202401521/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 januari 2024 in zaak nr. 22/2146 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B],
en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer.
Procesverloop
In het besluit van 6 mei 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een poké bowl horecavestiging op het perceel [locatie 1] in Deventer (het perceel).
In het besluit van 24 oktober 2022 heeft het college onder meer het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 26 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door ing. M.G.M. Wolbrink-Meijerink, zijn verschenen. Verder is op de zitting [[vennootschap], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing t het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 10 januari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [bedrijf] ([bedrijf]) heeft op 10 januari 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een poké bowl horecavestiging op het perceel. Het perceel ligt aan de Brink, het centrale plein in de oude binnenstad van Deventer. Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel B". Aan het perceel is onder meer de bestemming "Horecagebied-01" en de dubbelbestemming "Waarde-Beschermd stadsgezicht" toegekend.
3. Omdat op grond van het bestemmingsplan maximaal 35 horecabedrijven zijn toegestaan en dit maximum al is bereikt, is het toevoegen van het poké bowl horecabedrijf in strijd met artikel 93.1, aanhef en onder a, onder 1, van de planregels. Ook is de aanvraag, voor wat betreft het fietsparkeren, in strijd met artikel 284.5.1, onder a, van de planregels.
4. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 6 mei 2022 verleend. Het college heeft wat betreft de overschrijding van het maximaal aantal toegestane horecabedrijven toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het college heeft wat betreft de afwijking voor het fietsparkeren toepassing gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo in samenhang met artikel 284.5.2, onder a, van de planregels. Hierbij heeft het college verwezen naar artikel 5.4 van de Beleidsregels parkeren bestemmingsplannen Deventer (de Beleidsregels).
5. Op 9 december 2022 heeft het college op verzoek van [bedrijf] de omgevingsvergunning op naam gesteld van [[vennootschap]
6. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaar van het perceel [locatie 2] in Deventer. Dat perceel ligt tegenover het perceel waar de poké bowl horecavestiging is voorzien. Zij verhuren het pand op dit perceel als kantoorruimte. Zij vrezen voor negatieve gevolgen voor het werk- en leefklimaat en de sociale veiligheid op de Brink door de realisatie van de poké bowl horecavestiging. Zij maken zich zorgen dat dit nadelige gevolgen heeft voor het gebruik, de waarde en de verhuurbaarheid van hun pand en komen daarom op tegen de omgevingsvergunning.
7. De relevante wet- en regelgeving, voor zover niet in de uitspraak, staat in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Hoger beroep
Tenaamstelling omgevingsvergunning
8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het overzetten van de omgevingsvergunning door het college op naam van [[vennootschap] onrechtmatig is. Zij voeren aan dat de omgevingsvergunning is verleend aan [bedrijf]. [bedrijf] heeft niet verzocht om de omgevingsvergunning over te zetten maar om het overzetten van een exploitatievergunning. Dat geen exploitatievergunning is verleend en dat een exploitatievergunning een persoonsgebonden karakter heeft, maakt dat niet anders. Van een kennelijke verschrijving is geen sprake. Het college heeft bij [bedrijf] bovendien geen navraag gedaan wat met het verzoek werd beoogd.
[appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [[vennootschap] geen belang heeft bij het besluit van het college om de omgevingsvergunning te verlenen. [[vennootschap] wil namelijk helemaal niet zelf een poké bowl horecavestiging realiseren maar het pand verhuren voor het gebruik als poké bowl horecavestiging. Dat is een ander gebruik dan waar de omgevingsvergunning voor is verleend.
8.1. Wat [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep ter onderbouwing van deze beroepsgrond hebben aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die beroepsgrond ingegaan. [appellant A] en [appellant B] hebben, anders dan de enkele niet onderbouwde stelling dat geen sprake kan zijn van een kennelijke verschrijving, geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze beroepsgrond en de onder 12.1 en 12.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Hoeveelheid horecabedrijven
9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevolgen voor het werk- en leefklimaat in de omgeving van het perceel, door het toevoegen van het horecabedrijf, onvoldoende heeft onderzocht. Zij verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3565, waarin de Afdeling volgens hen heeft overwogen dat het maximumaantal van 35 horecabedrijven op de Brink niet kan worden losgelaten zonder representatief onderzoek naar de aanvaarbaarheid van de milieusituatie en dat niet valt uit te sluiten dat cumulatieve effecten zullen leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van het werk- en leefklimaat ter plaatse.
[appellant A] en [appellant B] betogen in dit kader verder dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt hoeveel en welke horecabedrijven al in het betreffende "Horecagebied-01" gevestigd zijn. Zij voeren aan dat dat nodig is om te kunnen afwegen wat de (cumulatieve) effecten van het toevoegen van extra horecabedrijven zijn. De rechtbank heeft dit volgens [appellant A] en [appellant B] niet onderkend.
[appellant A] en [appellant B] betogen tot slot dat het college de behoefte aan nieuwe horeca op de Brink niet kan afwegen zonder daarbij het bestaande horeca-aanbod en de resterende vestigingsmogelijkheden voor horeca elders in de binnenstad te betrekken. Ook dit heeft de rechtbank volgens [appellant A] en [appellant B] niet onderkend.
9.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het toestaan van de poké bowl horecavestiging in strijd is met artikel 93.1, aanhef en onder a, onder 1, van de planregels, omdat het maximum van 35 horecabedrijven in het gebied met de bestemming "Horecagebied-01" al is bereikt. Tussen partijen is in geschil of het besluit van het college, om in afwijking van deze planregel de omgevingsvergunning te verlenen, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en of het college met het oog daarop voldoende inzicht in de feitelijke situatie ter plaatse heeft verkregen.
9.2. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
9.3. De Afdeling stelt voorop dat het college de ruimtelijke effecten van de toevoeging van de gevraagde poké bowl horecavestiging dient te beoordelen. Om de gevolgen van de afwijking te kunnen beoordelen moet het college inzicht hebben in de feitelijke situatie op de Brink. De Afdeling stelt vast dat het college in het besluit van 6 mei 2022, in het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat aan het besluit van 24 oktober 2022 ten grondslag is gelegd, en op de zitting heeft volstaan met de stelling dat de toevoeging van het horecabedrijf op het werk- en leefklimaat op de Brink beperkt zal zijn. Het college heeft daarbij verwezen naar de kenmerken van de betreffende poké bowl horecavestiging. Zo betreft het een klein horecabedrijf met een beperkt aantal tafels en openingstijden die vallen binnen de reguliere winkeltijden in Deventer. Het college heeft bij de gemaakte beoordeling verder van belang geacht dat in het pand op het perceel eerder een feestcafé heeft gezeten.
9.4. Met de enkele beschrijving van de feitelijke kenmerken van de gevraagde poké bowl horecavestiging en de geschiedenis van het pand op het perceel heeft het college naar het oordeel van de Afdeling geen blijk gegeven van enig inzicht in de feitelijke situatie op de Brink en de mogelijke invloed van het toevoegen van de poké bowl horecavestiging op het werk- en leefklimaat op de Brink. Zo heeft het college in de ruimtelijke onderbouwing, anders dan dat het maximum van 35 horecabedrijven al is bereikt, geen inzicht gegeven in de hoeveelheid horeca aangelegenheden op de Brink. Daarom valt naar het oordeel van de Afdeling niet uit te sluiten dat cumulatieve effecten van een toename van het aantal horecabedrijven op de Brink zullen leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van het werk- en leefklimaat. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de omgevingsvergunning niet zal leiden tot een onaanvaardbaar werk- en leefklimaat in de omgeving van het perceel van [appellant A] en [appellant B].
9.5. Het college heeft bij zijn beslissing om de omgevingsvergunning te verlenen in dit geval van belang geacht dat behoefte is aan een poké bowl horecavestiging op de Brink, in de zin dat het college heeft gekeken of dit concept een goede toevoeging is op de bestaande horecaconcepten op de Brink. De Afdeling overweegt dat het college, om dat te kunnen beoordelen, enige mate van inzicht moet hebben in het huidige horeca aanbod op de Brink. Met de enkele stelling dat het realiseren van een poké bowl horecavestiging ingaat op de toenemende maatschappelijke behoefte aan een snelle, gezonde maaltijd heeft het college daar naar het oordeel van de Afdeling geen blijk van gegeven. Het college heeft daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gevraagde poké bowl horecavestiging een goede toevoeging is aan de bestaande horecaconcepten op de Brink.
9.6. Gelet op wat hiervoor is overwogen ontbreekt een deugdelijke motivering van het besluit. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Cultuurhistorische waarden
10. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning had moeten toetsen aan het Beeldkwaliteitsplan en hierover, op grond van artikel 254.2.1, onder c, van de planregels, advies had moeten te vragen aan de Planadviesraad Welstand, Monumenten en Beschermd Stadsgezicht (de planadviesraad). Zij voeren aan dat het loslaten van het maximale horecaquota een onevenredige aantasting kan vormen van het beschermd stadsgezicht en dat door het wijzigen van het gebruik van het perceel het beeld van de buitenruimte en daarmee het beschermd stadsgezicht wordt aangetast. Zij wijzen er in dit verband ook op dat het toestaan van de poké bowl horecavestiging de mogelijkheid opent voor het aanvragen van een vergunning voor het exploiteren van een terras.
10.1. Artikel 254.2.1 van de planregels luidt:
"In die gevallen waar ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde - Beschermd stadsgezicht een beslissing wordt gevraagd voor:
a. het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid;
b. het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen;
c. het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de in het bestemmingsplan bepaalde regels;
d. het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden;
dient vooraf een advies te worden gevraagd aan de planadviesraad monumenten en beschermd stadsgezicht."
10.2. Voor het antwoord op de vraag of het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
10.3. De Afdeling stelt vast dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning geen advies heeft gevraagd aan de planadviesraad. Het college heeft toegelicht dat het niet de toegevoegde waarde inzag van het vragen van advies, omdat de verleende omgevingsvergunning niet voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden. De vergunde activiteit kan er volgens het college dus onmogelijk voor zorgen dat de beschermingswaardige elementen van het beschermd stadsgezicht worden aangetast. Het college heeft hierbij ook verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3565.
Uit artikel 254.2.1, aanhef en onder c, van de planregels volgt duidelijk dat het college, vanwege de aan het perceel toegekende bestemming "Waarde-Beschermd stadsgezicht", voor het verlenen van de omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan advies had moeten vragen aan de planadviesraad. Het college heeft ten onrechte nagelaten dat te doen. De genoemde uitspraak van de Afdeling maakt dat niet anders. In die uitspraak heeft de Afdeling het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen de wijzigingsplannen "Binnenstad, wijziging horecaquota Brink en Grote Kerkhof" en "Binnenstad, herziening Kop van de Brink, wijziging horecaquota" gegrond verklaard. Deze wijzigingsplannen hielden, kort gezegd, in dat het aantal toegestane horecabedrijven niet langer is begrensd in verschillende horecagebieden in Deventer. In die zaak lag dus niet een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor. De Afdeling concludeert dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college kon afzien van het vragen van advies aan de planadviesraad.
Het betoog slaagt.
Parkeren
Autoparkeren
11. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een poké bowl horecavestiging voor het beoordelen van de parkeernormen dient te worden aangemerkt als cafetaria en niet als restaurant als bedoeld in de Nota parkeernormen 2013 (de Nota). Zij voeren aan dat geen stukken zijn overlegd waaruit blijkt dat een groot deel van de inkomsten worden gegenereerd door afhalen en bezorgen en niet uit eten ter plaatse zoals bij een restaurant. Het college had daarom niet mogen uitgaan van de parkeernormen voor een cafetaria. Uit het plan dat [bedrijf] heeft ingediend, blijkt juist dat sprake is van een combinatie van eten ter plaatse, afhaal en bezorging. Voor de parkeerbehoefte dient dus te worden uitgegaan van de parkeernormen voor een restaurant. Volgens hen dient de parkeerbehoefte voor auto’s op grond van de Beleidsregels en de Nota daarom te worden gesteld op 10 parkeerplaatsen.
Zij betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de parkeerbehoefte voor auto’s van de poké bowl horecavestiging op grond van de Beleidsregels mag verrekenen met de parkeerbehoefte van de vorige functie (een feestcafé), omdat laatstgenoemde functie minder dan 5 jaren terug is gestaakt. Zij voeren aan dat er geen stukken zijn overlegd waaruit blijkt dat het feestcafé daadwerkelijk minder dan 5 jaar geleden is gestaakt. Het vorige gebruik als feestcafé is bovendien niet langer legaal zodat helemaal geen verrekening van de parkeerbehoefte kan plaatsvinden. Zij voeren verder aan dat de horecafunctie die op het perceel rustte al reeds elders op de Brink is voortgezet.
11.1. Artikel 284.5.1 van de planregels luidt:
"a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden, zoals toegestaan op grond van de onderliggende ruimtelijke plannen, waarbij sprake is van een parkeerbehoefte, wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen , overeenkomstig de 'Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer' (2015) en de 'Nota parkeernormen 2013';
[…]."
11.2. De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid slechts rekening moet worden gehouden met de toename van parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de omgevingsvergunning ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte vanwege het bestaande pand. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de poké bowl horecavestiging onder de parkeernorm van café/bar/cafetaria als bedoeld in de Nota valt, omdat een groot deel van de inkomsten zal worden gegenereerd door het afhalen en bezorgen van eten, vergelijkbaar met een cafetaria, terwijl een restaurant meer gericht is op het ter plaatse eten. Daarbij betrekt de Afdeling het standpunt van het college dat de poké bowl horecavestiging vanuit de parkeernormering als cafetaria kan worden beschouwd, omdat het, vergelijkbaar met een cafetaria, een beperkte menukaart en een beperkt aantal zitplaatsen zal krijgen (namelijk 14). De enkele stelling van[appellant A] en [appellant B], dat geen stukken zijn overlegd waaruit blijkt dat een groot deel van de inkomsten worden gegenereerd door afhalen en bezorgen, is onvoldoende om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling voor het bepalen van de toepasselijke parkeernormen dus kunnen uitgaan van een onder meer voor een cafetaria geldende parkeernorm.
11.3. Uit paragraaf 3.1.4, aanhef en onder a, van de Beleidsregels volgt verder dat de parkeerbehoefte voor auto’s van de poké bowl horecavestiging kan worden verrekend met de parkeerbehoefte van de vorige functie op het perceel als deze laatstgenoemde functie minder dan 5 jaren terug is gestaakt. In het besluit van 6 mei 2022 staat dat het verrekenen van de parkeerbehoefte voor auto’s met de vorige functie, namelijk een feestcafé, is toegestaan omdat het gebruik van dat feestcafé 2 jaar geleden is gestaakt. De enkele stelling van[appellant A] en [appellant B], dat geen stukken zijn overlegd waaruit blijkt dat dat feestcafé daadwerkelijk minder dan 5 jaar geleden is gestaakt, is onvoldoende om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. Wat[appellant A] en [appellant B] in dit kader verder hebben aangevoerd leidt eveneens niet tot een ander oordeel.
11.4. De Afdeling concludeert dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat, wat betreft het autoparkeren, geen strijd is met artikel 284.5.1, onder a, van de planregels.
Het betoog slaagt niet.
Fietsparkeren
12. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de parkeerbehoefte voor fietsen niet behoorlijk in kaart heeft gebracht. Dat sprake is van een klein perceel, dat verspreid over de dag bezoekers trekt en er geen ruimte is voor het stallen van fietsers in het pand, betekent niet dat er geen parkeerbehoefte voor fietsers is. Zij wijzen erop dat de parkeerplekken in de openbare ruimte dienen te worden gerealiseerd als daar inpandig geen ruimte voor is. De parkeerbehoefte voor fietsers dient volgens hen daarom te worden gesteld op 20 parkeerplaatsen.
12.1. Artikel 284.5.2 van de planregels luidt:
"a. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning en overeenkomstig de Beleidsregels parkeren bestemmingsplannen Deventer (2015) afwijken van het bepaalde in artikel 284.5.1 onder a en b inzake de eis dat in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen en ruimte voor laden en lossen moet worden voorzien, mits in dat geval sprake is van een integrale afweging en daarmee een ander, zwaarder wegend belang wordt gediend en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte.
[…]."
12.2. Artikel 5.4 van de Beleidsregels luidt:
"Als voldoende vaststaat dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, waarbij het voldoen aan de parkeerverplichting op overwegende bezwaren stuit en óók niet op andere wijze (via een fietsparkeerbijdrage) aan de parkeereis kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag besluiten een onvoorwaardelijke ontheffing te verlenen. Dit zal eerder theorie dan praktijk zijn.
Hiervan kan sprake zijn als:
[…]
- er kunnen geen concreet aanwijsbare extra voorzieningen in de openbare ruimte worden getroffen welke eigenlijk wel getroffen zouden moeten worden."
12.3. Het college heeft bij de afwijking voor het fietsparkeren toepassing gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo, in samenhang met artikel 284.5.2, onder a, van de planregels. Hierbij heeft het college verwezen naar artikel 5.4 van de Beleidsregels.
12.4. Uit het besluit van 6 mei 2022, en het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat aan het besluit van 24 oktober 2022 ten grondslag is gelegd, blijkt dat het college meent dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 5.4 van de Beleidsregels. Volgens het college is er sprake van een bijzondere omstandigheid vanwege de kleinschaligheid van de onderhavige horecafunctie, het feit dat er vele jaren horeca op het perceel aanwezig was, en omdat deze horecafunctie in tegenstelling tot een feestcafé meer verspreid over de dag bezoekers aantrekt. Verder is er sprake van een bijzondere omstandigheid, waarbij het voldoen aan de parkeerverplichting op overwegende bezwaren stuit, omdat er in het pand geen ruimte is voor fietsparkeren. Daarvoor is de ruimte te beperkt. Ook kan niet op andere wijze, via een fietsparkeerbijdrage, aan de parkeereis worden voldaan, omdat een fietsparkeerbijdrage leidt tot de verplichting om op korte termijn en in de directe nabijheid in fietsparkeren te voorzien. Vanwege de binnenstadsituatie is die fysieke ruimte niet voorhanden, aldus het college.
12.5. De Afdeling stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 5.4 van de planregels. De Afdeling ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen.
Uit het besluit van 6 mei 2022, en het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat aan het besluit van 24 oktober 2022 ten grondslag is gelegd, kan echter niet worden afgeleid welke integrale afweging in dit geval door het college is gemaakt. Het college heeft verder ook niet gemotiveerd welk zwaarwegend belang wordt gediend met het afwijken van het bepaalde in artikel 284.5.1, onder a, van de planregels, en dat dit afwijken niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte. De enkele stelling van het college op de zitting dat het een integrale oplossing wil voor het probleem van onvoldoende fietsvoorzieningen in de binnenstad van Deventer, en het deze problematiek niet wil afwenden op individuele ondernemers, is daarvoor naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende. De rechtbank heeft dit in haar uitspraak niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Sociale veiligheid
13. Uit het hoger beroepschrift zijn geen redenen naar voren gekomen op grond waarvan de Afdeling tot het oordeel komt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevolgen voor de sociale veiligheid in de omgeving van het perceel onvoldoende heeft onderzocht.
Het betoog slaagt niet.
Overige gronden
14. De gronden die [appellant A] en [appellant B] voor het overige in hoger beroep hebben aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant A] en [appellant B] hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over die gronden.
Conclusie
15. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2022 alsnog gegrond verklaren, en dat besluit vernietigen. Dat betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant A] en F.A.H Bergman moet nemen.
16. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B], gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 26 januari 2024 in zaak nr. 22/2146;
III. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B], gegrond;
IV. vernietigt het besluit het college van burgemeester en wethouders van Deventer van 24 oktober 2022;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B], in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 118,64 met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deventer aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht van € 463,00 voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
884-1139
Bijlage
Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Artikel 2.12
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…}
Bijlage II bij het besluit omgevingsrecht
Artikel 4
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
[…]
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
Bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel B"
Artikel 93.1 Toegelaten functies
93.1 Toegelaten functies
Ter plaatse van de functie Horecagebied - 01 is toegelaten:
a. horecabedrijven in de categorie 1b, 2a, 2b, 3a of 3b (zoals beschreven in Bijlage 5 Staat vanhoreca-activiteiten);
1. er zijn maximaal 35 horecabedrijven toegestaan;
indien er sprake is van een uitbreiding van een bestaand horecabedrijf met een naastgelegen pand (horizontaal) wordt deze uitbreiding tot een uitbreiding van het aantal horecabedrijven gerekend.
2. deze functie is alleen toegestaan op de begane grond (eerste bouwlaag) en in de kelder (onderbouw);
met dien verstande dat in de kelder geen zelfstandig horecabedrijf mag worden gevestigd;
met de daarbij behorende voorzieningen, waaronder terrassen.