ECLI:NL:RVS:2026:5636

ECLI:NL:RVS:2026:5636

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 202505203/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 7 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] aanvullende compensatie toegekend ten bedrage van € 37.546,00 in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft op basis van een zogenoemde integrale beoordeling vastgesteld dat [appellante] schade heeft geleden doordat ten aanzien van haar sprake was van institutionele vooringenomenheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008, 2009 en 2011 tot en met 2013, waarbij zij in totaal € 44.142,00 aan (voorschotten) kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of niet heeft ontvangen. Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat zij middels verrekening met toeslagen een bedrag van € 11.725,00 heeft terugbetaald. Bij verschillende besluiten heeft de Dienst Toeslagen in totaal een bedrag van € 53.695,00 aan (forfaitaire) compensatie toegekend voor die schade, op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).

Uitspraak

202505203/1/A2.

Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 8 augustus 2025 in zaak nr. 23/6619 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] aanvullende compensatie toegekend ten bedrage van € 37.546,00 in het kader van de hersteloperatie toeslagen.

Bij besluit van 29 april 2022 heeft de Dienst Toeslagen het bedrag van de aanvullende compensatie verhoogd met € 375,46, vermeerderd met wettelijke rente.

Bij besluit van 24 november 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2021, gewijzigd bij het besluit van 29 april 2022, deels gegrond verklaard en het bedrag van de aanvullende compensatie verhoogd met € 23.942,00.

Bij uitspraak van 8 augustus 2025 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 24 november 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de schadeposten ‘de kilometervergoeding’, ‘vergoeding inkomensschade tot pensioengerechtigde leeftijd’ en ‘immateriële schadevergoeding’, en de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van haar uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 6 november 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bedrag van de aanvullende compensatie verhoogd met € 13.678,00.

[appellante] heeft gronden tegen dat besluit aangevoerd.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R.A. Dayala, advocaat in Amsterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De Dienst Toeslagen heeft op basis van een zogenoemde integrale beoordeling vastgesteld dat [appellante] schade heeft geleden doordat ten aanzien van haar sprake was van institutionele vooringenomenheid bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008, 2009 en 2011 tot en met 2013, waarbij zij in totaal € 44.142,00 aan (voorschotten) kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of niet heeft ontvangen. Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat zij middels verrekening met toeslagen een bedrag van € 11.725,00 heeft terugbetaald. Bij verschillende besluiten heeft de Dienst Toeslagen in totaal een bedrag van € 53.695,00 aan (forfaitaire) compensatie toegekend voor die schade, op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).

2. [appellante] heeft op 2 maart 2021 aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade aangevraagd, zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Op grond van die bepaling heeft zij recht op aanvullende compensatie als zij aannemelijk maakt dat en in welke mate de door haar werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, van de Wht. Het bedrag dat op grond van die bepalingen aan (forfaitaire) compensatie aan [appellante] is toegekend komt in totaal neer op € 53.163,00.

3. De Dienst Toeslagen heeft bij het besluit van 7 oktober 2021 op de aanvraag van [appellante], bovenop de (forfaitaire) compensatie, een bedrag van € 37.546,00 aan aanvullende compensatie toegekend. Hij heeft dat besluit gebaseerd op het advies van de Commissie Werkelijke Schade (de CWS) van 28 september 2021. De CWS heeft daarin onder meer opgenomen dat de problemen met de kinderopvangtoeslag medische klachten bij [appellante] hebben veroorzaakt, vanaf ongeveer het begin van het jaar 2014. Volgens de CWS moet daarom onder andere een kilometervergoeding ter hoogte van € 8.892,00 worden toegekend voor de reiskosten, die zijn gemaakt voor vervangende opvang van de kinderen van [appellante] in verband met die klachten. Verder heeft [appellante] recht op een bedrag van € 12.000,00 voor immateriële schade, bovenop wat daarvoor is vergoed bij de compensatiebesluiten. Volgens de CWS heeft [appellante] geen recht op een vergoeding voor de persoonlijke leningen, zoals zij heeft aangevraagd. Dat geldt ook voor de gestelde inkomensschade, omdat [appellante] die schade onvoldoende heeft onderbouwd.

4. Omdat de Dienst Toeslagen in zijn besluit van 7 oktober 2021 heeft nagelaten het bedrag van € 37.546,00 te vermeerderen met 1%, heeft hij bij het besluit van 29 april 2022 alsnog een bedrag van € 375,46 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente.

5. De Dienst Toeslagen heeft bij het besluit op bezwaar van 24 november 2023 een aanvullend bedrag van € 23.942,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft onder meer een bedrag van € 5.549,00 toegekend voor het mislopen van de promotie tot de functie ‘Supply chain assistant’ in september 2018 (de promotie). Volgens de Dienst Toeslagen kan het mislopen van de promotie voor 40% worden toegerekend aan het ziekteverzuim van [appellante], dat is veroorzaakt door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Hij heeft daarom een vergoeding voor dat deel van de inkomensschade toegekend, berekend over de periode van september 2018 tot en met oktober 2024. Volgens de Dienst Toeslagen is het niet aannemelijk dat na die periode nog sprake is van schade door verlies aan arbeidsvermogen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het inkomen van [appellante] na het mislopen van de promotie een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De Dienst Toeslagen heeft verder het bedrag voor de immateriële schade verhoogd met € 3.950,00. Hij heeft erop gewezen dat op 8 november 2022 een beleidskader voor de begroting van immateriële schade is gepubliceerd en dat het totale bedrag van de immateriële schade van [appellante] op basis daarvan is begroot op € 26.450,00. Omdat voor de immateriële schade al een bedrag van € 12.500,00 aan compensatie en al een bedrag van € 12.000,00 aan aanvullende compensatie waren toegekend, moeten die bedragen daarop in mindering worden gebracht. Daarmee resteert een bedrag voor de immateriële schade van € 1.950,00. De vergoeding was berekend over de periode van 7 september 2009 tot 28 september 2021. Het berekenen van de vergoeding over een periode tot en met 24 november 2023 leidt volgens de Dienst Toeslagen tot een aanvullende vergoeding voor de immateriële schade van € 2.000,00. Het bedrag dat tot dan toe aan aanvullende compensatie aan [appellante] is toegekend komt in totaal neer op € 61.868,00, inclusief wettelijke rente.

Uitspraak van de rechtbank

6. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen terecht geen vergoeding heeft toegekend voor de hoofdsommen van de persoonlijke leningen, die [appellante] met Defam en haar vader heeft gesloten. Ook heeft de Dienst Toeslagen terecht slechts 40% vergoed van de inkomensschade, die het gevolg is van het mislopen van de promotie.

7. De Dienst Toeslagen heeft evenwel onvoldoende gemotiveerd waarom bovengenoemde inkomensschade niet wordt vergoed tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Op de zitting heeft [appellante] verklaard dat de inkomensgroei na het mislopen van de promotie is ontstaan doordat zij mantelzorgwerkzaamheden verrichtte. Volgens de rechtbank had de Dienst Toeslagen de tijdelijke inkomsten door die werkzaamheden buiten beschouwing moeten laten bij de beoordeling van de ontwikkeling van het inkomen.

8. Daarnaast is het aannemelijk dat de Dienst Toeslagen alleen een kilometervergoeding heeft toegekend voor het wegbrengen van de kinderen van [appellante] naar een internaat en dat de reiskosten voor het ophalen van de kinderen niet zijn vergoed. De Dienst Toeslagen moet daarom nog een aanvullend bedrag toekennen voor de reiskosten, ter hoogte van € 8.892,00.

9. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit het besluit van 24 november 2023 niet volgt hoe de Dienst Toeslagen het bedrag van de vergoeding voor de immateriële schade heeft berekend. In het verweerschrift heeft de Dienst Toeslagen de berekening van die vergoeding nader gemotiveerd aan de hand van het schadekader, dat op 1 juli 2024 is gewijzigd. Op basis van het nieuwe schadekader komt de vergoeding voor de immateriële schade neer op een bedrag van € 33.000,00. Dat bedrag van € 33.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente, is redelijk en billijk. De Dienst Toeslagen heeft al een bedrag van € 26.450,00 voor de immateriële schade toegekend. Hierdoor bestaat er nog aanspraak op een bedrag van € 6.550,00. Dat bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, is redelijk en billijk volgens de rechtbank.

Hoger beroep

10. [appellante] heeft op de zitting van de Afdeling desgevraagd te kennen gegeven dat de gronden van haar hoger beroep zich beperken tot het oordeel van de rechtbank over de leningen, de inkomensschade als gevolg van het mislopen van de promotie en de immateriële schade. De gronden van [appellante] zijn hieronder per schadepost weergegeven, met daaronder het oordeel van de Afdeling.

- Leningen

11. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen vergoeding hoeft te worden toegekend voor de leningen van Defam en haar vader. Uit de huidige schuld aan Defam, ter hoogte van € 16.425,32, volgt dat [appellante] nog steeds de gevolgen draagt van de schulden die zijn ontstaan door onrechtmatig overheidshandelen.

11.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de hoofdsommen van de leningen van Defam en de vader van [appellante] geen schade vormen, die op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht voor vergoeding in aanmerking komen. De Afdeling onderschrijft wat de rechtbank hierover heeft overwogen in haar uitspraak, onder 16. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellante] erop gewezen dat de (aanvullende) compensatie die zij heeft ontvangen is besteed aan andere schulden die zijn ontstaan als gevolg van de toeslagenaffaire. [appellante] heeft dit niet onderbouwd. Alleen al daarom leidt wat zij hierover heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel.

11.2. Het betoog slaagt niet.

- Inkomensschade door misgelopen promotie

12. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het mislopen van de promotie (volledig) is te wijten is aan haar ziekteverzuim. De werkgever van [appellante] heeft het bedrijf GITP onderzoek laten doen naar haar geschiktheid voor de functie van Supply Chain Manager. Dat onderzoek is afgestemd op de door de werkgever geformuleerde functie-eisen. In het rapport van GITP staat dat minimaal MBO-niveau is vereist en dat [appellante] geschikt is voor de functie. De werkgever heeft [appellante] mondeling afgewezen, onder verwijzing naar het ziekteverzuim en niet wegens een gebrek aan capaciteiten. In de schriftelijke afwijzing verschoof de argumentatie naar het ontbreken van MBO+-niveau en werkervaring.

12.1. In de overgelegde brief van 15 februari 2018 heeft de werkgever van [appellante] onder andere erop gewezen dat volgens het rapport van GITP de cognitieve capaciteiten van [appellante] gemiddeld op MBO-niveau liggen, maar dat de ‘verbale analogie’ en ‘G-factor’ onder dat niveau liggen en dat zodoende niet wordt voldaan aan het vereiste MBO+-niveau. In de brief staat verder dat het ontbreken van het vereiste niveau gecompenseerd zou kunnen worden met veel werkervaring, maar dat dit bij [appellante] ontbreekt in verband met een zeer hoog ziekteverzuim. Daaruit volgt dat het mislopen van de promotie voor een deel - en niet volledig - is veroorzaakt door het ziekteverzuim van [appellante].

12.2. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 15 februari 2018 niet de werkelijke reden weergeeft van het mislopen van de promotie, heeft zij dit niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van [appellante] over de mondelinge afwijzing, al dan niet in samenhang bezien met de omstandigheid dat in het rapport van GITP is uitgegaan van een functie-eis van minimaal MBO-niveau, en niet MBO+-niveau, is onvoldoende om aan te nemen dat de werkgever in de brief van 15 februari 2018 een andere reden heeft gegeven voor het mislopen van de promotie dan de werkelijke reden. [appellante] heeft op de zitting van de Afdeling in dit verband naar voren gebracht dat zij rondom het mislopen van de promotie een e-mail heeft ontvangen. De Afdeling stelt vast dat zij een dergelijke e-mail niet in het dossier heeft aangetroffen. [appellante] heeft ook nagelaten om, zoals op de zitting aan haar is gevraagd, aan te geven wanneer zij de e-mail zou hebben overgelegd. [appellante] heeft verder ook niet toegelicht welke informatie die e-mail bevat. Alleen al daarom ziet de Afdeling daarin geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen.

12.3. Ook overigens heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het mislopen van de promotie voor meer dan 40% is veroorzaakt door haar ziekteverzuim. De Dienst Toeslagen was daarom niet gehouden om meer dan 40% van de schade als gevolg van het mislopen van de promotie te vergoeden. De rechtbank heeft terecht datzelfde geoordeeld.

12.4. Het betoog slaagt niet.

- Immateriële schade

13. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de geleden immateriële schade hoger is dan het bedrag van € 33.000,00.

13.1. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellante] desgevraagd haar betoog toegelicht. Zij heeft naar voren gebracht dat zij als gevolg van de toeslagenaffaire ziek is geworden, dat ook haar kinderen zijn getroffen en dat zij vanwege de kwalificatie ‘Opzet/Grove Schuld’ (O/GS) werd buitengesloten. [appellante] heeft niet betwist dat deze omstandigheden zijn betrokken bij het oordeel van de rechtbank over het bedrag van de immateriële schade. Verder heeft zij niets aangevoerd waaruit zou volgen dat die schade hoger is dan het bedrag van € 33.000,00.

13.2. Het betoog slaagt niet.

- Conclusie hoger beroep

14. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.

Nieuw besluit op bezwaar

15. De Dienst Toeslagen heeft bij het besluit van 6 november 2025 geen aanvullend bedrag voor inkomensschade toegekend. Hij heeft gewezen op een medisch advies van 7 november 2024 (het medisch advies) en heeft naar voren gebracht dat daaruit volgt dat het niet aannemelijk is dat de lichamelijke klachten van [appellante] zijn veroorzaakt of verergerd door de problemen met de kinderopvangtoeslag, dan wel dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de psychische klachten van [appellante] en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Het is volgens de Dienst Toeslagen dan ook niet aannemelijk dat de inkomensschade na oktober 2024 het gevolg is van de problemen met de kinderopvangtoeslag.

16. De Dienst Toeslagen heeft verder een bedrag van € 4.650,00 voor de immateriële schade toegekend. Hij heeft toegelicht dat [appellante] in totaal recht heeft op een bedrag van € 33.000,00 voor die schade. In eerdere besluiten is aan [appellante] al een bedrag van in totaal € 28.450,00 voor deze schade toegekend. Het bedrag dat volgens de rechtbank eerder al was toegekend, € 26.450,00, klopt dus niet. Verder heeft de Dienst Toeslagen geen bedrag voor wettelijke rente toegekend, omdat die rente al is inbegrepen bij het bedrag voor de vergoeding voor de immateriële schade.

17. Daarnaast heeft de Dienst Toeslagen een aanvullend bedrag van € 8.892,00 toegekend voor de reiskosten van het ophalen van de kinderen van [appellante] van een internaat.

Beroep

18. Tegen het besluit van 6 november 2025 is van rechtswege beroep ontstaan (artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)). Hieronder zijn de gronden van [appellante] tegen dat besluit en het oordeel van de Afdeling daarover, per onderwerp weergegeven.

- - Vergoeding inkomensschade tot pensioengerechtigde leeftijd

19. [appellante] betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de inkomensschade tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Het is in strijd met de goede procesorde en het beginsel van eerlijke procesvoering om het medisch advies, dat al bestond vóór de uitspraak van de rechtbank, niet eerder dan ná die uitspraak in te brengen. Daarnaast is de grondslag voor de afwijzing onverenigbaar met de toekenning van het aanvullende bedrag voor de reiskosten in het besluit van 6 november 2025, met de eerdere besluiten van de Dienst Toeslagen en met de uitspraak van de rechtbank, waarbij steeds aannemelijk is geacht dat er een causaal verband bestaat tussen de medische klachten en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Verder heeft de Dienst Toeslagen op basis van het medisch advies niet mogen concluderen dat het hiervoor genoemde causaal verband niet bestaat. In het medisch advies staat dat er waarschijnlijk ook sprake zou zijn geweest van dezelfde of soortgelijke klachten zonder de toeslagproblemen. Het gebruik van het woord ‘waarschijnlijk’ wijst op onzekerheid. Gelet op de aard van de zaak moet bij twijfel het voordeel aan de aanvrager worden gegund. Verder staat in het advies dat [appellante] al in 2008 gesprekken had met een psycholoog over angst en duizeligheid en dat zij al sinds zij achttien jaar oud is antidepressiva gebruikt. Daarmee is miskend dat er een fundamenteel onderscheid bestaat tussen een bestaande kwetsbaarheid en het activeren of verergeren van deze kwetsbaarheid door externe gebeurtenissen.

- - Goede procesorde

19.1. Uit de stukken in het dossier volgt dat het medisch advies van 7 november 2024 op verzoek van de CWS is uitgebracht, naar aanleiding van een tweede aanvraag van [appellante] om aanvullende compensatie. De CWS heeft in de procedure over die tweede aanvraag een advies van 9 december 2024 gegeven, waarin delen uit het medisch advies zijn geciteerd. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens dat advies van de CWS bij zijn verweerschrift van 15 juni 2025 gevoegd - dat hij heeft ingediend bij de rechtbank in de onderhavige procedure - en heeft zich in dat verweerschrift op het standpunt gesteld dat hij geen vergoeding hoeft toe te kennen voor inkomensschade tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, omdat de medische klachten van [appellante] een andere oorzaak hebben dan de problemen met de kinderopvangtoeslag. In het besluit van 6 november 2025, dat de Dienst Toeslagen heeft genomen nadat [appellante] hoger beroep bij de Afdeling had ingesteld, heeft hij dat standpunt gehandhaafd en heeft hij eveneens citaten uit het medisch advies opgenomen. De Afdeling heeft de Dienst Toeslagen daarop verzocht een afschrift van het volledige medisch advies te overleggen. Dat heeft de Dienst Toeslagen twee dagen voor de zitting van de Afdeling gedaan. [appellante] heeft te kennen gegeven dat zij het afschrift één dag voor de zitting heeft ontvangen.

19.2. Bovengenoemde gang van zaken is op de zitting van de Afdeling besproken. [appellante] heeft desgevraagd naar voren gebracht dat zij al in een eerder stadium heeft verzocht om een afschrift van het volledige medisch advies. Zij heeft dat echter niet in deze procedure gedaan, maar in de procedure over haar tweede aanvraag. [appellante] heeft verder niet gesteld dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van de volledige inhoud van het medisch advies.

19.3. Gelet op het verweerschrift van 15 juni 2025 en het daarbij gevoegde advies van de CWS van 9 december 2024, met geciteerde delen uit het medisch advies, had [appellante] in de beroepsfase bij de rechtbank al op de hoogte kunnen zijn van het gewijzigde standpunt van de Dienst Toeslagen over de inkomensschade en van ten minste een deel van de inhoud van het medisch advies. [appellante] had daarop toen al, schriftelijk of mondeling tijdens de zitting van de rechtbank op 26 juni 2025, kunnen reageren. In zoverre is dan ook geen sprake van strijd met rechtsbeginselen, wegens het achterhouden van relevante informatie door de Dienst Toeslagen.

19.4. Het had op de weg van de Dienst Toeslagen gelegen om - in ieder geval - bij het besluit van 6 november 2025 een afschrift van het volledige medisch advies te overleggen. Gelet op het hierboven weergegeven verloop van de procedure en gelet op wat [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenwel geen grond voor de conclusie dat [appellante] te weinig tijd heeft gehad om zich inhoudelijk over dat advies uit te laten. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat de inhoud van het advies minder dan vier pagina’s beslaat en dat de voor deze procedure relevante conclusies en de daarbij redengevende onderdelen al bekend waren via de citaten, die zijn opgenomen in het verweerschrift van 15 juni 2025 en het besluit van 6 november 2025.

19.5. Gelet op het voorgaande staat de goede procesorde niet in de weg aan een inhoudelijke bespreking van het medisch advies in deze procedure.

- - Wijzigen motivering causaal verband

19.6. De Afdeling is verder van oordeel dat de uitspraak van de rechtbank, de toekenning van een aanvullend bedrag voor de reiskosten in het besluit van 6 november 2025 en de overige besluiten van de Dienst Toeslagen, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, ruimte laten om in het besluit van 6 november 2025 niet langer uit te gaan van een causaal verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en de medische klachten van [appellante]. De Afdeling overweegt daarover als volgt.

19.7. Voor een besluit op bezwaar geldt als vertrekpunt dat het bestuursorgaan zijn eerdere besluit moet heroverwegen op basis van de feiten omstandigheden ten tijde van de heroverweging en op basis van het op dat moment geldende recht en beleid (zie de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571, onder 6.2.3). Omdat het besluit op bezwaar van 6 november 2025 een nader besluit is, na vernietiging door de rechtbank van het eerdere besluit op bezwaar van 24 november 2023, was de Dienst Toeslagen evenwel gehouden om dat laatstgenoemde besluit te heroverwegen binnen de grenzen die de uitspraak van de rechtbank daaraan stelt.

19.8. De Dienst Toeslagen heeft zich in het besluit van 24 november 2023 al op het standpunt gesteld dat hij de gestelde inkomensschade vanaf november 2024 tot de pensioengerechtigde leeftijd niet hoeft te vergoeden. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de Dienst Toeslagen dat standpunt niet mag handhaven met een motivering, waarbij de tijdelijke inkomsten door mantelzorgwerkzaamheden zijn betrokken bij de beoordeling van de ontwikkeling van het inkomen van [appellante]. Dat heeft de Dienst Toeslagen in zijn besluit van 6 november 2025 ook niet gedaan.

19.9. Voor zover [appellante] zich op het standpunt heeft gesteld dat de uitspraak van de rechtbank er ook toe strekt dat de Dienst Toeslagen bij zijn nader besluit moet uitgaan van een causaal verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en haar medische klachten, volgt de Afdeling dat niet. De Dienst Toeslagen heeft het bestaan van dat causale verband blijkens het eerdergenoemde verweerschrift van 15 juni 2025 in de beroepsfase bij de rechtbank bestreden. Dit was dus onderwerp van het geschil in die fase. De rechtbank heeft daarover niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven. Daarmee heeft zij de mogelijkheid opengelaten om in het nader besluit daarover een ander standpunt in te nemen dan in de besluiten voorafgaand aan het beroep.

19.10. Ook de toekenning van het aanvullende bedrag voor de reiskosten van € 8.892,00 bij het besluit van 6 november 2025 brengt niet mee dat de Dienst Toeslagen bij de inkomensschade tot de pensioengerechtigde leeftijd uit moest gaan van een causaal verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en de medisch klachten van [appellante]. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de Dienst Toeslagen dit bedrag aan reiskosten nog aan [appellante] moest toekennen. De uitspraak van de rechtbank biedt geen ruimte om daarover een ander standpunt in te nemen en haar oordeel hierover is ook niet bestreden in hoger beroep. In de toekenning van het aanvullende bedrag voor de reiskosten ligt in zoverre dan ook geen motivering besloten die onverenigbaar is met de motivering dat er geen causaal verband bestaat tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en de medische klachten van [appellante].

19.11. De overige besluiten van de Dienst Toeslagen bieden evenmin grond voor het oordeel dat hij bij het besluit van 6 november 2025 moest uitgaan van een causaal verband tussen de problemen met de kinderopvangtoeslag en de medisch klachten van [appellante]. Weliswaar volgt uit de besluiten van 7 oktober 2021 en 24 november 2023 dat dit causaal verband wordt aangenomen, maar dat betekent niet dat de Dienst Toeslagen hiervan niet mocht terugkomen. De uitspraak van de rechtbank strekt ertoe dat de Dienst Toeslagen de beslissing tot het niet vergoeden van de inkomensschade van november 2025 tot de pensioengerechtigde leeftijd moest heroverwegen. Gelet op wat de Afdeling hiervoor vanaf 19.7 heeft overwogen, mocht de Dienst Toeslagen daarbij in het medisch advies van 7 november 2024 aanleiding zien om bovengenoemd causaal verband niet langer aan te nemen.

- - Bewijskracht medisch advies

19.12. Daarnaast mocht de Dienst Toeslagen afgaan op de inhoud van het medisch advies. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

19.13. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellante] over het advies naar voren heeft gebracht.

19.14. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellante] erop gewezen dat het medisch advies niet op volledige informatie is gebaseerd. Zoals ook op de zitting is besproken, volgt uit het medisch advies dat [appellante] geen toestemming heeft gegeven voor het opvragen van medische informatie. [appellante] heeft dit niet betwist. Voor zover het medisch advies op onvolledige informatie is gebaseerd, kan dat daarom niet aan de Dienst Toeslagen worden tegengeworpen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op artikel 2.1, derde lid, van de Wht, het aan [appellante] is om de hoogte van het bedrag van de werkelijke schade aannemelijk te maken en niet aan de Dienst Toeslagen.

19.15. Verder heeft [appellante] geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop.

19.16. In het advies is opgenomen dat [appellante] sinds 2013 rugklachten heeft als gevolg van een hernia. Volgens het advies is de oorzaak van de hernia mechanisch, is de hernia niet veroorzaakt door psychische stress en bestaat er geen causaal verband tussen de rugklachten van [appellante] en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Verder staat in het advies dat [appellante] in 2008 al gesprekken had met een psycholoog in verband met angst en duizeligheid en dat zij sinds zij achttien jaar oud is antidepressiva gebruikt. De problemen met de kinderopvangtoeslag zijn begonnen in september 2009. Daaruit kan volgens het advies worden geconcludeerd dat evenmin een causaal verband bestaat tussen die problemen en de psychische klachten van [appellante].

19.17. [appellante] heeft niet bestreden dat de problemen met de kinderopvangtoeslag zijn begonnen in september 2009 en dat zij daarvóór al psychische problemen had, die, al dan niet in combinatie met haar rugklachten, hebben geleid tot het ziekteverzuim, voorafgaand aan het mislopen van de promotie in september 2018. De omstandigheid dat het medisch advies enige onzekerheid laat bestaan of, en zo ja de mate waarin, de problemen met de kinderopvangtoeslagen aan die psychische klachten hebben bijgedragen, is onvoldoende voor twijfel aan bovengenoemde conclusie over het causale verband tussen de psychische klachten en de problemen met de kinderopvangtoeslag.

19.18. Het betoog slaagt niet.

- Immateriële schade

20. [appellante] betoogt dat de Dienst Toeslagen in strijd met de uitspraak van de rechtbank slechts een bedrag van € 4.650,00 voor de immateriële schade heeft toegekend.

- - Aanvullend bedrag voor immateriële schade

20.1. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de Dienst Toeslagen in een nader besluit nog € 6.550,00, vermeerderd met wettelijke rente, moest toekennen voor de immateriële schade. De Afdeling heeft onder 13.1 en 13.2 geoordeeld dat het betoog dat [appellante] heeft aangevoerd in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank over de immateriële schade niet slaagt. De Dienst Toeslagen heeft geen hoger beroep ingesteld. Hij is daarom gebonden aan bovengenoemde opdracht van de rechtbank.

20.2. Voor zover de Dienst Toeslagen zich op het standpunt heeft gesteld dat hij zich bij het besluit van 6 november 2025 niet aan de opdracht van de rechtbank hoefde te houden, omdat die opdracht op een kennelijk vergissing berust, volgt de Afdeling dat niet. Zij overweegt daarover als volgt.

20.3. De rechtbank heeft in haar uitspraak gewezen op het verweerschrift van de Dienst Toeslagen, waarin staat dat het bedrag voor de immateriële schade op basis van het nieuwe schadekader € 33.000,00 is. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat dat bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, redelijk en billijk is. Zij heeft dus vermeld welk bedrag volgens de Dienst Toeslagen moet worden vergoed en heeft daarbij expliciet bepaald dat dit bedrag moet worden vermeerderd met wettelijke rente. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat de rechtbank desondanks kennelijk van oordeel is dat die wettelijke rente al is inbegrepen in het bedrag van € 33.000,00 en dat zij dus per abuis heeft bepaald dat dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente.

20.4. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellante] nog recht heeft op € 6.550,00, vermeerderd met wettelijke rente. Dat oordeel is gebaseerd op de vaststelling van de rechtbank dat de Dienst Toeslagen al een bedrag van € 26.450,00 voor immateriële schade heeft toegekend (€ 33.000,00 - € 26.450,00 = € 6.550,00). Er bestaat geen grond voor de conclusie dat die vaststelling op een kennelijke vergissing berust. Uit de weergave van de besluiten in de uitspraak van de rechtbank en de daarbij genoemde bedragen volgt niet dat de Dienst Toeslagen eerder een ander bedrag dan € 26.450,00 aan [appellante] heeft toegekend. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat, vóór de uitspraak van de rechtbank, het bedrag voor de vergoeding van de immateriële schade voor het laatst is gewijzigd bij het besluit van 24 november 2023, dat de rechtbank heeft overwogen dat uit dat besluit niet volgt hoe de Dienst Toeslagen dat bedrag heeft berekend en dat in dat besluit onder meer is opgenomen dat de werkelijke immateriële schade die vergoed moet worden € 26.450,00 bedraagt.

20.5. Het betoog slaagt.

20.6. Het voorgaande brengt mee dat het beroep tegen het besluit van 6 november 2025 gegrond is. De Afdeling zal dat besluit vernietigen, voor zover de Dienst Toeslagen een bedrag van € 4.650,00 voor immateriële schade heeft toegekend, en zal bepalen dat [appellante] nog recht heeft op een bedrag van € 6.550,00, vermeerderd met wettelijke rente. De Afdeling begrijpt de uitspraak van de rechtbank zo, dat de wettelijke rente over dat bedrag moet worden berekend vanaf 7 oktober 2021.

Slotsom

21. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd.

22. Het beroep tegen het besluit van 6 november 2025 is gegrond. Dat besluit zal worden vernietigd, voor zover aan [appellante] een bedrag van € 4.650,00 voor de immateriële schade is toegekend. De Afdeling zal bepalen dat [appellante] nog recht heeft op een bedrag van € 6.550,00, vermeerderd met wettelijke rente, berekend vanaf 7 oktober 2021 tot aan de dag van algehele voldoening, en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit.

23. De Dienst Toeslagen moet de proceskosten voor het beroep tegen het besluit van 6 november 2025 vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de Dienst Toeslagen van 6 november 2025 gegrond;

III. vernietigt dat besluit, voor zover daarbij aan [appellante] aanvullende vergoeding voor immateriële schade is toegekend ten bedrage van € 4.650,00;

IV. bepaalt dat [appellante] recht heeft op een aanvullende vergoeding voor immateriële schade ten bedrage van € 6.550,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, gerekend vanaf 7 oktober 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;

V. veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.401,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.K. van de Riet, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Van de Riet

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

994

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W. den Ouden
  • mr. P.H.A. Knol
  • mr. M. Soffers

Griffier

  • mr. I.K. van de Riet

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand