ECLI:NL:RVS:2026:5527

ECLI:NL:RVS:2026:5527

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 202400568/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij brief van 28 september 2023 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 17 augustus 2023.

Uitspraak

202400568/1/A3.

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2023 in zaak nr. 23/6515 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Procesverloop

Bij brief van 28 september 2023 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 17 augustus 2023.

Bij uitspraak van 22 december 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van [appellant].

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 juni 2026, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 17 augustus 2023 heeft [appellant] de minister met een beroep op de Wet open overheid (Woo) verzocht om openbaarmaking van informatie over de stand van zaken van coronagerelateerde Woo-verzoeken. Het verzoek was gericht op het aantal verzoeken en procedures, hoeveel van die procedures nog binnen de wettelijke termijnen waren en het aantal juristen dat bij die procedures betrokken was en de begrote kosten daarvan. Bij brief van 14 september 2023, verzonden per e-mail, heeft [appellant] de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek. De minister heeft bevestigd dat hij deze ingebrekestelling op 14 september 2023 heeft ontvangen. Vervolgens heeft [appellant] beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek.

2. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen, omdat het verzoek van [appellant] naar het oordeel van de rechtbank geen Woo-verzoek is, en dus geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom kan er gelet op artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb geen sprake zijn van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek geen Woo-verzoek is, maar een verzoek om informatie naar aanleiding van een aantal door [appellant] gestelde vragen. Daarover voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verzoek niet was gericht op openbaarmaking van documenten voor eenieder. Volgens [appellant] is het aan de Woo eigen dat als iemand zich daarop beroept, hij openbaarmaking voor eenieder beoogt, waardoor hij dat niet apart hoeft te noemen. Daarbij heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte niet meegewogen dat hij het verzoek in de brief van 17 augustus 2023 als Woo-verzoek had aangeduid.

3.1. Er is geen aanleiding om te oordelen dat de brief van [appellant] van 17 augustus 2023 geen Woo-verzoek is. [appellant] heeft met een beroep op de Woo verzocht om de openbaarmaking van documenten. Uit de inhoud van die brief kan verder niet worden afgeleid dat hij niet heeft bedoeld om een Woo-verzoek in te dienen. In die brief staat weliswaar ook dat hij op zoek is naar informatie waarmee hij bepaalde bij hem levende vragen kan beantwoorden, maar alleen daaruit kan nog niet worden afgeleid dat hij niet ook openbaarmaking van die informatie voor een ieder beoogt. Het verzoek van [appellant] is dan ook een Woo-verzoek, en dus een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb niet van toepassing is en zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om van het beroep kennis te nemen.

Het betoog slaagt.

4. Voor zover [appellant] verder aanvoert dat de beslissing van de Afdeling van 18 juni 2025 om zijn gemachtigde te weigeren, niet bevoegdelijk genomen is, overweegt de Afdeling dat tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat.

5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep.

6. In artikel 4.4, eerste lid, van de Woo is geregeld dat het bestuursorgaan uiterlijk binnen vier weken beslist op een verzoek om informatie, gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

6.1. De minister heeft het verzoek van [appellant] op 17 augustus 2023 ontvangen. De beslistermijn liep tot en met 14 september 2023. [appellant] heeft de minister op 14 september 2023 in gebreke gesteld, welke ingebrekestelling de minister diezelfde dag heeft ontvangen. Dat is binnen de beslistermijn. De minister was op dat moment dan ook niet in gebreke. De brief van [appellant] kan daarom niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Omdat [appellant] de minister dus niet geldig in gebreke heeft gesteld, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk. Dit laat overigens onverlet dat de minister nog een besluit moet nemen op het Woo-verzoek van [appellant].

7. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

III. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het Woo-verzoek van 17 augustus 2023 niet-ontvankelijk;

IV. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hartsuiker

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

620-1114

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. T. Hartsuiker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand