202502688/1/R4.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Almere,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 28 maart 2025 in zaak nr. 23/4744 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere
Procesverloop
Bij besluit van 17 augustus 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd vanwege gebruik van gemeentegrond in strijd met de Algemene plaatselijke verordening Almere 2011.
[appellant] heeft beroep ingesteld omdat het college niet tijdig heeft beslist op zijn daartegen gemaakte bezwaar.
Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
[appellant] heeft zijn beroep wegens niet tijdig beslissen ingetrokken en heeft daarbij de rechtbank verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten.
Bij uitspraak van 28 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] ingediende verzoek afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. Het college heeft aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd vanwege gebruik van gemeentegrond in strijd met de Algemene plaatselijke verordening Almere 2011. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt bij e-mail van 29 september 2022. Op 7 augustus 2023 heeft [appellant] een ingebrekestelling gestuurd omdat niet was beslist op zijn bezwaar. Vervolgens heeft hij beroep ingesteld bij de rechtbank wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar.
2. Het college heeft de e-mail van 29 september 2022 in eerste instantie niet aangemerkt als bezwaarschrift. Het heeft de ingebrekestelling als bezwaarschrift aangemerkt en dat bezwaar bij besluit van 10 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Naar aanleiding van dit besluit heeft [appellant] zijn beroep wegens niet tijdig beslissen ingetrokken. In beroep heeft het college zijn standpunt gewijzigd. Het merkt de e-mail van 29 augustus 2022 toch aan als bezwaarschrift en zal daarop gaan beslissen.
3. [appellant] heeft de rechtbank verzocht om het college te veroordelen in de proceskosten die hij heeft gemaakt met het instellen van het beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. Ze heeft overwogen dat [appellant] redelijkerwijs niet meer in het vertrouwen kon verkeren dat het college nog een beslissing zou nemen. [appellant] heeft namelijk pas bijna een jaar later een ingebrekestelling gestuurd en tussen het bezwaar en de ingebrekestelling geen contact met het college onderhouden.
4. [appellant] kan zich hier niet in vinden. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan het feit dat het college pas na het beroep wegens niet tijdig beslissen een besluit heeft genomen op het bezwaar. De handelwijze van het college heeft geleid tot onnodige proceskosten voor hem. Hij wijst erop dat het college heeft verklaard zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten. Verder is de feitelijke gang van zaken door de rechtbank miskend. Er is wel contact geweest tussen [appellant] en het college in de periode tussen het bezwaar en de ingebrekestelling. Hij heeft veelvuldig telefonisch contact gezocht met de gemeente. Daarnaast heeft hij ook per e-mail geïnformeerd naar de stand van zaken, zoals op 22 januari 2023 en op 22 februari 2023.
Naast proceskosten voert [appellant] aan dat hij op grond van artikel 4:17 van de Awb ook recht op een dwangsom van het college. De rechtbank is hier in de uitspraak niet op in gegaan, terwijl hij wel had verzocht om deze vast te stellen.
5. Voor de beoordeling of [appellant] recht heeft op een vergoeding van de proceskosten is het van belang om vast te stellen of [appellant] op het moment dat hij de ingebrekestelling indiende redelijkerwijs nog een besluit van het college mocht verwachten. Na het indienen van het bezwaarschrift in september 2022 heeft hij in januari 2023 en februari 2023 gemaild naar het college. Hij heeft in beide e-mails geschreven dat hij het niet eens is met de gang van zaken en dat hij wacht op een reactie van het college. Er is, anders dan waar de rechtbank vanuit ging, wel contact geweest tussen [appellant] en het college. Dat maakt dat [appellant] redelijkerwijs mocht verwachten dat het college nog een besluit zou nemen.
Het betoog slaagt.
6. Over het verzoek tot het vaststellen van een dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb overweegt de Afdeling dat dit verzoek buiten de omvang van het geding valt. [appellant] heeft in zijn brief van 23 oktober 2023 zijn beroep wegens niet tijdig beslissen ingetrokken met het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten, op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. In dat verzoek is niet gevraagd om het vaststellen van een dwangsom. De bestreden uitspraak met zaaknummer 23/4744 heeft op dat verzoek om een veroordeling in de proceskosten betrekking, en [appellant] heeft uitsluitend tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Het geding is hierdoor beperkt tot het verzoek als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb en gaat alleen over de proceskosten.
7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten is afgewezen.
8. Het college moet de proceskosten vergoeden. Omdat het hoger beroep uitsluitend gericht is tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, merkt de Afdeling de zaak in hoger beroep als ‘licht’ aan en past zij wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 28 maart 2025 in zaak nr. 23/4744, voor zover het verzoek om het college van burgemeester en wethouders van Almere te veroordelen in de proceskosten is afgewezen;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almere tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Almere aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.M. Greben, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Greben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
1210