202502936/1/V6.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 april 2025 in zaak nr. 23/7944 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Defensie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2022 heeft de minister een verzoek van appellanten om op enige wijze hun overkomst naar Nederland te faciliteren (het verzoek), afgewezen.
Bij besluit van 6 november 2023 heeft de minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2025 heeft de rechtbank het door appellanten daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 13 juni 2022 herroepen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat het verzoek alsnog wordt afgewezen.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Appellanten hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 juni 2026, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verbaas, advocaat in Alkmaar, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat in Den Haag, en mr. A.J.M. Zwiep, zijn verschenen. [appellant] heeft tijdens de zitting bij de Afdeling telefonisch ingebeld.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellanten zijn [appellant], haar echtgenoot en acht gestelde familieleden. Zij hebben de Afghaanse nationaliteit en verblijven in Afghanistan. Op 9 december 2021 heeft [appellant] de minister gevraagd om haar en haar gezin vanuit Afghanistan naar Nederland over te brengen. Zij heeft dit gevraagd, omdat haar in 2010 overleden echtgenoot, [persoon], in de periode 2008 tot 2010 als tolk heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht in Kamp Hadrian in Uruzgan, Afghanistan. [persoon] is op [datum] 2010 tijdens een patrouille omgekomen.
1.1. De minister heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de Werkafspraken tolken (Tolkenregeling). In de beroepsfase heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zij het verzoek mocht afwijzen, omdat [appellant] niet meer behoort tot het kerngezin van [persoon]. [appellant] is namelijk hertrouwd en heeft met haar huidige echtgenoot meerdere kinderen gekregen. Daarom voldoen appellanten niet aan de vereisten die de minister in het kader van de Tolkenregeling stelt voor gezinsleden van de hoofdpersoon.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat de minister het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister het verzoek alsnog mocht afwijzen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat er drie groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen. De eerste groep bestaat uit lokale medewerkers, onder wie tolken, die direct voor een Nederlandse militaire missie hebben gewerkt. Onder de tweede groep vallen lokale tolken die hebben gewerkt voor een Nederlandse missie of een Nederlandse functionaris. De derde groep bestaat uit andere lokale medewerkers die aannemelijk maken dat zij gedurende een substantiële periode voor een Nederlandse militaire missie of Nederlandse functionaris hebben gewerkt en als gevolg daarvan op dit moment persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Als de lokale medewerker behoort tot een van deze groepen, dan kan ook zijn kerngezin meereizen. De rechtbank heeft overwogen dat partijen het erover eens zijn dat [appellant] en haar huidige echtgenoot zelf niet vallen onder een van deze groepen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] zich niet kan beroepen op de rechten die toekwamen aan het kerngezin van [persoon], omdat zij na zijn overlijden is hertrouwd en met haar huidige huwelijkspartner een nieuw gezin heeft gesticht. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat appellanten geen omstandigheden hebben aangevoerd die hun specifieke, individuele situatie zo bijzonder maken dat de minister daarin aanleiding had moeten zien om hen toch voor overbrenging in aanmerking te laten komen.
Bijzondere omstandigheden?
3. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen bijzondere omstandigheden naar voren hebben gebracht die hun specifieke, individuele situatie zo bijzonder maken, dat de minister daarin aanleiding had moeten zien om hen toch voor overbrenging in aanmerking te laten komen. Appellanten wijzen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700. Uit die uitspraak volgt volgens hen dat er geen verschil meer bestaat tussen de evenredigheidsbeoordeling bij buitenwettelijk en binnenwettelijk beleid. De vraag of het gaat om buitenwettelijk beleid is daarom niet meer relevant voor de beoordeling van de evenredigheid van een besluit. Over hun omstandigheden voeren zij aan dat [appellant] als echtgenote van een tolk die voor Nederland heeft gewerkt, in aanmerking moet komen voor overbrenging naar Nederland in het kader van de Tolkenregeling. Appellanten wijzen erop dat [persoon] tijdens zijn werk als tolk is overleden. Daarbij mag de minister [appellant] niet tegenwerpen dat zij na het overlijden van haar man is hertrouwd. Volgens appellanten mag de minister niet verwachten dat [appellant] altijd een weduwe zou blijven, ook gelet op de positie van alleenstaande vrouwen in de huidige Afghaanse maatschappij onder de Taliban. In dat kader wijzen appellanten op het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024, AH en FN, ECLI:EU:C:2024:828. Volgens appellanten volgt uit dat arrest dat het samenstel van voor vrouwen discriminerende maatregelen in Afghanistan afbreuk doet aan de menselijke waardigheid en als daad van vervolging moet worden gezien. Verder heeft [appellant] tijdens de zitting bij de Afdeling aangevoerd dat de economische situatie in Afghanistan slecht is en er veel armoede is. Onder deze omstandigheden getuigt de afwijzing van het verzoek van een ongerechtvaardigde hardheid.
3.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869, onder 5.2.3 tot en met 5.2.6, heeft overwogen zijn er twee groepen die onder de Tolkenregeling vallen. Dit zijn personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht en daardoor gevaar lopen (de eerste groep) en anderen die werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale militaire missie of politiemissie in Afghanistan en daardoor gevaar lopen (de tweede groep). De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat [appellant] niet valt onder een van de twee groepen uit de Tolkenregeling. Verder heeft de Afdeling in de hierboven genoemde uitspraak onder 5.3 overwogen dat het bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk en begunstigend beleid gaat en dat bestuursorganen bij het opstellen van zulk beleid veel beleidsruimte hebben. Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat de door de betrokken bestuursorganen gegeven invulling aan en afbakening van de Tolkenregeling niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Uit de uitspraak van de grote kamer van de CRvB van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.9.2.1 en 4.9.2.2, waar appellanten op wijzen, volgt dat de bestuursrechter buitenwettelijk beleid toetst aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkenen zich daarop beroepen. De beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij buitenwettelijk beleid is groot, wat in beginsel leidt tot een terughoudender toets door de rechter dan bij binnenwettelijk beleid. Dit betekent dat de bestuursrechter beoordeelt of zich in het individuele geval bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan de minister niet strikt mag vasthouden aan het beleid als neergelegd in de Tolkenregeling.
3.2. De Afdeling stelt voorop dat [appellant] door het overlijden van [persoon] in beginsel geen aanspraak meer maakt op overbrenging naar Nederland. Op grond van de Tolkenregeling brengt Nederland ook het kerngezin van de hoofdpersoon over, omdat het gaat om gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 892, p. 3-4). Doordat [persoon] is overleden en [appellant] is hertrouwd, bestaat er geen familie- en gezinsleven meer met [persoon] als bedoeld in deze bepaling. Appellanten hebben naar het oordeel van de Afdeling verder niet aannemelijk gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen waarin de rechtbank aanleiding had moeten zien voor het oordeel dat de afwijzing van het verzoek onevenredig is. Hoewel de Afdeling begrijpt dat het overlijden van [persoon] een ingrijpende gebeurtenis is geweest, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat zij sinds zijn overlijden in 2010 gevaar lopen als gevolg van zijn werkzaamheden. Ook wijzen zij tevergeefs op het arrest AH en FN. De vrees voor een onmenselijke of vernederende behandeling in Afghanistan levert geen bijzondere omstandigheid op. De minister schendt - ook als de Taliban dat mogelijk wel doen - niet de fundamentele rechten van personen die buiten het beleid vallen, als zij hun overkomst naar Nederland niet faciliteert. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718, onder 4.2. Dat de economische situatie in Afghanistan slecht is en er veel armoede is, levert ook geen bijzondere omstandigheid op, omdat dit voor meer mensen in Afghanistan geldt.
3.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. De Ruijter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
887-1174