202402635/1/R2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in De Mortel, gemeente Gemert-Bakel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 14 maart 2024 in zaak nr. 23/938 in het geding tussen:
[appellant],
en
het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.
Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2022 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan splitsen van een woonboerderij in twee woningen aan de [locatie] in De Mortel.
Bij besluit van 15 februari 2023 heeft het college het besluit van 20 september 2022, onder verbetering van de motivering, in stand gelaten.
Bij uitspraak van 14 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P. Fermont, is verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 2 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het splitsen van de woonboerderij aan de [locatie] in twee woningen. Ten tijde van belang gold het bestemmingsplan "Gemert-Bakel buitengebied 2017". Op het perceel gold de bestemming "Wonen". Het bouwplan is in strijd met artikel 17.2.1, onder b, van de planregels, omdat dit artikel bepaalt dat per bestemmingsvlak maar één woning mag worden gebouwd.
3. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van de regeling in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, onder 9, van bijlage II bij het Bor.
4. [appellant] woont tegenover het perceel. Hij kan zich niet met de verleende omgevingsvergunning verenigen, omdat hij onder meer vreest voor parkeeroverlast.
Ontvangen stukken
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend hij een aantal stukken niet heeft ontvangen.
5.1. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de procedure bij de rechtbank onregelmatig is geweest. [appellant] heeft namelijk niet geconcretiseerd welke stukken hij niet heeft ontvangen. Verder is niet gebleken dat [appellant] in hoger beroep niet over alle stukken beschikte.
Het betoog slaagt niet.
Grondentrechter
6. [appellant] voert aan dat het bouwplan de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing aan de [locatie] aantast. Hij heeft dit niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.
Parkeren
7. De rechtbank heeft in haar uitspraak gemotiveerd uiteengezet dat de omgevingsvergunning niet in strijd met de Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017 is verleend. Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12 van die uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog het volgende aan toe. [appellant] voert aan dat aan de Koolhof meerdere openbare parkeerplaatsen moeten worden verlegd om ruimte te maken voor de inrit, terwijl die ruimte er niet is. Uit het document "Uitwerking parkeren extra woning [locatie]", dat als bijlage bij het besluit op bezwaar is gevoegd, maakt de Afdeling echter op dat maar één openbare parkeerplaats wordt verplaatst om ruimte te maken voor de inrit. Uit de stukken en uit beelden op Google Maps en Google Street View blijkt dat voor het verleggen van deze parkeerplaats voldoende ruimte is aan de Koohof.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Hoekstra, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hoekstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
1092