202405363/1/R2.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), in het geding tussen:
[appellant A]. en [appellant B], gevestigd of wonend in [woonplaats], gemeente Meierijstad,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Meierijstad,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiegebied [camping]" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[persoon] en [camping] ([camping]) hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.
[camping] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 8 juni 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd of bijgestaan door mr. L. Pronk, advocaat in Helmond, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.C. Mulder-van den Biggelaar en L.W.T.A.M. Vulders-Foederer, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [camping], vertegenwoordigd door mr. A.A.P.M. Theunen, advocaat in Veghel, en R.P.M. [persoon A], en [persoon B], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan is vastgesteld naar aanleiding van een verzoek voor uitbreiding van de (recreatieve) gebruiks- en bouwmogelijkheden van [camping] en een separaat uitbreidingsverzoek voor het naastgelegen Paardensportcentrum [camping] (Paardensportcentrum) en kampeerterrein van de Nederlandse Caravan Club (NCC). Het plan voorziet in een herstructurering van het terrein van [camping] voor een uitbreiding en toevoeging van verschillende (nieuwe) recreatieve verblijfsvoorzieningen op het terrein én voor een uitbreiding en vernieuwing van de (dag)recreatieve, sanitaire en facilitaire voorzieningen. Verder voorziet het plan onder andere in een vergroting van het bestaande complex van Paardensportcentrum ten behoeve van de realisatie van een paardenzwembad, het realiseren van twee inpandige verblijfseenheden voor tijdelijk verblijf voor stagiairs/grooms en de realisatie van zestien parkeerplaatsen. Ook maakt het plan het onder meer mogelijk om op het kampeerterrein van NCC negen camperplaatsen, een groepsaccommodatie en zes verhuureenheden te realiseren. [appellant A] en [appellant B] zijn gevestigd of wonend aan de noordwestzijde van het plangebied en zijn eigenaren en exploitanten van de akkerbouwgronden aan de [locatie], kadastraal bekend, gemeente [woonplaats], sectie R, nummers 134, 278 en 280. Deze percelen grenzen direct aan de westzijde van het plangebied. [appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover het betrekking heeft op de gronden van Paardensportcentrum en vrezen onder meer voor een beperking in de bedrijfsvoering.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Wettelijk kader
4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Strijd met de IOV
5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan in strijd is vastgesteld met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV), omdat er sprake is van nieuwvestiging van een niet-agrarische functie. Bovendien wordt niet voldaan aan artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV, omdat er splitsing is van een bouwperceel.
5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is vastgesteld met de IOV, omdat er geen vestiging plaatsvindt van een niet-agrarische functie als bedoeld in de IOV. Sinds 2010 is Paardensportcentrum namelijk ter plaatse al toegestaan, omdat er in 2010 een zogenoemd projectbesluit is genomen die deze bedrijfsfunctie op het betreffende perceel al toestaat. Het is volgens de raad dan ook een bestaande niet-agrarische functie als bedoeld in artikel 3.71 van de IOV.
5.2. Ingevolge artikel 3.73, eerste lid, van de IOV kan een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de in dit artikel genoemde voorwaarden is voldaan.
5.3. De Afdeling stelt vast dat het college bij besluit van 17 augustus 2010 het projectbesluit "[paardenstation]" heeft genomen voor de gronden kadastraal bekend, gemeente [woonplaats], sectie B, nummers 281 en 282. Het college heeft met dit besluit ontheffing verleend van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997" voor de toevoeging van een paardenstation, in de vorm van een paardenrijhal, stallen en aanverwante voorzieningen. Met dit projectbesluit is een Paardensportcentrum al planologisch mogelijk gemaakt en is deze bedrijfsfunctie al toegestaan op een bestaand bouwperceel. Daardoor wordt met het onderhavige bestemmingsplan niet voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, van de IOV. Dat betekent dat de hierin genoemde voorwaarden niet van toepassing zijn. Daarom wordt dus niet toegekomen aan de vraag of een splitsing van het bouwperceel plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOV. De raad heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is vastgesteld met dit artikellid van de IOV.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat er geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden en hun (bedrijfs)belangen onvoldoende zijn betrokken bij de vaststelling van het plan. Daarover voeren zij aan dat hun bedrijfsvoering ernstig wordt belemmerd door de toegenomen bedrijfsactiviteiten van Paardensportcentrum. In de vergunning uit 2010 is Paardensportcentrum niet als zelfstandige inrichting vergund, maar uitsluitend als faciliterend ten behoeve van [camping]. Door de onderlinge verbindingen tussen Paardensportcentrum en [camping] in het plan te verbreken en een zelfstandig functionerend paardencentrum mogelijk te maken, is er een substantiële wijziging van het gebruik beoogd. Verder is er gelet op de korte afstand tussen de gronden van Paardensportcentrum en de gronden van [appellant A] en [appellant B] geen sprake van een passende bestemming. Direct tegen de perceelsgrens kan Paardensportcentrum namelijk verschillende bedrijfsactiviteiten uitvoeren, waaronder het stallen, africhten, trainen en berijden van paarden en hippotherapie en aquatraining en revalidatie van paarden. Deze mogelijkheid verdraagt zich slecht met de bestaande functie, namelijk teelt van zacht fruit, op de gronden van [appellant A] en [appellant B]. Ook wordt niet voldaan aan de richtafstand van 50 m tussen de gronden van [appellant A] en [appellant B] waarop gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt en het bouwvlak waarbinnen Paardensportcentrum bijbehorende voorzieningen en stageverblijven mag oprichten. Ook zijn de rijbak, longeercirkel en stapmolen bedoeld voor langdurig menselijk verblijf en voorzien op een afstand korter dan 50 m van de agrarische gronden. Dat het gebruik als paardensportcentrum al is toegestaan op grond van de vergunning uit 2010 maakt dit volgens [appellant A] en [appellant B] niet anders.
6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de belangen van [appellant A] en [appellant B] voldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Allereerst kunnen beide functies naast elkaar functioneren zonder dat mogelijk onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering van beide functies is te verwachten. Ook zijn beide functies al toegestaan op grond van eerdere besluitvorming en is er geen sprake van een substantiële functiewijziging, omdat al in 2010 de vestiging van een paardenstation door middel van het projectbesluit planologisch mogelijk is gemaakt. Daaropvolgend zijn in 2010, 2012 en 2014 omgevingsvergunningen verleend voor het realiseren van benodigde bouwwerken en de situering van de longeercirkel, stapmolen en rijbaan met lichtmasten ten behoeve van het paardenstation. Ter plaatse zijn twee zelfstandige bedrijven gevestigd, waarbij voor Paardensportcentrum een projectbesluit is genomen. Verder is op grond van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" de richtafstand voor geluid in gemengd buitengebied 10 m tot gevoelige functies. De gevoelige functies, zoals de verblijven van de stagiairs/grooms, de bedrijfswoning en de verblijfsrecreatie, liggen ruim buiten deze richtafstand. Wat betreft de hinder van bedrijfsactiviteiten voor de paarden is dat geen criterium bij de beoordeling van de aanvaardbare ruimtelijke functiescheiding en het komt voor rekening van initiatiefnemer om de paarden op een locatie te houden zonder hinder van omliggende percelen. Ook worden volgens de raad geen nieuwe geurgevoelige functies toegestaan binnen de richtafstand van 50 m van de agrarische gronden van [appellant A] en [appellant B]. In de huidige situatie worden [appellant A] en [appellant B] al beperkt door de gevoelige functie die op grond van het projectbesluit uit 2010 en de omgevingsvergunningen uit 2010, 2012 en 2014 is toegestaan binnen de richtafstand van 50 m van hun agrarische gronden.
6.2. Vaste rechtspraak is dat er geen wettelijke bepalingen over de minimaal aan te houden afstanden bestaan tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen en tuinen. In het algemeen wordt een afstand van 50 m als spuitvrije zone tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk geacht. Dit betekent niet dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, maar aan het hanteren van een kortere afstand moet een goede motivering ten grondslag worden gelegd (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3303, onder 6.1).
6.3. In beginsel dient legaal bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht, mits de raad aannemelijk maakt dat het gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:203, onder 4.5).
6.4. Zoals hiervoor is vastgesteld in 4.3 is een Paardensportcentrum al planologisch mogelijk gemaakt met het projectbesluit van 17 augustus 2010 en de omgevingsvergunningen van 22 december 2010, 6 februari 2012 en 7 augustus 2014. De verleende omgevingsvergunningen zijn onherroepelijk en de legale bouwwerken zijn gerealiseerd, zodat de raad het legaal bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingplan heeft mogen bestemmen. Voor dit oordeel is het volgende van belang. Anders dan [appellant A] en [appellant B] aanvoeren is er geen substantiële wijziging van het gebruik, nu Paardensportcentrum als zodanig in 2010 reeds planologisch mogelijk is gemaakt. Verder heeft Paardensportcentrum op de zitting onweersproken toegelicht dat haar voorzieningen zich al sinds 2010 ter plaatse bevinden. Paardensportcentrum en [appellant A] en Van hoof functioneren al geruime tijd naast elkaar. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] hierover aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet heeft mogen vaststellen. Daarbij zijn ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder b, van de planregels de voor "Recreatie - 2" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardensportcentrum" bestemd voor een paardensportcentrum met bijbehorende voorzieningen. Op grond van de tabel bij artikel 6.2.4 van de planregels zijn op de gronden bij deze aanduiding onder meer een rijbak, een stapmolen (al dan niet overdekt), een longeercirkel (al dan niet overdekt) en paddocks toegestaan. De Afdeling volgt [appellant A] en [appellant B] niet in hun betoog dat de rijbak, de stapmolen en de longeercirkel zijn aan te merken als locaties waar mensen langdurig verblijven. De raad heeft Paardensportcentrum met bijbehorende voorzieningen dan ook terecht niet als een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie aangemerkt. Daarvoor hoeven dan ook geen spuitzones in acht te worden genomen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
6.5. Maar de Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stageverblijven" in het plan en de agrarische gronden van [appellant A] en [appellant B] korter is dan 50 m, namelijk ongeveer 47 m. De stageverblijven waren nog niet toegelaten op grond van het projectbesluit, terwijl de stageverblijven zijn aan te merken als een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie. De raad heeft op de zitting toegelicht dat het de bedoeling was dat de stageverblijven in het plan zijn voorzien op een afstand groter dan 50 m. Ook heeft de raad op de zitting toegelicht en erkend dat door een meetverschil tussen de praktijk en het elektronisch vastgestelde plan de afstand in het elektronisch vastgestelde plan ten onrechte minder is dan 50 m, namelijk 47 m. Omdat de raad zich op de zitting op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Recreatie - 2" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie -stageverblijven", voor zover gelegen op een kortere afstand dan 50 m van de agrarische gronden van [appellant A] en [appellant B], in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.
Het betoog slaagt in zoverre.
Landschappelijke inpassing
7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan in strijd is vastgesteld met een goede ruimtelijke ordening, omdat [camping] de bij het projectbesluit verplichte landschappelijke inpassing uit de ruimtelijke onderbouwing van Croonen adviseurs van 27 mei 2010, die ten grondslag heeft gelegen aan het projectbesluit niet heeft gerealiseerd, zodat er sprake is van een onvoldoende ruimtelijke scheiding tussen beide functies.
7.1. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat de landschappelijke inpassing uit het projectbesluit van 17 augustus 2010 niet is gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat dit projectbesluit niet voorligt in deze procedure. Wat [appellant A] en [appellant B] hierover aanvoeren, kan in deze procedure niet aan de orde komen.
7.2. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat de landschappelijke inpassing in het plan onvoldoende is gewaarborgd, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan op het punt van de landschappelijke inpassing niet in strijd is vastgesteld met een goede ruimtelijke ordening en dat de landschappelijke inpassing in het plan is gewaarborgd. Artikel 6.4.4 van de planregels bepaalt namelijk dat uiterlijk binnen één jaar na eerste ingebruikname de landschappelijke inpassing overeenkomstig de uitgangspunten als opgenomen in het rapport "Landschappelijke inpassing. Paardensportcentrum [camping] en NCC-terrein te [woonplaats], gemeente Meierijstaf" van BRO van 10 april 2024 moet zijn gerealiseerd en duurzaam in stand moet worden gehouden. In wat [appellant A] en [appellant B] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk heeft mogen achten dat de gehele westzijde van het plangebied wordt beplant.
Het betoog slaagt niet.
Wegen
8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan in strijd is vastgesteld met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat in het plan niet is gewaarborgd dat de wegen de [weg 1] en [weg 2] niet als ontsluiting mogen worden gebruikt. Het gebruik van deze wegen in een droge periode veroorzaakt veel stof(overlast), waardoor stof kan vastzetten op de bessen die op de agrarische gronden van [appellant A] en [appellant B] worden geteeld en worden medewerkers blootgesteld aan stof(overlast).
8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is vastgesteld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Paardensportcentrum zal worden ontsloten vanaf de [weg 1] richting [locatie] (westelijke richting) en het NCC-terrein zal worden ontsloten via de [weg 2] in westelijke richting. De [weg 1] en [weg 2] zijn sinds 2004 (deels) aan de openbaarheid onttrokken, maar de [weg 1] en [weg 2] zijn ter hoogte van de percelen van [appellant A] en [appellant B] in de huidige situatie al openbaar. Dit gedeelte van de [weg 1] zal worden onderhouden door de gemeente. Voor wat betreft de stof(overlast), worden de [weg 1] en [weg 2] in de huidige situatie al door verkeer gebruikt wat in de huidige situatie reeds tot overlast kan leiden. Volgens de raad is de mogelijke toename van overlast niet onaanvaardbaar.
8.2. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het plan niet in strijd is vastgesteld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij betrekt de Afdeling dat de [weg 1] en [weg 2] voor een deel aan de openbaarheid zijn onttrokken, maar de wegen ter hoogte van de percelen van [appellant A] en [appellant B] in de huidige situatie al openbaar zijn. Daarbij komt alleen het verkeer van en naar Paardensportcentrum. De raad heeft op de zitting toegelicht dat het NCC-terrein in de huidige situatie al wordt ontsloten via de [weg 2]. De ontsluiting van [camping] vindt niet plaats via de [weg 1] en [weg 2]. De raad heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat de ontsluiting voorzien in het plan over de [weg 1] en [weg 2] niet tot een onaanvaardbare toename van verkeersbewegingen en daarmee (stof)overlast op de percelen van [appellant A] en [appellant B] leidt.
Het betoog slaagt niet.
Bestuurlijke lus
9. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8.51d van de Awb op te dragen om het hiervoor onder 6.5. geconstateerde gebrek in het besluit van 27 juni 2024 binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen. Zoals op de zitting met partijen besproken moet de raad een nieuw besluit nemen dat erin voorziet dat de afstand tussen de gronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - stageverblijven" en de agrarische gronden van [appellant A] en [appellant B] in ieder geval 50 m is.
9.1. De raad moet de Afdeling en de andere partijen de uitkomst meedelen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en meedelen. Een gewijzigd of nieuw besluit hoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.
9.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Proceskosten
10. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Meierijstad op om:
- binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak het onder 9 omschreven gebrek in het besluit van 27 juni 2024 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Recreatiegebied [camping]" te herstellen;
- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
680-1150
Bijlage - Wettelijk kader
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied
Lid 1
Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
[…].
a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;
c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
d. de vestiging heeft geen betrekking op:
1. een kantoor met baliefunctie;
2. lawaaisport;
3. mestbewerking.
[…]
Bestemmingsplan "Recreatiegebied [camping]"
Artikel 6 Recreatie - 2
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Recreatie - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatie':
1. standplaatsen voor kampeermiddelen, alsmede voor stacaravans en/of chalets;
2. recreatiewoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning';
3. groepsaccommodatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - voorzieningen';
4. ondersteunende voorzieningen, receptie/ontvangst en overdekte zwembad ten dienste van de onder 1. tot en met 3. genoemde doeleinden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - voorzieningen';
5. speelvoorzieningen;
b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - paardensportcentrum': een paardensportcentrum met bijbehorende voorzieningen, alsmede maximaal 2 stageverblijven met een maximale gezamenlijke oppervlakte van 150 m², met dien verstande dat de stageverblijven uitsluitend binnen de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - stageverblijven' zijn toegestaan;
c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': wonen in maximaal één bedrijfswoning conform de definitie 'woning', al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis;
d. (onverharde) paden en wegen en parkeervoorzieningen;
e. behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden;
f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
g. groenvoorzieningen.
6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
a. […]
b. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde is het bepaalde in de tabel 'Specifieke bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde' van toepassing: