ECLI:NL:RVS:2026:5528

ECLI:NL:RVS:2026:5528

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 202405515/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 4 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan Hockey Club Ypenburg (HCY) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een opblaasbare hal op veld 2 van het hockeycomplex aan de Oeverwallaan 150 in Den Haag in de maanden december tot en met februari, voor een periode van 10 jaar na ingang van 1 december 2019. [appellant] woont in de nabijheid van het hockeycomplex aan de [locatie] in Den Haag en vreest dat het gebruik van de opblaasbare hal met een ventilatie-unit zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van zijn woning. [appellant] heeft eerder bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning en daarna beroep ingesteld.

Uitspraak

202405515/1/R3.

Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2024 in zaak nrs. 22/3943, 22/3944, 22/4040, 22/4311 en 22/4312 in het geding tussen onder andere:

[appellant],

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2018 heeft het college aan Hockey Club Ypenburg (HCY) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een opblaasbare hal op veld 2 van het hockeycomplex aan de Oeverwallaan 150 in Den Haag in de maanden december tot en met februari, voor een periode van 10 jaar na ingang van 1 december 2019.

Bij besluit van 30 mei 2022 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard, maar wel extra voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden.

Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft de rechtbank onder meer het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Daartegen heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. Martens, rechtsbijstandverlener in Assen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer-Schmitz, zijn verschenen. Verder is op de zitting HCY, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 27 juni 2017. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. De omgevingsvergunning voor de opblaasbare hal is verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. De vergunning geldt alleen voor de maanden december tot en met februari met ingang van 1 september 2019 voor een periode van 10 jaar.

[appellant] woont in de nabijheid van het hockeycomplex aan de [locatie] in Den Haag en vreest dat het gebruik van de opblaasbare hal met een ventilatie-unit zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van zijn woning. [appellant] heeft eerder bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning en daarna beroep ingesteld. Bij besluit van 5 april 2019 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarna de rechtbank bij uitspraak van 19 april 2021 het beroep van onder meer [appellant] gegrond heeft verklaard, het besluit van 5 april 2019 heeft vernietigd en het college heeft opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen. Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen dit nieuwe besluit van 30 mei 2022 ongegrond verklaard.

Toetsingskader

3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Het hoger beroep

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het extra vergunningvoorschrift over geluid dat het college aan de omgevingsvergunning voor de blaashal heeft verbonden, voldoende is om geluidhinder van de ventilatie-unit te voorkomen. Daartoe voert [appellant] aan dat het akoestisch onderzoek waarop het college zich heeft gebaseerd, gebrekkig is en onvoldoende zekerheid biedt over het daadwerkelijk te verwachten geluidniveau. In dat verband wijst hij op wat in het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) over het akoestisch onderzoek wordt opgemerkt. Naar het oordeel van de STAB valt uit dat akoestisch onderzoek het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van de ventilatie-unit niet exact te herleiden, omdat het bronvermogen ervan mogelijk is onderschat. Volgens [appellant] kan daarom niet worden vastgesteld of aan de ter zake geldende geluidnormen wordt voldaan. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college met het opnemen van het voorschrift dat de ventilatie-unit moet worden omkist en dat moet worden aangetoond dat aan een geluidsreductie van 3 dB wordt voldaan, de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening ten onrechte heeft doorgeschoven naar de fase na vergunningverlening. Volgens [appellant] had de omgevingsvergunning met de daaraan verbonden voorschriften niet op deze manier mogen worden verleend, omdat omwonenden daardoor pas via handhaving kunnen opkomen tegen eventuele overschrijdingen van de geluidnormen. Hij wijst erop dat de bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd om voorafgaand aan het nemen van een nieuw besluit op bezwaar nader onderzoek te verrichten naar de effectiviteit van de omkisting. Door dit na te laten, bestaat volgens [appellant] reden om eraan te twijfelen of de voorgeschreven maatregel voldoende is om geluidsoverlast te voorkomen.

4.1. De Afdeling stelt vast dat het college bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting in het kader van een goede ruimtelijke ordening aansluiting heeft gezocht bij het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer luidt:

"1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:

a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

[…]"

4.2. HCY heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor de plaatsing van een opblaasbare hal op veld 2 van het hockeycomplex aan de Oeverwallaan 150. De meest bepalende geluidbron van het bouwplan is de ventilatie-unit, die nodig is om lucht in de opblaasbare hal te blazen. In opdracht van HCY heeft GoedGeluid voorafgaand aan de vergunningverlening een geluidsonderzoek van 11 december 2017 verricht naar de geluidbelasting van onder meer de ventilatie-unit op de achtergevel van de dichtstbij gelegen woning aan de Moerasvaren. Daarbij is uitgegaan van een plaatsing van de ventilatie-unit ten noorden van de opblaasbare hal aan de zijde van de Brasserhoutweg, ter hoogte van de middenlijn van veld 2. De dichtstbijzijnde woning is de woning van [appellant] en bevindt zich op een afstand van 64 m tot deze plek.

In het rapport van GoedGeluid van 11 december 2017 wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting binnen de in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer vermelde grenswaarden voor geluid zal blijven. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de nachtperiode is berekend op 38,9 dB(A). De STAB heeft in het kader van de bij de rechtbank aanhangige beroepen tegen de besluiten op bezwaar van 5 april 2019 op 11 november 2020 een advies over onder meer het geluidsonderzoek van GoedGeluid van 11 december 2017 uitgebracht. De STAB heeft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de achtergevels van de woningen aan de Moerasvaren vanwege de ventilatie-unit niet exact kunnen vaststellen. De STAB kon ook niet vaststellen of dit hoger is dan de door GoedGeluid berekende waarde van 38,9 dB(A). Dit komt omdat de geluidmetingen aan een ventilatie-unit bij de Larense Mixed Hockeyclub, aan de hand waarvan GoedGeluid het bronvermogen van de bij de HCY te plaatsen unit heeft vastgesteld, volgens de STAB niet conform de vereenvoudigde methode I.2 uit de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 zijn uitgevoerd. Het hieruit afgeleide bronvermogen kan hierdoor zijn onderschat.

Als reactie op het advies van de STAB heeft het college op de zitting bij de rechtbank erkend dat de werkelijke geluidbelasting van de ventilatie-unit ongeveer 3 dB(A) hoger kan uitvallen dan de berekende prognose. De rechtbank heeft in de uitspraak van 19 april 2021 overwogen dat blijkens de toelichting van het college op de zitting een overschrijding van de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet is uit te sluiten en geoordeeld dat het college in het kader van een goede ruimtelijke ordening onvoldoende heeft onderbouwd dat desondanks sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. De rechtbank stelde vast dat het college ook geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden ter beperking van de emissie van geluid, bijvoorbeeld door het opleggen van geluiddempende constructies.

Aan de verleende omgevingsvergunning heeft het college vervolgens bij besluit van 30 mei 2022 onder meer het volgende voorschrift verbonden:

"3. De Ventilatie-unit voor de blaashal moet worden omkist en mag alleen in gebruik worden genomen door de vergunninghouder als deze middels rapportage heeft aangetoond dat geen sprake zal zijn van een overschrijding van 3db."

4.3. De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat met het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift voldoende is gewaarborgd dat geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden en dat het college geen nieuw aanvullend geluidonderzoek heeft hoeven doen. Daarbij is van belang dat de STAB heeft gewezen op een mogelijke onderschatting van de berekende geluidbelasting, terwijl in het verrichte geluidonderzoek een geluidbelasting is berekend van 38,9 dB(A) in de nachtperiode. Het college heeft niet onderzocht hoeveel dB(A) de geluidbelasting hoger kan uitvallen dan de berekende geluidbelasting en heeft bovendien niet onderzocht of de voorgeschreven omkisting hierbij voldoende geluidsreductie kan opleveren. De rechtbank heeft daarom niet kunnen concluderen dat het college inzichtelijk heeft gemaakt dat het voorschrift de door de STAB geconstateerde onzekerheid wegneemt. Het voorschrijven van een rapportage voorafgaand aan ingebruikname ondervangt dat niet, omdat het college voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning inzicht moest hebben in de te verwachten geluidbelasting en de gevolgen die dat heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. De Afdeling is verder van oordeel dat onvoldoende duidelijk is wat in het voorschrift wordt bedoeld met "een overschrijding van 3 db", omdat niet duidelijk is ten opzichte van welke norm de daarin genoemde overschrijding van 3 dB moet worden beoordeeld. Daarbij komt ook dat de door GoedGeluid berekende geluidbelasting zonder omkisting slechts 1,1 dB(A) onder de geluidnorm van 40 dB(A) in de nachtperiode ligt, zodat een overschrijding van die berekening met 2 dB(A) al zou leiden tot een overschrijding van die geluidnorm. Ook in die zin waarborgt het in het besluit van 30 mei 2022 toegevoegde voorschrift 3 dus niet dat geen onaanvaardbare geluidhinder zal optreden.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard.

Het beroep bij de rechtbank

6. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 30 mei 2022, gelet op wat onder 4.3 is overwogen gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college moet met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak een nieuw besluit nemen op het door [appellant] gemaakte bezwaar. De Afdeling ziet met het oog op die besluitvorming aanleiding om een door de rechtbank onbesproken gelaten beroepsgrond hierna inhoudelijk te beoordelen.

7. [appellant] betoogt dat de locatie van de ventilatie-unit op de vergunningtekening nog altijd niet overeenkomt met de daadwerkelijk beoogde locatie van de ventilatie-unit. Het college had de vergunningtekening gelet op de eerste rechtbankuitspraak van 19 april 2021 moeten aanpassen, aldus [appellant].

7.1. In de uitspraak van 19 april 2021, onder 20, heeft de rechtbank het verschil tussen de locatie van de ventilatie-unit op de bouwtekening en de daadwerkelijk beoogde locatie van de ventilatie-unit geconstateerd en vastgesteld dat de unit feitelijk geplaatst zal worden ten noorden van de opblaasbare hal aan de zijde van de Brasserhoutweg, ter hoogte van de middellijn van veld 2. In deze uitspraak heeft de rechtbank het college in het belang van de rechtszekerheid in overweging gegeven om de feitelijke plaatsing in de vergunningtekening op te nemen.

7.2. De Afdeling stelt vast, zoals het college ook heeft bevestigd op de zitting, dat de locatie van de ventilatie-unit op de vergunningtekening niet is aangepast. Het college is echter bij de beoordeling van de aanvraag op basis van het geluidsonderzoek uitgegaan van de daadwerkelijk beoogde locatie ten noorden van de opblaasbare hal aan de zijde van de Brasserhoutweg en niet van de vergunde locatie aan de kant van de Waterviolier. Zoals de rechtbank al heeft overwogen, is ook naar het oordeel van de Afdeling het belang van de rechtszekerheid ermee gediend dat de tekening in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijk beoogde situatie. Het betoog van [appellant] slaagt en het beroep bij de rechtbank is ook om deze reden gegrond.

Het college mag en moet zelfs in bepaalde gevallen de indiener van een aanvraag in de gelegenheid stellen om zijn aanvraag te wijzigen. Het doel daarvan is dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden weggenomen. Dat moet beperkt blijven tot wijzigingen van ondergeschikte aard, want daarvoor is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geen nieuwe aanvraag vereist. De vraag of een wijziging van ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beantwoord. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend.

De Afdeling is van oordeel dat het opnemen van de daadwerkelijk beoogde locatie van de ventilatie-unit aan de noordzijde in de vergunningtekening, geen wijziging van ondergeschikte aard is. Een verandering van de locatie van de ventilatie-unit, die juist bepalend is voor de geluidbelasting in de omgeving, brengt namelijk ruimtelijke gevolgen met zich mee. De Afdeling betrekt hierbij ook de omstandigheid dat andere omwonenden die niet zijn opgekomen tegen de omgevingsvergunning, omdat zij zijn uitgegaan van de locatie van de ventilatie-unit op de vergunningtekening, dit mogelijk wel hadden gedaan als zij waren uitgegaan van de daadwerkelijk beoogde locatie. Omdat deze wijziging van de locatie van de unit derhalve niet van ondergeschikte aard is, kan deze niet in de lopende procedure over de aanvraag van 27 juni 2017 worden betrokken. Dit betekent dat HCY een nieuwe aanvraag moet indienen om het bouwplan met de daadwerkelijk beoogde locatie van de ventilatie-unit te kunnen realiseren.

De Afdeling ziet daarom vanuit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 4 juni 2018 te herroepen en de aanvraag van 27 juni 2017 af te wijzen. Dat betekent dat het college geen besluit op de bezwaren van [appellant] meer hoeft te nemen en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het te vernietigen besluit van 30 mei 2022.

Proceskosten

8. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2024 in zaak nr. 22/3943, 22/3944, 22/4040, 22/4311 en 22/4312, voor zover daarbij het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant] gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 30 mei 2022, kenmerk B.2.21.3811.006;

V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 4 juni 2018, kenmerk 201711950/6758739;

VI. wijst de aanvraag van 27 juni 2017 om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een opblaasbare hal op veld 2 van het hockeycomplex aan de Oeverwallaan 150 in Den Haag in de maanden december tot en met februari, voor een periode van 10 jaar na ingang van 1 december 2019 af;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 463,00 voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A Wolvers-Poppelaars, griffier.

w.g. Hoekstra

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wolvers-Poppelaars

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

780-1195

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.J.M.A Wolvers-Poppelaars

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand