ECLI:NL:RVS:2026:552

ECLI:NL:RVS:2026:552

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-02-2026
Datum publicatie 31-01-2026
Zaaknummer 202305034/2/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Bij besluit van 9 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel het wijzigingsplan "[locatie] te Wintelre" vastgesteld. Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel aan de [locatie] in Wintelre. De Maatschap exploiteert ter plaatse een varkenshouderij en is voornemens drie nieuwe stallen voor vleesvarkens te realiseren. De Maatschap wil haar varkenshouderij toekomstbestendig in gaan richten en wil op een diervriendelijke en duurzame manier varkens gaan houden. Het wijzigingsplan voorziet in het van vorm veranderen van het bouwvlak om de gewenste wijzigingen in de bedrijfsvoering mogelijk te maken, waarbij twee van de door de Maatschap beoogde drie nieuwe stallen zijn voorzien binnen het gewijzigde deel van het bouwvlak. De Stichtingen betogen onder meer dat het college bij het onderzoek naar de geurhinder en de stikstofdepositie niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het wijzigingsplan.

Uitspraak

202305034/2/R2.

Datum uitspraak: 2 februari 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

Stichting Groen Kempenland, gevestigd in Bladel en Stichting Milieuwerkgroep Kempenland, gevestigd in Bergeijk (hierna: de Stichtingen),

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2023 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie] te Wintelre" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Stichtingen beroep ingesteld.

Bij besluit van 16 oktober 2024 (hierna: het herstelbesluit) heeft het college het wijzigingsplan "[locatie] te Wintelre" (hierna: het wijzigingsplan) gewijzigd vastgesteld.

De Stichtingen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Stichtingen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 15 januari 2026, waar de Stichtingen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof en A. Castelijns, en het college, vertegenwoordigd door F.P.C. Verhagen en ing. Y.A.W. Hommel-Sprengers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [maatschap], vertegenwoordigd door mr. M. Peeters, advocaat in Someren, [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Voorlopig karakter oordeel

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

3. Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel aan de [locatie] in Wintelre. De Maatschap exploiteert ter plaatse een varkenshouderij en is voornemens drie nieuwe stallen voor vleesvarkens te realiseren. De Maatschap wil haar varkenshouderij toekomstbestendig in gaan richten en wil op een diervriendelijke en duurzame manier varkens gaan houden. Het wijzigingsplan voorziet in het van vorm veranderen van het bouwvlak om de gewenste wijzigingen in de bedrijfsvoering mogelijk te maken, waarbij twee van de door de Maatschap beoogde drie nieuwe stallen zijn voorzien binnen het gewijzigde deel van het bouwvlak.

4. Het wijzigingsplan is vastgesteld op basis van artikel 3.9.1 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017", waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het van vorm veranderen van het bouwvlak.

5. Bij het herstelbesluit heeft het college het besluit van 9 mei 2023 tot vaststelling van het wijzigingsplan vervangen. Het college heeft een nieuwe AERIUS-berekening gemaakt, met inachtneming van andere stikstofbronnen dan alleen stalemissies en op basis van een andere referentiesituatie. Verder heeft het college de regels voor stalderen bij een toename aan oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

Spoedeisend belang

6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals door de Maatschap op de zitting is gesteld, geen spoedeisend belang bestaat. Dit gelet op de omstandigheid dat het college bij besluit van 1 oktober 2025 een omgevingsvergunning aan de Maatschap heeft verleend voor het bouwen van onder meer drie varkensstallen, waartegen door de Stichtingen bezwaar is gemaakt. Met deze omgevingsvergunning zijn twee varkensstallen gelegen binnen het met het wijzigingsplan gewijzigde bouwvlak vergund.

Beoordeling verzoek

7. De Stichtingen betogen onder meer dat het college bij het onderzoek naar de geurhinder en de stikstofdepositie niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het wijzigingsplan. De onderbouwing van het wijzigingsplan is namelijk uitsluitend gebaseerd op het concrete initiatief dat volgens de onderbouwing leidt tot een vermindering van de geurhinder en de stikstofdepositie. Volgens de Stichtingen maakt het wijzigingsplan het ook mogelijk om door verschuiving van bestaande dierenverblijven binnen het bouwvlak nieuwe dierenverblijven te realiseren, op een andere locatie, die niet leiden tot een vermindering van de geurhinder en de stikstofdepositie.

7.1. Artikel 2 van het wijzigingsplan luidt: "Op dit wijzigingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2017' van de gemeente Eersel, zoals vastgesteld op 3 juli 2018 van toepassing. Daarnaast zijn ook de regels van de eerste en tweede herziening alsmede van het Reparatieplan, vastgesteld op resp. 29 januari 2019, 31 mei 2022 en 27 september 2022 van toepassing. In afwijking van de van toepassing verklaarde regels wordt voor dit wijzigingsplan artikel 3.4.2 lid l. vervangen door:

In aanvulling op het bepaalde onder a. tot en met k. is binnen het stalderingsgebied een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, uitsluitend toegestaan als bewijs is overlegd dat:

1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feítelijk is beëindigd;

2. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:

a. in geval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen.

b. bij functiewijziging, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen.

3. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.

[…]."

7.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij het besluit van 1 oktober 2025 een omgevingsvergunning is verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken ten behoeve van onder meer de bouw van drie varkensstallen. Daarbij heeft het college de aanvraag getoetst aan artikel 3.4.2 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017", zoals dat gewijzigd is met artikel 2 van het wijzigingsplan. Het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" en het wijzigingsplan maken deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Eersel. Bij besluit van 1 oktober 2025 is een omgevingsvergunning verleend om in afwijking van artikel 3.2.2, onder a, de oppervlakte van dierenverblijven te vergroten. Daarnaast heeft het college het voorliggende wijzigingsplan vastgesteld, dat voorziet in een vormverandering van het bouwvlak, zodat gebouwd kan worden op gronden waar dat voorheen op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017" niet mogelijk was. Onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe om het wijzigingsplan te schorsen, zodat voor het te nemen besluit op bezwaar tegen de omgevingsvergunning wordt teruggevallen op het bouwvlak volgens het bestemmingsplan "Buitengebied 2017".

7.3. De voorzieningenrechter overweegt verder als volgt. Ingevolge artikel 2 van het wijzigingsplan blijft artikel 3.2.2, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017", van toepassing. Op grond van die bepaling is een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor de uitoefening van een veehouderij ook onder het wijzigingsplan niet toegestaan. Op grond van artikel 3.4.2 is voor een toename van de oppervlakte dierenverblijf in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2 een omgevingsvergunning noodzakelijk.

De voorzieningenrechter overweegt dat de gevolgen die kunnen optreden bij de toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid zijn onderzocht bij de vaststelling van het wijzigingsplan en dat die gevolgen terecht door het college relevant zijn geacht bij de vraag of het wijzigingsplan kon worden vastgesteld. Ter onderbouwing van de (ruimtelijke) aanvaardbaarheid van het wijzigingsplan in combinatie met de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is het college uitgegaan van een concreet initiatief. In het wijzigingsplan is echter niet geborgd dat alleen dit concrete initiatief kan worden gerealiseerd. Het wijzigingsplan maakt immers een verschuiving van het bouwvlak mogelijk, zonder dat de locatie van de twee met het wijzigingsplan beoogde stallen is vastgelegd, terwijl de locatie van de twee beoogde stallen onder meer relevant is voor de door de Stichtingen genoemde gevolgen van geurhinder en de omvang van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarnaast is bij het wijzigingsplan opnieuw een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen op grond waarvan met een afwijkingsvergunning de oppervlakte kan worden vergroot. Het college heeft bij het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van het wijzigingsplan met deze mogelijkheden geen rekening gehouden. Daardoor is het college niet uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ter illustratie wijst de voorzieningenrechter op het ter zitting gegeven voorbeeld van de Stichtingen, dat de omgevingsvergunning die is aangevraagd en waarvoor op 1 oktober 2025 een omgevingsvergunning is verleend, uitgaat van onder andere een ander stalsysteem dan het stalsysteem waarvan bij het wijzigingsplan is uitgegaan met andere ruimtelijke gevolgen dan waarvan bij het wijzigingsplan is uitgegaan.

7.4. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het wijzigingsplan in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. Verder heeft de Maatschap op de zitting toegelicht dat zij nog geen gebruik kan maken van de bij besluit van 1 oktober 2025 verleende omgevingsvergunning en nog niet kan beginnen met de bouw van de drie stallen, omdat er nog geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend. Alles afwegende ziet de voorzieningenrechter op grond van het bovenstaande aanleiding om het wijzigingsplan te schorsen.

7.5. Overigens wijst de voorzieningenrechter erop dat het college of de Maatschap bij een wijziging van de omstandigheden om opheffing van de voorlopige voorziening kan verzoeken.

Conclusie en proceskosten

8. Het verzoek wordt toegewezen.

9. Het college moet de proceskosten van de Stichtingen vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek toe;

II. schorst het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 9 mei 2023 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie] te Wintelre";

III. schorst het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 16 oktober 2024 tot gewijzigde vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie] Wintelre";

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eersel tot vergoeding van bij Stichting Groen Kempenland en Stichting Milieuwerkgroep Kempenland in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.917,85, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eersel aan Stichting Groen Kempenland en Stichting Milieuwerkgroep Kempenland het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Kaajan

voorzieningenrechter

w.g. Nales

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026

680-1150

BIJLAGE

Bestemmingsplan "Buitengebied 2017"

Artikel 3.2.2 Bebouwing binnen bouwvlak

Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mogen uitsluitend worden opgericht:

a. agrarische bedrijfsgebouwen; met dien verstande dat een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor de uitoefening van een veehouderij niet is toegestaan;

[…].

Artikel 3.4.2 Afwijking uitbreiding bebouwing ten behoeve van een veehouderij

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 teneinde een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor de uitoefening van een veehouderij toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. de bebouwing is niet gelegen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - natuurnetwerk brabant';

b. de bebouwing is niet gelegen ter plaatse van ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij'. Dit geldt niet indien er sprake is van een grondgebonden veehouderij;

c. er zijn maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;

d. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;

e. de maatregelen als bedoeld onder c., in ieder geval voldoen aan de door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant gestelde nadere regels Verordening ruimte 2014 Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV), zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, met dien verstande dat, indien deze regels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging;

f. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

g. er is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 ìg/m³;

h. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de ontwikkeling;

i. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;

j. er dient te worden voldaan aan de voorwaarden van de Afstemmingsnotitie Landschapsinvesteringsregeling De Kempen d.d. 24 augustus 2012 (Bijlage 2) of een vergelijkbaar door de gemeenteraad van Eersel vastgesteld document;

k. binnen gebouwen mogen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de begane grond gehouden worden, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

l. In aanvulling op het bepaalde onder a. tot en met k. is binnen het stalderingsgebied een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, uitsluitend toegestaan als bewijs is overlegd dat:

1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

2. de oppervlakte van de sanering onder 1. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

3. de sanering onder 1. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling;

m. de vestiging van, de uitbreiding van, de omschakeling naar en een toename van de oppervlakte dierenverblijf van geitenhouderijen is niet toegestaan, tenzij het verbod zoals opgenomen in de provinciale verordening is opgeheven;

n. bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op het in gebruik nemen van deze gebouwen als dierenverblijf, wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen onder a. tot en met m.

Wijzigingsplan "[locatie] te Wintelre" (besluit van 16 oktober 2024)

Artikel 2 Agrarisch

Op dit wijzigingsplan zijn de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2017' van de gemeente Eersel, zoals vastgesteld op 3 juli 2018 van toepassing. Daarnaast zijn ook de regels van de eerste en tweede herziening alsmede van het Reparatieplan, vastgesteld op resp. 29 januari 2019, 31 mei 2022 en 27 september 2022 van toepassing.

In afwijking van de van toepassing verklaarde regels wordt voor dit wijzigingsplan artikel 3.4.2 lid I vervangen door:

In aanvulling op het bepaalde onder a. tot en met k. is binnen het stalderingsgebied een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, uitsluitend toegestaan als bewijs is overlegd dat:

1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feítelijk is beëindigd;

2. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:

a. in geval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen.

b. bij functiewijziging, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen.

3. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.

En artikel 3.9.1 lid 10 wordt vervangen door:

In aanvulling op het bepaalde onder 1. tot en met 9. is binnen het stalderingsgebied een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat:

1. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

2. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:

a. in geval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen.

b. bij functiewijziging, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen.

3. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?