202404397/2/R2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Gemert, gemeente Gemert-Bakel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Gemert-Bakel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening Gemert-Bakel stedelijke gebieden, december 2023" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben onder andere [appellanten] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [appellanten] afgesplitst van zaken nrs. 202404397/1/R2 en 202404397/3/R2.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 juli 2026, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. A.M.L. Josten, rechtsbijstandsverlener in Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Fermont, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 20 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt een aantal ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk in de gemeente Gemert-Bakel. Aan de [locatie] in Gemert maakt het plan de herbestemming van een voormalig agrarisch bedrijf tot een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk.
3. [appellanten] wonen naast het plangebied. Zij vrezen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woongenot.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ingetrokken beroepsgronden
5. [appellanten] hebben op de zitting de beroepsgronden, inhoudende dat het bedrijfsverzamelgebouw niet op een gezoneerd bedrijventerrein ligt en dat dat het plangebied niet in Stedelijk gebied ligt, ingetrokken. Verder hebben zij ook hun beroepsgrond over verkeer ingetrokken.
Parkeren
6. [appellanten] betogen dat het besluit van 16 mei 2024 in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld, omdat het plan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet. De raad is namelijk uitgegaan van een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per 100 m², terwijl voor een bedrijfsverzamelgebouw in het buitengebied een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per 100 m² geldt. Daarnaast bevat het plan uitbreidingsmogelijkheden waar de raad bij de parkeerberekening geen rekening mee heeft gehouden. Hierdoor zijn er 38 parkeerplaatsen nodig en daarvoor is in het plangebied geen ruimte. Verder zijn in de landschappelijke inpassing 22 parkeerplaatsen ingetekend, terwijl in de ruimtelijke onderbouwing staat dat 23 parkeerplaatsen nodig zijn.
6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. De raad heeft de parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per 100 m² gehanteerd, omdat dat de norm is die geldt voor de categorie "rest bebouwde kom Gemert". Het plangebied valt verkeerskundig gezien namelijk binnen de bebouwde kom van Gemert. Daarnaast is in de ruimtelijke onderbouwing uitgegaan van de omstandigheid dat de bedrijfsbebouwing maximaal met 365 m² kan uitbreiden. Verder is het juiste aantal parkeerplaatsen ingetekend in de landschappelijke inpassing in de ruimtelijke onderbouwing. Daar wordt uitgegaan van 23 parkeerplaatsen.
6.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad goed gemotiveerd dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. In artikel 4.5.1, onder k, van de planregels is namelijk de omstandigheid, inhoudende dat niet wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op grond van de Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017 (de parkeernota), aangemerkt als strijdig gebruik. Als daarom niet wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op grond van de parkeernota, dan kan daartegen handhavend worden opgetreden. De raad heeft de parkeerberekening verder uitgewerkt in de ruimtelijke onderbouwing. De raad mocht daarbij uitgaan van de parkeernorm voor de categorie "rest bebouwde kom Gemert". Op grond van de parkeernota wordt het onderscheid tussen de bebouwde kom en het buitengebied namelijk gevormd door de bebouwde kom borden. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Gemert, omdat aan de Wolfsbosscheweg, tussen de rotonde en het plangebied, een bebouwde kom bord staat. Gelet hierop geldt voor het bedrijfsverzamelgebouw in de huidige omvang een parkeerbehoefte van 23 parkeerplaatsen. De raad mocht ook uitgaan van de omstandigheid dat een uitbreiding van het bedrijfsverzamelgebouw van maximaal 365 m² mogelijk is. De raad heeft dit ingetekend in de ruimtelijke onderbouwing en aan de hand daarvan toegelicht dat een grotere uitbreiding niet mogelijk is vanwege de benodigde draai- en manoeuvreerruimte. In het geval er wordt uitgebreid met 365 m², dan zijn nog 6 extra parkeerplaatsen nodig. Weliswaar is in de landschappelijke inpassing in bijlage 8 bij de planregels een parkeerplaats te weinig ingetekend, maar dat leidt er niet toe dat het plan ertoe verplicht om te weinig parkeerplaatsen aan te leggen. Artikel 4.5.1, onder l, van de planregels, waarin naar bijlage 8 wordt verwezen, verplicht er namelijk alleen toe om de groenvoorzieningen in deze bijlage aan te leggen. Deze regel verplicht er niet toe om de parkeerplaatsen in overeenstemming met bijlage 8 aan te leggen.
Het betoog slaagt niet.
Landschappelijke inpassing
7. [appellanten] betogen dat het besluit van 16 mei 2024 in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld, omdat de aanleg van de landschappelijke inpassing niet goed is geborgd in een voorwaardelijke verplichting. In de landschappelijke inpassing is niet gespecificeerd hoeveel bomen en welk type bomen er worden aangeplant. De landschappelijke inpassing is daarom onvoldoende duidelijk. Ook biedt de landschappelijke inpassing onvoldoende afscherming, aldus [appellanten].
7.1. De raad erkent dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 4.5.1, onder l, van de planregels gebrekkig is. De aanleg van de landschappelijke inpassing is namelijk gekoppeld aan het verlenen van een omgevingsvergunning, maar voor deze ontwikkeling is geen omgevingsvergunning nodig. In het verweerschrift heeft de raad een voorstel gedaan om dit artikel aan te passen. Ook heeft de raad een nieuwe landschappelijke inpassing laten opstellen, waarin de bomen en de beplanting zijn gespecifieerd. De raad verzoekt de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien door artikel 4.5.1, onder l, van de planregels en de landschappelijke inpassing volgens dit voorstel aan te passen.
7.2. Gelet op het voorgaande regelt het plan iets anders dan de raad heeft beoogd. Het besluit van 16 mei 2024 is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld voor zover dat besluit betrekking heeft op het plandeel aan de [locatie] in Gemert.
Het betoog slaagt.
Geluid
8. [appellanten] betogen dat bij hun woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd, omdat het akoestisch onderzoek niet deugdelijk is. De raad heeft namelijk niet onderzocht of in hun tuin aan de geluidsnormen wordt voldaan. Daarnaast gaat de raad ervan uit dat de richtafstand uit de VNG-brochure mag worden verkleind, omdat hun woning in gemengd gebied ligt. Dat is echter niet het geval.
8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ontwikkeling niet leidt tot geluidsoverlast. Aan het plan is het rapport "Akoestisch onderzoek voor de inrichting gelegen aan de [locatie] te Gemert" van G&O consult van 5 april 2023 (het akoestisch rapport) ten grondslag gelegd. Uit het akoestisch rapport volgt dat aan de normen van het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Verder wijst de raad erop dat op grond van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering (versie 2009)" een richtafstand voor geluid geldt van 100 m voor bedrijven met milieucategorie 3.2. Deze afstand mag worden verkleind naar 50 m, omdat het bedrijfsverzamelgebouw in gemengd gebied ligt. De tuin van [appellanten] ligt op circa 70-75 m afstand van de bedrijfsbestemming. Daarom is ook in hun tuin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig.
8.2. De Afdeling overweegt dat de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit niet gelden voor de tuin van [appellanten]. Op grond van het Activiteitenbesluit is een gevoelig terrein namelijk een terrein dat op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt aangemerkt als geluidsgevoelig terrein, en een tuin is geen geluidsgevoelig terrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Dat neemt niet weg dat uit artikel 3.1 van de Wro volgt dat de raad de gevolgen van het geluid van het bedrijfsverzamelgebouw voor het verblijfsklimaat in de tuin wel moet betrekken in de belangenafweging. Dat heeft de raad ook gedaan. De Afdeling kan de raad volgen in zijn standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wat betreft geluid in tuin van [appellanten] is gewaarborgd, omdat aan de richtafstand uit de VNG-brochure wordt voldaan. De raad mocht daarbij betrekken dat hun woning in gemengd gebied ligt, omdat hun woning in een gebied ligt dat wordt gekenmerkt door agrarische bedrijven, woningen en het bedrijventerrein "Wolfsveld". De Afdeling stelt vast dat de tuin van [appellanten] op circa 75 m afstand van de bedrijfsbestemming ligt, zodat aan de richtafstand van 50 m wordt voldaan. [appellanten] hebben geen redenen gegeven waarom in deze situatie niet kan worden volstaan met het aanhouden van de richtafstand uit de VNG-brochure. Verder kan de Afdeling de raad ook volgen in zijn standpunt dat een beoordeling van de akoestiek bij de agrarische percelen van [appellanten] niet is vereist.
Het betoog slaagt niet.
Geur
9. [appellanten] betogen dat in het plan ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen over het voorkomen van geurhinder. Dat is wel nodig, omdat het nog niet duidelijk is wat voor bedrijven er in het bedrijfsverzamelgebouw komen. Volgens hen is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in hun tuin en bijgebouwen niet gewaarborgd.
9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd, omdat wordt voldaan aan de richtafstand voor geur uit de VNG-brochure.
9.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat het plan wat betreft geur niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in de tuin van [appellanten]. De raad heeft in artikel 4.1 van de planregels namelijk geborgd dat in het bedrijfsverzamelgebouw alleen bedrijven met milieucategorie 2, 3.1 of 3.2 mogen worden gevestigd. De raad hoefde niet verder te specificeren welke bedrijven in het bedrijfsverzamelgebouw mogen worden gevestigd. De raad heeft toegelicht dat voor bedrijven met milieucategorie 3.2 een richtafstand van 100 m geldt voor geur. Zoals overwogen onder 8.2, mag deze richtafstand worden gehalveerd, omdat de woning van [appellanten] in gemengd gebied ligt. Ook voor geur geldt daarom een richtafstand van 50 m. Omdat de tuin van [appellanten] op circa 75 m afstand van de bedrijfsbestemming ligt, wordt aan de richtafstand voldaan. [appellanten] hebben geen redenen gegeven waarom in deze situatie niet kan worden volstaan met het aanhouden van de richtafstand uit de VNG-brochure.
Het betoog slaagt niet.
Duurzame stedelijke ontwikkeling
10. [appellanten] betogen dat het besluit van 16 mei 2024 in strijd met artikel 3.42 van de Interim-Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) is vastgesteld. De raad heeft namelijk niet gemotiveerd hoe de ontwikkeling past binnen de regionale bedrijventerreinafspraken, zoals bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, onder a, van de IOV. Daarnaast is de ontwikkeling niet in overeenstemming met artikel 3.42, tweede lid, onder a, van de IOV. Het plan bevordert namelijk geen goede omgevingskwaliteit, omdat het plan gebrekkig is wat betreft parkeren, geur, geluid en de landschappelijke inpassing. Ook maakt het plan bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 2, 3.1 en 3.2 mogelijk, alsmede grootschalige logistiek. Dat getuigt niet van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan een duurzame stedelijke ontwikkeling bevordert. Door de nieuwe ontsluiting van het plangebied via de weg de Reuzel wordt de ontsluiting via de Wolfsbosscheweg ontzien. Dit heeft een positief effect op de leefbaarheid. Ook komt er een groene buffer rondom het bedrijfsverzamelgebouw, waarmee de omgevingskwaliteit wordt versterkt. De toegestane milieucategorieën zijn passend bij een bedrijfsverzamelgebouw. Omdat het plangebied een omvang heeft van minder dan 5.000 m², kan hier bovendien geen grootschalige logistiek worden gevestigd.
10.2. Artikel 3.42, eerste lid, onder a, van de IOV luidde ten tijde van belang:
"Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:
a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken".
10.3. Artikel 3.42, tweede lid, onder a, van de IOV luidde ten tijde van belang:
"Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:
a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving".
10.4. In artikel 1.1 van de IOV, zoals die luidde ten tijde van belang, is grootschalige logistiek omschreven als het gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 3 hectare of groter, waarop grootschalige bebouwing staat en dat in hoofdzaak in gebruik is voor logistieke- of distributieactiviteiten, met een door de aard en schaal van de activiteiten hoge verkeersaantrekkende werking en impact op de omgevingskwaliteit.
10.5. De Afdeling overweegt dat het besluit van 16 mei 2024 niet in strijd met artikel 3.42, eerste lid, onder a, van de IOV is vastgesteld. De raad heeft namelijk toegelicht dat het plan is besproken en akkoord is bevonden op de Omgevingsdag Zuidoost-Brabant van 13 december 2023. Daarmee heeft de raad voldoende gemotiveerd dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken.
10.6. Over de vraag of het plan een goede omgevingskwaliteit bevordert, overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan [appellanten] betogen, maakt het plan geen grootschalige logistiek mogelijk. Het plangebied is namelijk kleiner dan 3 hectare. Zoals de Afdeling heeft overwogen onder 6.2, 8.2 en 9.2, is er geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft parkeren, geur en geluid gebrekkig is. De enkele omstandigheid dat het plan bedrijfsactiviteiten mogelijk maakt in de milieucategorieën 2, 3.1 en 3.2 betekent ook niet dat het plan geen duurzame stedelijke ontwikkeling bevordert. [appellanten] hebben niet geconcretiseerd waarom die milieucategorieën op deze locatie niet passend zijn.
10.7. Gelet op wat hiervoor onder 7.1 en 7.2 is overwogen, is aan het plan echter geen deugdelijke landschappelijke inpassing ten grondslag gelegd. In zoverre bevordert het plan daarom niet een goede omgevingskwaliteit en een duurzame stedelijke ontwikkeling. Het besluit van 16 mei 2024 is daarom in strijd met artikel 3.42, tweede lid, onder a, van de IOV vastgesteld.
Het betoog slaagt.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. Het besluit van 16 mei 2024 wordt vernietigd, voor zover het artikel 4.5.1, onder l, van de planregels en de landschappelijke inpassing in bijlage 8 bij de planregels betreft.
Zelf voorzien
12. De door de raad voorgestelde nieuwe bepaling en nieuwe landschappelijke inpassing zijn op de zitting besproken. De raad heeft toegelicht dat beide wijzigingen in overleg met de initiatiefnemer tot stand zijn gekomen. Alle partijen hebben aangegeven zich in de aangepaste planregel en de aangepaste landschappelijke inpassing te kunnen vinden. In de aangepaste landschappelijke inpassing zijn ook de 23 parkeerplaatsen ingetekend en de extra parkeerplaatsen die kunnen worden gerealiseerd als het bedrijfsverzamelgebouw wordt uitgebreid. De Afdeling ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien overeenkomstig het voorstel van de raad. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. Het is niet aannemelijk dat derdebelanghebbenden hierdoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, omdat het artikel en de landschappelijke inpassing alleen voor dit plandeel relevant zijn.
13. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
Proceskosten
14. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Gemert-Bakel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Partiële herziening Gemert-Bakel stedelijke gebieden, december 2023" van 16 mei 2024, voor zover het artikel 4.5.1, onder l, van de planregels en bijlage 8 bij de planregels betreft;
III. bepaalt dat
- artikel 4.5.1, onder l, van de planregels als volgt komt te luiden:
"Indien niet binnen uiterlijk twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan het (landschappelijke) inpassingsplan zoals dat is opgenomen in de bijbehorende bijlage(n) bij de planregels, wordt gerealiseerd én/of daarna niet als zodanig duurzaam in stand wordt gehouden";
- de landschappelijke inpassing in bijlage 8 bij de planregels wordt gewijzigd overeenkomstig pagina 3 van het nadere stuk van 13 juli 2026, dat ook als bijlage 1 is opgenomen bij deze uitspraak en deel uitmaakt van deze uitspraak;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd;
V. draagt de raad van de gemeente Gemert-Bakel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Gemert-Bakel tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.931,05, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Gemert-Bakel aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoekstra, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
1092
Bijlage 1
Landschappelijk inpassingsplan [locatie]