202404981/1/R3.
Datum uitspraak: 16 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
VOF Groeipassie en haar vennoten [appellant A] en [appellant B] (VOF Groeipassie), gevestigd respectievelijk wonend in Leimuiden, gemeente Kaag en Braassem,
appellanten
en
de raad van de gemeente Kaag en Braassem,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Leimuiden" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft VOF Groeipassie beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij 1] en [partij 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
VOF Groeipassie, [partij] en [gemachtigde 1] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 augustus 2026, waar [appellant B], bijgestaan door mr. J.W. Spanjer, advocaat in Midsland, en de raad, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw, advocaat in Doetinchem, en [persoon], zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [partij 2], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 15 juni 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij 1] is de bewoonster en voormalige eigenaresse van de bestaande bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] in Leimuiden. Het plan is opgesteld naar aanleiding van het verzoek van [partij 1] om de bestaande bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Het plan voorziet daarom in een functiewijziging van de bestemming "Detailhandel" naar "Wonen".
3. VOF Groeipassie exploiteert een tuincentrum en kwekerij op het perceel [locatie 2] in Leimuiden. Dit perceel grenst direct ten zuiden van het perceel [locatie 1] in Leimuiden. In het plan is aan een deel van het perceel [locatie 2] de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "wonen uitgesloten" toegekend. VOF Groeipassie is het niet eens met het plan, met name omdat zij vreest voor een beperking van haar bedrijfsactiviteiten.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beoordeling van het beroep
Noodzaak bedrijfswoning
5. VOF Groeipassie betoogt dat haar de mogelijkheid wordt ontnomen om zelf een bedrijfswoning te realiseren terwijl dit noodzakelijk is voor haar bedrijfsvoering. Zij voert aan dat de toekomstige financiering voor bijvoorbeeld verduurzaming zonder bedrijfswoning niet mogelijk is. Verder heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat een bedrijfswoning bij het tuincentrum niet noodzakelijk is omdat toezicht met moderne communicatiemiddelen kan worden gehouden. Volgens VOF Groeipassie zou dit betekenen dat er geen enkele bedrijfswoning meer nodig is bij een bedrijf. Ook vereist het aanbrengen van moderne communicatiemiddelen de nodige investeringen en dan is het nog maar de vraag of daarmee voldoende toezicht is geborgd.
5.1. De Afdeling begrijpt het betoog van VOF Groeipassie zo dat zij vindt dat de raad ten onrechte de aanduiding "wonen uitgesloten" aan het perceel [locatie 2] in Leimuiden heeft toegekend.
5.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Hieruit volgt dat VOF Groeipassie geen aanspraak kan maken op de mogelijkheid om een bedrijfswoning op het perceel te bouwen, zoals het vorige bestemmingsplan toestond. In paragraaf 3.4 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht wat de aanleiding en het doel zijn van de met het plan voorziene nadere regeling van de bestemming "Detailhandel" en de beperking om een bedrijfswoning te bouwen. In de gemeentelijke "Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2021" staat dat de gemeente terughoudend is met nieuwe bedrijfswoningen en dat deze alleen zijn toegestaan als de noodzakelijkheid en doelmatigheid daarvan is aangetoond. De raad heeft in de nota van zienswijzen toegelicht dat door de aanwezigheid van moderne communicatiemiddelen zoals camera's en sensoren op een productiebedrijf met plantaardige voortbrenging, een bedrijfswoning bij het tuincentrum niet noodzakelijk is. De raad heeft toegelicht dat men op afstand de controle over het bedrijf kan houden, wat de praktijk ook uitwijst. Bij een groen- of tuincentrum, waar gereed product aan planten en bloemen aanwezig is, zijn geen echte teelthandelingen nodig, wat de directe aanwezigheid nog minder noodzakelijk maakt dan bij een zuivere kwekerij. Dat ontleent de raad aan het advies van de agrarische beoordelingscommissie.
5.3. De Afdeling ziet in wat VOF Groeipassie heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de aanduiding "wonen uitgesloten" uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aan het perceel [locatie 2] in Leimuiden heeft kunnen toekennen. Zij betrekt daarbij dat voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang is of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:812, onder 12.2. Uit wat VOF Groeipassie heeft aangevoerd volgt niet waarom de bedrijfsprocessen zoveel tijd en aandacht opeisen, dat er een redelijk belang is om op het perceel te wonen. Verder begrijpt de Afdeling het standpunt van VOF Groeipassie zo dat een bedrijfswoning voor het houden van toezicht voordelen heeft ten opzichte van moderne communicatiemiddelen. De raad heeft daarin naar het oordeel van de Afdeling geen reden hoeven zien om een bedrijfswoning mogelijk te maken. Ook zonder bedrijfswoning is toezicht namelijk mogelijk.
Het betoog slaagt niet.
Belemmering bedrijfsactiviteiten
6. VOF Groeipassie betoogt dat haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd door de voorziene burgerwoning. Zij voert hiertoe aan dat evidente privaatrechtelijke belemmeringen aan de vaststelling van het plan in de weg staan. Volgens haar is de woning alleen bereikbaar via de toegangsweg naar het tuincentrum die in haar eigendom is. Zij zal geen toestemming geven om daarvan gebruik te maken. Daarnaast wijst zij erop dat enkele opstallen van het tuincentrum fysiek verbonden zijn met de woning en dat het tuincentrum en de woning water- en elektriciteitsvoorzieningen delen. Ook vreest zij dat het eventuele gebruik van bestrijdingsmiddelen tot een beperking van haar bedrijfsvoering zal leiden.
6.1. De enkele niet onderbouwde stelling van VOF Groeipassie dat het eventuele gebruik van bestrijdingsmiddelen tot een beperking van haar bedrijfsvoering zal leiden, kan niet leiden tot een geslaagd betoog. Gelet op de aan het perceel [locatie 2]toegekende detailhandelsbestemming mocht van VOF Groeipassie verwacht worden dat zij deze stelling nader zou onderbouwen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
6.2. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van
30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957.
In de enkele omstandigheden dat opstallen van het tuincentrum verbonden zijn met de woning, dat het tuincentrum en de woning water- en elektriciteitsvoorzieningen delen en dat onderling overleg over afsplitsing van deze voorzieningen nog niet tot overeenstemming heeft geleid, ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
De Afdeling stelt verder vast dat de voor "Wonen" aangewezen gronden op grond van artikel 4.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn bestemd voor toegangswegen, zodat een ontsluiting van de burgerwoning op de Herenweg kan worden gerealiseerd. De andere aan het perceel [locatie 1] toegekende bestemming "Waterstaat - Waterkering" staat ook niet in de weg aan de aanleg van een toegangsweg. Ook in zoverre ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat sprake is van een zo duidelijke privaatrechtelijke belemmering dat verwezenlijking van het plan niet mogelijk is.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
Beperking uitbreidingsmogelijkheden
7. VOF Groeipassie betoogt dat zij door het plan in haar uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt.
7.1. VOF Groeipassie heeft niet onderbouwd waarom het plan leidt tot een aantasting van haar uitbreidingsmogelijkheden. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad meer rekening had moeten houden met het tuicentrum en de kwekerij van VOF Groeipassie dan hij heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Akoestisch onderzoek
8. VOF Groeipassie betoogt dat de bewoners van de woning door haar bedrijfsvoering geluidoverlast zullen ervaren. Zij voert aan dat het akoestisch onderzoek van K+ Adviesgroep van 20 december 2022 (akoestisch onderzoek), waar de raad zich op baseert, gebrekkig is. Volgens haar is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar het aantal verkeersbewegingen.
8.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet bij het onderzoek dat ertoe dient te beoordelen of ter plaatse van een in een bestemmingsplan voorziene woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd in verband met mogelijke milieuhinder van een nabijgelegen bedrijf worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van dat bedrijf. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2177, onder 3.3. Uit paragraaf 3.3 van het akoestisch onderzoek en zoals ook op de zitting is toegelicht, volgt dat de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op het perceel van het bedrijf is bepaald op basis van de informatie die [partij 1] heeft aangeleverd.
In wat VOF Groeipassie heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond om tot het oordeel te komen dat de in het akoestisch onderzoek gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad VOF Groeipassie, naar aanleiding van haar zienswijze, in de gelegenheid heeft gesteld om aanvullende gegevens ten aanzien van de bedrijfsvoering en het aantal verkeersbewegingen te verstrekken. De raad heeft in de zienswijzennota toegelicht dat de door VOF Groeipassie verstrekte gegevens zeer algemeen van aard zijn en dat op specifieke vragen om te bepalen of aanvullend onderzoek nodig is, niet is ingegaan.
8.2. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat aan het akoestisch onderzoek zulke gebreken kleven of dat dit onderzoek leemten in kennis bevat dat de raad dit onderzoek niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het plan.
Het betoog slaagt niet.
Noodzaak burgerwoning
9. Voor zover VOF Groeipassie heeft aangevoerd dat de bedrijfswoning ten onrechte is omgezet in een burgerwoning omdat dat volgens haar niet noodzakelijk is vanwege de hoge leeftijd van [partij], overweegt de Afdeling dat dit geen rol heeft gespeeld in de afweging van de raad over de omzetting van de bedrijfswoning in een burgerwoning. De raad heeft toegelicht dat de bewoning van een voormalige bedrijfswoning door een burger in strijd is met de detailhandelsbestemming die op grond van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Oost" op de gronden rustte. De raad heeft de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een burgerwoning beoordeeld en de betrokken belangen afwogen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, lid van de enkelvoudige kamer, in
tegenwoordigheid van mr. T.R. Mosterd, griffier.
w.g. Kaajan
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Mosterd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
1091