202504382/1/A3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2025 in zaak nr. 24/8290 in het geding tussen:
[appellante]
en
het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Rogplus.
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2024 heeft Rogplus naar aanleiding van een verzoek van [appellante] op grond van de Wet open overheid (Woo) documenten verstrekt.
Bij besluit van 23 juli 2024 heeft Rogplus het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 21 maart 2024 gedeeltelijk herroepen en de motivering aangevuld.
Bij uitspraak van 20 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Rogplus heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellante], vergezeld door [persoon A], en Rogplus, vertegenwoordigd door mr. I.J. Nelissen en mr. N. Doran, zijn verschenen.
Op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling het onderzoek op de zitting geschorst.
Rogplus en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het onderzoek hervat op een tweede zitting, op 3 september 2026, waar [appellante], vergezeld door [persoon A], en Rogplus, vertegenwoordigd door Nelissen en Doran, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Rogplus is uitvoerder van de Wet maatschappelijke ondersteuning in de gemeenten Maassluis, Vlaardingen en Schiedam. [appellante] heeft op 20 februari 2024 een Woo-verzoek ingediend bij Rogplus. Zij heeft verzocht om openbaarmaking van informatie over de casus van haar zoon in de periode van 1 november 2022 tot 20 februari 2024. Rogplus heeft het verzoek op grond van artikel 5.5 van de Woo behandeld. Bij het besluit van 21 maart 2024 heeft Rogplus documenten gedeeltelijk verstrekt en informatie onleesbaar gemaakt met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) en artikel 5.2 van de Woo (persoonlijke beleidsopvattingen). Bij het besluit van 23 juli 2024 heeft Rogplus de motivering aangepast en aangevuld. Rogplus legt in dat besluit niet langer artikel 5.2 van de Woo ten grondslag aan het niet verstrekken van informatie. Rogplus legt hieraan in zijn besluit op bezwaar, naast de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo (goed functioneren van de overheid) ten grondslag.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het, anders dan [appellante] heeft aangevoerd, aannemelijk is dat Rogplus niet over meer documenten beschikt. Volgens de rechtbank heeft Rogplus op goede gronden besloten informatie niet te verstrekken wegens de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Rogplus heeft volgens de rechtbank evenwel niet ook het belang van het goede functioneren van de overheid ten grondslag mogen leggen aan het weigeren van de informatie. De rechtbank heeft dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat Rogplus diezelfde informatie wel onleesbaar mocht maken wegens eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Wettelijk kader
3. De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Zijn er meer documenten?
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij niet alle documenten heeft gekregen waarom zij heeft verzocht. Zij mist documenten uit de periode van 4 januari 2023 tot 20 maart 2023 waaruit kan worden afgeleid hoe het ondersteuningsplan van 4 januari 2023 van jeugdhulpverlener [persoon B] terecht is gekomen bij Rogplus en welke medewerkers van Rogplus daarbij betrokken waren. [appellante] stelt dat zij geen toestemming heeft gegeven om het ondersteuningsplan aan Rogplus te verstrekken. Ook wil [appellante] weten hoe het mogelijk is dat een juridisch medewerker van Rogplus het ondersteuningsplan in een andere procedure zonder haar toestemming aan een bezwaarschriftencommissie heeft verstrekt. Rogplus moet over documenten beschikken die hiervoor een verklaring geven, aldus [appellante].
4.1. De Afdeling begrijpt dat [appellante] onder meer wil dat het ondersteuningsplan van 4 januari 2023 en andere in haar brief van 2 augustus 2026 genoemde documenten worden verstrekt en op de inventarislijst bij het besluit van 23 juli 2024 worden opgenomen. De Afdeling stelt vast dat dit documenten zijn die [appellante] al in haar bezit heeft. Rogplus hoeft documenten die [appellante] al heeft niet nogmaals te verstrekken.
4.2. [appellante] wijst erop dat zij over meerdere documenten beschikt die niet op de inventarislijst staan vermeld. Omdat de inventarislijst niet compleet is, is het volgens [appellante] aannemelijk dat Rogplus over nog meer stukken beschikt die niet op de inventarislijst staan. Naar het oordeel van de Afdeling is het gegeven dat [appellante] zelf nog meer stukken in bezit heeft die niet op de inventarislijst staan vermeld geen concreet aanknopingspunt dat Rogplus over meer documenten zou beschikken.
4.3. [appellante] stelt dat Rogplus over documenten moet beschikken waaruit blijkt hoe het ondersteuningsplan bij Rogplus terecht is gekomen en welke medewerkers daarbij betrokken waren. Volgens [appellante] zou het ondersteuningsplan aan Rogplus moeten zijn toegezonden met een begeleidend schrijven. Op de zitting van de Afdeling van 8 juli 2026 hebben Nelissen en Doran verklaard niet zeker te weten op welke manier het ondersteuningsplan aan Rogplus is toegezonden. Zij spraken het vermoeden uit dat dit met een upload via een portaal is gegaan en boden aan dit na te zullen vragen. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek op de zitting geschorst en Rogplus in de gelegenheid gesteld te onderzoeken hoe het ondersteuningsplan van 4 januari 2023 bij haar terecht is gekomen. Rogplus heeft bij brief van 22 juli 2026 te kennen gegeven dat het ondersteuningsplan niet per e-mail of anderszins als afzonderlijke document aan haar is toegezonden. Het ondersteuningsplan is via het ZorgNed-portaal door middel van een zogeheten ‘datadump’ aan haar toegezonden en zo in het digitaal dossier terechtgekomen. Op de betreffende dag van de datadump zijn meer dossiers op deze manier aan Rogplus beschikbaar gesteld. Rogplus heeft met de aanvullende reactie haar standpunt dat zij niet over een begeleidend schrijven beschikt nader onderbouwd. De Afdeling ziet geen aanleiding aan deze onderbouwing te twijfelen. De Afdeling acht het aannemelijk dat alle stukken met betrekking tot het ondersteuningsplan zijn verstrekt en volgt [appellante] dan ook niet in haar standpunt dat Rogplus over meer documenten beschikt.
4.4. Het betoog slaagt niet.
Toepassing uitzonderingsgronden
5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Rogplus de stukken niet onleesbaar mocht maken met een beroep op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. [appellante] wil de namen van de betrokken medewerkers weten om te achterhalen wie zonder haar instemming kennis hebben genomen van het ondersteuningsplan van [persoon B].
5.1. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat Rogplus de namen van medewerkers onleesbaar heeft mogen maken wegens eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het is aannemelijk dat het verstrekken van de namen nadelige invloed kan hebben op de persoonlijke levenssfeer van de medewerkers. Verstrekking van de namen kan leiden tot persoonlijke schade voor de medewerkers. Vergelijk de uitspraak van 21 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1665, onder 9.1.3. Rogplus heeft aan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken medewerkers dan ook een zwaarder gewicht mogen toekennen dan aan het belang van verstrekking van de namen.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.
7. Rogplus hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
735-1104
BIJLAGE
Wet open overheid
Artikel 5.1. Uitzonderingen
(…)
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
(…)
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
(…)
Artikel 5.2. Persoonlijke beleidsopvattingen
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
(…)
Artikel 5.5. Verstrekking van informatie die de verzoeker betreft
1. Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
(…)