigen merites beoordeeld; er is geen sprake van een collectieve regeling. Met deze werkafspraken wordt beoogd de taakverdeling tussen de ministeries van Defensie, BZ en V&J (waaronder de IND) vast te leggen zodat een zorgvuldige en voorspoedige afhandeling van de beschermingsverzoeken kan worden gerealiseerd.

Afspraken

• De doelgroep op wie deze werkafspraken van toepassing zijn, betreft: (voormalig) lokale medewerkers die voor een substantiële periode, d.w.z. niet op incidentele basis, ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en die als gevolg hiervan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Hierbij wordt opgemerkt dat de aard van de werkzaamheden van invloed kan zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. In beginsel wordt die kans hoger geacht bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ waarbij verzoeker zichtbaar en regelmatig met een Nederlandse missie in verband is gebracht zoals bij tolk en chauffeursdiensten. Elk beschermingsverzoek wordt echter individueel beoordeeld. De juridische relatie van verzoeker met de militaire missie is leidend, maar niet in alle gevallen bepalend. Zo zullen lokale medewerkers die zijn ingehuurd door een andere autoriteit (een internationale organisatie (Navo, VN) of door een ander land), maar primair voor de Nederlandse militaire missie worden of zijn ingezet, bij een verzoek voor bescherming in eerste instantie worden verwezen naar deze autoriteiten. Wanneer deze autoriteiten het beschermingsverzoek niet in behandeling nemen zal Nederland het verzoek beoordelen.

• Alle verzoeken die bij BZ via het posten netwerk of bij Defensie via de militaire missieleiding, of eventueel op andere wijze binnenkomen, worden door het ontvangend departement geregistreerd en zo snel mogelijk op ambtelijk niveau gedeeld met de betrokken ministeries (Def, BZ, V&J/IND).

• Een beschermingsverzoek dient in elk geval de personalia (naam, geboortedatum en plaats) van de indiener te bevatten, alsmede een beschrijving van de aard van de bedreiging. Indien nodig vraagt de ambassade of Defensie de verzoeker deze gegevens aan te leveren, alvorens het verzoek door te geleiden naar de betrokken ministeries.

• Defensie streeft ernaar binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek, uitsluitsel te geven of verzoeker heeft gewerkt voor de Nederlandse missie en welke Juridische relatie hierbij van toepassing was. Tevens worden de aard, tijd, en de frequentie van de aangegeven werkzaamheden gecontroleerd en de hieraan gerelateerde (publieke) blootstelling. Ook de eventuele reden voor ontslag wordt —voor zover mogelijk — geverifieerd.

• Indien Defensie aangeeft dat verzoeker voor een Nederlandse militaire missie heeft gewerkt, zal door zorg van BZ aan hem/haar worden gevraagd een door de IND opgestelde gestandaardiseerde vragenlijst in te vullen. De antwoorden worden gedeeld met de betrokken ministeries en betrokken bij de nadere beoordeling van het beschermingsverzoek.

• BZ toetst de geclaimde persoonlijke gevaarzetting aan de hand van de bij BZ en Defensie bekende algemene dreigingsinschatting voor lokaal (militair) missiepersoneel in het betreffende land en stelt in overleg met Defensie een advies op. De toetsing gebeurt binnen de mogelijkheden van de lokale (veiligheids)context en de ter beschikking staande onderzoeksmiddelen.

• Een interdepartementaal directeurenoverleg (op afroep), bestaande uit directeuren van Defensie, BZ en V&J (IND), besluit op grond van het door BZ en Defensie opgestelde advies per afzonderlijk ingediend beschermingsverzoek, of dit moet worden doorgezet naar V&J/IND voor verdere behandeling.

• De beschermingsverzoeken die niet van voldoende substantie worden geacht, worden niet doorgestuurd aan de IND. Het ministerie (Defensie of BZ) waarbij het verzoek is ingediend stelt de verzoeker op de hoogte dat het verzoek niet voor verdere behandeling in aanmerking komt.

• De beschermingsverzoeken die door de directeuren van voldoende substantie worden geacht, worden door BZ en Defensie per brief voorgelegd aan de Hoofddirecteur van de IND in afschrift aan de Directeur Migratiebeleid van V&J. Daarbij wordt tenminste ingegaan op de verzoeker zijn/haar dienstverband, aard, tijd, en de frequentie van de aangegeven werkzaamheden en de hieraan gerelateerde (publieke) blootstelling. Tevens wordt een inschatting gegeven van de actuele gevaarzetting van de verzoeker door BZ. De door of namens verzoeker ingevulde vragenlijst wordt als bijlage meegestuurd.

• Indien de IND daartoe aanleiding ziet is er de mogelijkheid om in aanvulling op de reeds ingevulde vragenlijst via de post nadere vragen te stellen aan de verzoeker.

• Elk door Defensie en BZ voorgedragen beschermingsverzoek wordt door de IND voorzien van een advies en per nota voorgelegd aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

• Indien een zaak positief wordt beoordeeld, machtigt de IND de post tot verstrekking van een inreisvisum (MVV humanitair of visum kort verblijf ‘territoriaal beperkt’). De verzoeker kan vervolgens in Nederland een asielaanvraag indienen volgens de daarvoor geldende procedure. De verzoeker dient er in beginsel zelf voor zorg te dragen dat hij/zij over een geldig reis- en identiteitsdocument beschikt als voorwaarde om in te kunnen reizen.

• De daadwerkelijke overbrenging van de verzoeker naar Nederland en de hiermee gemoeide kosten vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie waarvoor de verzoeker de werkzaamheden heeft verricht. Na aankomst in Nederland wordt zoveel mogelijk het reguliere asielproces gevolgd. Hiervoor zal de IND in overleg met de betrokken ketenpartners een procesbeschrijving opstellen.

• De doorlooptijd die wordt nagestreefd voor afhandeling van deze beschermingsverzoeken bedraagt maximaal tien weken vanaf de ontvangst van het beschermingsverzoek van verzoeker. Deze termijn is exclusief de tijd die verzoeker zelf gebruikt om benodigde aanvullende informatie aan te leveren en de vragenlijst in te vullen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand