202403111/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Vereniging BIZ Stadshart Maassluis, gevestigd in Maassluis, [appellant B], wonend in Roosendaal, en anderen (de vereniging en anderen),
appellanten,
en
de raad van de gemeente Maassluis,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 19 maart 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Parkeerterrein Schuurkerk (Petrus Kockstraat)" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben de vereniging en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 februari 2026, waar de vereniging en anderen, alle vertegenwoordigd door [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.G.M. Hewitt en C. Hofman, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 15 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft
Inleiding
2. Het plan maakt een parkeerterrein met maximaal 122 parkeerplaatsen mogelijk. Het plangebied is gelegen op de locatie van een voormalig kerkterrein tussen de P.C. Hooftlaan en de Petrus Kockstraat in Maassluis en tegenover de "Vlietlocatie", een binnenstedelijke ontwikkeling waar onder andere woningen, openbare parkeerplaatsen en een supermarkt worden gerealiseerd. Het primaire doel van de aanleg van het parkeerterrein is om de parkeerdruk in de binnenstad van Maassluis te verminderen. Het parkeerterrein zal verder gebruikt gaan worden voor het organiseren van evenementen. Onderdeel van het plan is het toevoegen van groen. Het plan draagt hierdoor volgens de raad bij aan het toewerken naar een klimaatadaptieve stad. Onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Binnenstad" had het terrein grotendeels de bestemming "Maatschappelijk". Op het terrein was een tijdelijke parkeerplaats aanwezig. Het gebruik van dit terrein als parkeerterrein was op grond van deze bestemming niet toegestaan. Om de aanleg van een parkeerterrein en het gebruik daarvan toe te staan, moest de bestemming worden gewijzigd.
3. Het beroep is mede ingesteld door [appellant B], [persoon A] en [persoon B]. Zij zijn vastgoedeigenaren met verhuurde panden in het stadshart van Maassluis. De vereniging behartigt de belangen van winkeliers en ondernemers in de binnenstad van Maassluis. Zij komen op tegen de vaststelling van het bestemmingsplan omdat zij vinden dat het te weinig parkeerplaatsen mogelijk maakt. Zij vrezen voor een tekort aan parkeerplaatsen en de gevolgen die dit heeft voor de detailhandel in de binnenstad van Maassluis.
Ontvankelijkheid van het beroep van de vereniging
4. Bij brief van 15 mei 2024 heeft [appellant B] niet alleen namens zichzelf en twee medeondernemers maar ook namens Stichting Stadshart Maassluis beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan. Bij brief van 16 juli 2024 heeft [appellant B] aangegeven dat deze benaming op een vergissing berust en dat het beroep in plaats van namens Stichting Stadshart Maassluis mede is ingediend namens de vereniging. De Afdeling beschouwt dit als een intrekking van het beroep van de Stichting Stadshart Maassluis.
5. In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) staat dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. De in artikel 8:1, in samenhang met artikel 6:7 van de Awb neergelegde regeling voor het instellen van beroep brengt met zich dat de identiteit van degene die beroep heeft ingesteld kenbaar moet zijn voor het einde van de beroepstermijn. De Afdeling stelt vast dat de beroepstermijn liep van 5 april tot en met 17 mei 2024. In dit geval is pas na het verlopen van die termijn, te weten bij brief van 16 juli 2024, te kennen gegeven dat het beroep mede namens de vereniging is ingesteld. Daarom was voor het einde van de beroepstermijn niet kenbaar dat de vereniging beroep had ingesteld. Dit betekent dat het beroep, voor zover ingesteld namens de vereniging,
niet-ontvankelijk is. Om deze reden zullen degenen die wel een ontvankelijk beroep hebben ingesteld, bij de bespreking van de beroepsgronden verder worden aangeduid als "[appellant B] en anderen".
Toetsingskader
6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Te weinig parkeerplaatsen
7. [appellant B] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het aantal parkeerplaatsen heeft gemaximeerd op 122. Het plan maakt daardoor te weinig parkeerplaatsen mogelijk. Met het plan wordt de bestaande parkeercapaciteit van 155 parkeerplaatsen op het terrein afgeschaald naar 122 parkeerplaatsen; de gemeente heeft zelfs het voornemen dit te gaan beperken tot maximaal 102 parkeerplaatsen.
Volgens hen heeft de Afdeling bij uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4246, het college een vrijstelling op grond van artikel 22.3 van het bestemmingsplan "Vlietlocatie" verleend. De raad heeft niet gekeken naar de verplichtingen die daar volgens hen uit voortvloeien en evenmin naar de bestaande parkeerdruk op het terrein.
[appellant B] en anderen wijzen erop dat het terrein destijds als parkeerterrein is ingericht om aan het nijpende parkeerplaatsentekort in de binnenstad van Maassluis een einde te maken. Het was volgens hen oorspronkelijk de bedoeling dat deze parkeerfunctie binnen de Vlietlocatie, gelegen tegenover het terrein, zou worden ingepast. Op het terrein zouden dan onder andere woningen kunnen worden gebouwd. Het terrein is in plaats daarvan gaan dienen als achtervang van de Vlietlocatie, omdat de parkeercapaciteit aan de Vlietlocatie volledig wordt gebruikt voor de nieuwe bebouwing aan de Vlietlocatie. Van de parkeerplaatsen zijn er bovendien al 10 bestemd voor de Jumbolocatie aan de Lange Boonestraat. Als wordt uitgegaan van het "Parkeeronderzoek Binnenstad Maassluis, Vlietlocatie" (het parkeeronderzoek) uit 2018, dat voor dit terrein uitkwam op 105 bezette parkeerplaatsen, dan zijn er maar 7 parkeerplaatsen over als achtervang voor de behoefte waar de Vlietlocatie in zou gaan voorzien, aldus [appellant B] en anderen. De raad heeft daarom ten onrechte niet een verruiming van het aantal parkeerplaatsen voorzien.
[appellant B] en anderen betogen in dit kader verder dat het parkeeronderzoek uit 2018 gedateerd is. Omdat de gemeente heeft aangegeven dat het plan losstaat van de Vlietlocatie moet na de realisatie van de nieuwbouw op de Vlietlocatie een nieuw parkeeronderzoek worden gedaan. Zij betogen tot slot dat het niet verrichten van een onderzoek naar de bestaande parkeerdruk in strijd is met de nog vast te stellen "Beleidsnota Parkeren". Deze zal ingaan op bestaande parkeersituaties en daarvoor uitgaan van parkeerdrukmetingen.
7.1. Het plan kent aan de gronden van het plangebied de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toe. Artikel 3.1 van de planregels luidt:
"De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen;
b. de aanleg van maximaal 122 parkeerplaatsen;
c. groen, met een minimale oppervlakte van 1.000 m2 binnen het bestemmingsvlak;
(…)"
7.2. De Afdeling stelt voorop dat vanuit planologisch oogpunt sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De raad heeft in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat het tijdelijke parkeerterrein, voor de vaststelling van het bestemmingsplan, geen juridische basis had. Na de verplaatsing van de voorheen op deze locatie aanwezige kerk heeft de gemeente de gronden in 2007 aangekocht om daarop woningbouw te ontwikkelen. Omdat deze ontwikkeling op dat moment nog niet vaststond, is de locatie ingericht als tijdelijk parkeerterrein. De bestemming die in het vorige plan rustte op het grootste deel van de gronden, te weten de bestemming "Maatschappelijk", stond het gebruik als openbaar parkeerterrein niet toe. Voor het gebruik als parkeerterrein was ook geen omgevingsvergunning verleend. De Afdeling overweegt dat het parkeerterrein dat met dit plan mogelijk wordt gemaakt dus een nieuwe ontwikkeling betreft en als zodanig moet worden getoetst aan het bestaande parkeerbeleid van de gemeente Maassluis. Op de vraag of de raad het aantal parkeerplaatsen redelijkerwijs op 122 heeft kunnen maximeren, gaat de Afdeling hieronder in.
7.3. In paragraaf 4.12 van de plantoelichting is vermeld dat de parkeerplaatsen op het terrein zijn bedoeld voor bezoekers, winkeliers en omwonenden van de Binnenstad, de bewoners van de Schuurhof en de bezoekers van de balletschool in de Schuurkerk.
7.4. De Afdeling wijst er op dat zij in haar uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4246 geen "vrijstelling" heeft verleend. De Afdeling heeft onder 10.7.2 van deze uitspraak slechts overwogen dat het parkeerterrein zo nodig als achtervang kan dienen voor bezoekers van de binnenstad als binnen de Vlietlocatie op een bepaald moment geen vrije parkeerplaatsen meer te vinden zijn. Verder heeft de Afdeling daar overwogen dat het voor de betekenis van dit parkeerterrein als achtervang voor de bezoekers van de binnenstad niet vereist is dat is verzekerd dat daar steeds een vrije parkeerplaats kan worden gevonden. De raad heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat uit de hiervoor genoemde uitspraak geen verplichtingen voortvloeien die hij had moeten betrekken bij zijn beoordeling of het aantal parkeerplaatsen op 122 kon worden gemaximaliseerd.
7.5. De raad heeft in het verweerschrift en op de zitting verder toegelicht dat de door [appellant B] en anderen genoemde eerdere reservering van 10 parkeerplaatsen voor de Jumbo zijn terug te voeren op een uitbreiding van de detailhandelsfunctie aan de Lange Boonestraat. Deze Jumbo gaat echter verhuizen naar de Vlietlocatie. In de berekening van de parkeerbehoefte voor de ontwikkeling Vlietlocatie is de parkeerbehoefte van de Jumbo daarom daar meegenomen en opgelost. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat hij deze parkeerplaatsen niet hoefde te betrekken bij zijn beoordeling of het aantal parkeerplaatsen op 122 kon worden gemaximaliseerd.
7.6. Omdat is bedoeld met dit parkeerterrein in ieder geval volledig te voorzien in de behoefte van de bewoners van de Schuurhof, heeft de raad de parkeerbehoefte van deze omwonenden van het parkeerterrein berekend. De raad heeft daarbij de parkeernormen die zijn neergelegd in de "Beleidsregel Parkeren Maassluis 2022" (de beleidsregel) betrokken. De resultaten van die berekening zijn vermeld in paragraaf 4.12 van de plantoelichting en in de Nota van beantwoording zienswijzen. Uit de berekening volgt dat de parkeerbehoefte van de omwonenden het grootst is op een doordeweekse werkdagavond, namelijk 55 parkeerplaatsen. Op basis van de beleidsregel mag op dit aantal, vanwege de ligging van het parkeerterrein binnen 800 m van het metrostation Maassluis Centrum, een korting van 10% worden toegepast. Dit betekent een parkeerbehoefte van 50 parkeerplaatsen. Het plan voldoet op dit onderdeel dus ruimschoots aan de parkeerbehoefte van de omwonenden, zo staat in de plantoelichting. [appellant B] en anderen hebben de juistheid van deze berekening niet betwist, zodat de raad zich op deze uitkomst heeft kunnen baseren.
7.7. De raad heeft niet beoogd om met deze parkeerplaats volledig te voorzien in de parkeerbehoefte van de andere doelgroepen, die al voor een bestaande parkeerdruk zorgen. In de plantoelichting staat in dat verband dat op het maatgevende moment voor bezoekers van de binnenstad, namelijk de zaterdagmiddag, 88 parkeerplaatsen beschikbaar zijn indien wordt gekozen voor de maximale planologische invulling van 122 parkeerplaatsen. De Afdeling overweegt dat het tot de beleidsvrijheid van de raad behoort om te bepalen of en in hoeverre het aantal parkeerplaatsen voor de bezoekers van de binnenstad wordt uitgebreid. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het mogelijk maken van 122 parkeerplaatsen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, enkel omdat het daarmee beschikbare aantal van 88 parkeerplaatsen voor de bezoekers van de binnenstad op het maatgevende moment mogelijk onvoldoende is om in de totale parkeerbehoefte van die bezoekers te voorzien. Het behoort ook tot de beleidsvrijheid van de raad om, ten behoeve van een klimaatadaptieve stad, de minimale aanleg van 1.000 m² groen op het terrein mogelijk te maken en om, gelet daarop, het aantal parkeerplaatsen te beperken tot maximaal 122. Daarbij mag de raad ook de door [appellant B] en anderen gestelde economische belangen bij het mogelijk maken van parkeerplaatsen voor bezoekers van de binnenstad afwegen tegen het belang van een klimaatadaptieve stad. De Afdeling ziet in wat [appellant B] en anderen hebben geen aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de aanleg van 1.000 m² groen niet zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang om in plaats daarvan meer dan 122 parkeerplaatsen op het terrein mogelijk te maken.
Gelet op het voorgaande bestaat er ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad pas na een nieuw onderzoek naar de bestaande parkeerdruk het plan had mogen vaststellen. De verwijzing van [appellant B] en anderen naar een nog vast te stellen "Beleidsnota Parkeren", wat daar ook van zij, maakt dat niet anders, alleen al omdat deze ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld.
7.8. Concluderend is de Afdeling van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aantal parkeerplaatsen op 122 kon worden gemaximaliseerd.
Het betoog slaagt niet.
Beleidsregel parkeren
8. [appellant B] en anderen hebben betoogd dat de raad niet zorgvuldig heeft gehandeld omdat hij ten onrechte is afgeweken van de beleidsregel. Zij wijzen erop dat de bezetting van het parkeerterrein, na de realisatie van de Vlietlocatie, op het maatgevende moment volgens de beleidsregel niet hoger mag zijn dan 85% en dat dit moeten worden aangetoond door middel van een parkeerdrukmeeting.
8.1. De Afdeling stelt vast dat in de beleidsregel geen algemene maximale parkeerdruk is vermeld waarmee in dit geval rekening moet worden gehouden. Dat betoog kan alleen al daarom niet slagen.
Conclusie beroep [appellant B] en anderen
9. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.
Overschrijding redelijke termijn
10. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
10.1. De Afdeling heeft het beroepschrift van de vereniging en anderen ontvangen op 16 mei 2024. De redelijke termijn is in deze procedure dus met afgerond vier maanden overschreden.
10.2. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00 voor een ieder. Daarbij wordt opgemerkt dat de vereniging en anderen samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan hen samen een bedrag van € 500,00 wordt toegekend. De Afdeling acht een matiging redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lange procedure.
10.3. De Afdeling zal de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) ambtshalve veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Proceskosten
11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep, voor zover ingesteld namens de Vereniging BIZ Stadshart Maassluis, niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van € 500,00 aan Vereniging BIZ Stadshart Maassluis, [appellant B] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Lap
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
288-1139