202405719/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
Vereniging BBO Senzora en anderen, gevestigd in Deventer,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Deventer,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Chw bestemmingsplan Senzora-terrein" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben BBO Senzora en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 augustus 2026, waar BBO Senzora en anderen, vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat in Deventer, vergezeld door [persoon A] en [persoon B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat in Nijmegen, vergezeld door M. Baaten, S. Martijn en S.S.T. Weertman, zijn verschenen. Ook zijn op de zitting BPD Ontwikkeling B.V. en [bedrijf], beide vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat in Baarn, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt de herontwikkeling van het terrein van de voormalige Senzora-fabriek in Deventer mogelijk. Met het plan wordt het mogelijk om daar maximaal 119 woningen en 670 m2 bvo aan kantoor en maatschappelijke voorzieningen te bouwen.
Het plan is een zogenaamd "bestemmingsplan met verbrede reikwijdte". Dit betekent dat de raad gebruik heeft gemaakt van extra mogelijkheden voor de inrichting van het bestemmingsplan op basis van artikel 2.4 van de Chw in samenhang met artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw.
3. BBO Senzora en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij hebben onder meer bezwaren tegen de geplande hoogbouw en vrezen voor de gevolgen van het plan voor verkeer en parkeren.
BBO Senzora is een vereniging die opkomt voor de belangen van omwonenden met betrekking tot nieuwbouw op het voormalig Senzora terrein. Daarnaast is ook een aantal omwonenden mede-indiener van het beroep.
4. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Ingetrokken beroepsgronden
6. BBO Senzora en anderen hebben hun beroepsgronden over de ladder voor duurzame verstedelijking, over de strook met de bestemming "Wonen" en over schaduwhinder op de zitting ingetrokken.
Strijd met de hoogbouwvisie
7. BBO Senzora en anderen betogen dat het plan in strijd is met de "Visie op hoger bouwen in Deventer" (de hoogbouwvisie). Zij voeren aan dat de hoogbouwvisie, anders dan de raad stelt, wel van toepassing is op het plan. Bij de vaststelling daarvan is bepaald dat deze alleen geldt voor toekomstige plannen, omdat voor bestaande plannen al een kader is gegeven. Volgens BBO Senzora zijn bij het plan echter de uitgangspunten gewijzigd, waardoor niet gesproken kan worden van een lopend plantraject. Zij voeren aan dat het vastgestelde plan namelijk afwijkt van het Masterplan. In dit Masterplan gaat het over hoogteaccenten van acht tot tien verdiepingen. Dit komt volgens BBO Senzora overeen met bouwhoogtes van ongeveer 28 m tot 30 m hoog. Het plan staat echter hogere bebouwing toe, tot maximaal 34 m. In de hoogbouwvisie is het plangebied ook niet aangewezen voor deze bouwhoogte. Daarnaast is er ten onrechte ook geen Hoogbouw Effect Rapportage gemaakt, wat op grond van de hoogbouwvisie wel verplicht is voor hoogbouw boven de 31 m.
7.1. De Afdeling stelt vast dat het ontwerpplan op 21 december 2023 ter inzage is gelegd.
De hoogbouwvisie is op 24 februari 2024 vastgesteld. In het raadsvoorstel staat dat de hoogbouwvisie zich, na vaststelling door de raad, richt op nieuwe situaties. Plantrajecten die al gestart zijn, kennen een eigen besluitvorming. Hiervoor zijn al ruimtelijke uitgangspunten meegegeven door de raad.
7.2. De Afdeling overweegt dat het plantraject formeel gestart is met de terinzagelegging van het ontwerpplan. Omdat dit heeft plaatsgevonden voor de vaststelling van de hoogbouwvisie, is die hoogbouwvisie niet van toepassing op het plan. In wat BBO Senzora en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om daarvan af te wijken. Zij hebben niet gewezen op wijzigingen in de uitgangspunten van het plan die hebben plaatsgevonden na de terinzagelegging van het ontwerpplan. De gestelde strijd met het Masterplan is daarvoor niet relevant, omdat het Masterplan nog van voor het ontwerpplan was. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich daarom op het standpunt mogen stellen dat de hoogbouwvisie niet van toepassing is op het plan en het plan daar dus ook niet mee in strijd is.
Het betoog slaagt niet.
Hittestress
8. BBO Senzora en anderen betogen dat het plan leidt tot onaanvaardbare hittestress in de directe omgeving. Dit blijkt volgens hen uit het "Hittestressonderzoek Senzora Deventer", bijlage 18 van de plantoelichting (het hittestressonderzoek). Daaruit blijkt dat het plan leidt tot een gemiddelde PET-waarde van 35,7˚C. Dit valt volgens de PET-klassen in de categorie van "grote warmtestress". De bijdrage van hoogbouw en stedelijke verdichting aan het hitte-eiland effect wordt in deze context zwaar onderschat.
BBO Senzora en anderen voeren verder aan dat door bij te dragen aan een toename van hittestress, het plan ook in strijd is met de ambities uit de Woonvisie 2018 en Woonvisie 2024.
8.1. De Afdeling overweegt dat uit tabel 3.1 van het hittestressonderzoek blijkt dat het plan, anders dan BBO Senzora en anderen stellen, gemiddeld niet leidt tot meer hittestress. Binnen het plangebied is er sprake van een significante daling van de gemiddelde gevoelstemperatuur en ook in de Raambuurt is er gemiddeld sprake van een (marginale) daling. Daarnaast blijkt uit paragraaf 3.2 van het onderzoek dat er met het plan een nieuwe koele locatie aan het water komt die ook voor veel woningen in de Raambuurt binnen 100 m loopafstand ligt. BBO Senzora en anderen hebben deze conclusies uit het hittestressonderzoek niet onderbouwd weerlegd. De enkele stelling dat de bijdrage van het plan aan het hitte-eiland effect wordt onderschat, is daarvoor onvoldoende.
Gelet hierop komt de Afdeling tot het oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van hittestress. De Afdeling ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt in strijd is met de Woonvisie 2018 en Woonvisie 2024.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
9. BBO Senzora en anderen betogen dat de raad in de belangenafweging over het toestaan van de hoogbouw, ten onrechte te veel gewicht heeft toegekend aan de financiële belangen bij het plan ten opzichte van de belangen van omwonenden.
9.1. De raad heeft toegelicht dat de hoogbouw niet alleen mogelijk gemaakt wordt in het kader van de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Volgens de raad gaat het ook om de functie en toegevoegde waarde van hoogbouw, zoals verdichting en efficiënt gebruik van ruimte in het belang van woningbouw.
Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in de belangenafweging te veel gewicht heeft toegekend aan de financiële uitvoerbaarheid ten opzichte van de belangen van omwonenden. De Afdeling neemt hierbij ook in aanmerking dat BBO Senzora en anderen geen concrete gronden over de ruimtelijke gevolgen en aanvaardbaarheid van de hoogbouw hebben aangevoerd.
Het betoog slaagt niet.
Water
10. BBO Senzora en anderen betogen dat in het plan onvoldoende geborgd is dat er voldoende waterberging gerealiseerd moet worden. Zij vrezen daarom voor wateroverlast in de omgeving van het plangebied. Weliswaar is in artikel 19.7 van de planregels opgenomen dat er waterberging gerealiseerd moet worden in overeenstemming met het "Gemeentelijke rioleringsplan 2022-2026", maar het plan moet ook voldoen aan de eisen van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Dat is nu onvoldoende geborgd.
10.1. Paragraaf 5.7 van de plantoelichting gaat over de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daar wordt verwezen naar de "Watertoets - Normale procedure" van het Waterschap Drents Overijsselse Delta, bijlage 16 bij de plantoelichting, en het "Memo onderbouwing waterparagraaf" van 1 november 2023 van Buro Hoogstraat, bijlage 17 bij de plantoelichting.
In de waterparagraaf staat onder meer het volgende over de eisen voor waterberging:
"Om het plangebied te kunnen ontwikkelen is het noodzakelijk om te voldoen aan waterbergingsopgave van de gemeente en het waterschap. Dit betekent dat voor de gemeente op de kavels 20 mm berging gerealiseerd dient te worden, 20 mm berging in een voorziening in openbaar gebied en totaal 62 mm/uur in het plangebied. Daarnaast zegt het waterschap dat 80 mm (statische) berging dient te worden gerealiseerd, voordat dit water tot afstroming komt. Om de waterbergingsopgave binnen het plan te kunnen oplossen, dient in het inrichtingsontwerp rekening te worden gehouden dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt van half verharding met infiltrerende fundatie. Om aan te tonen hoe aan de bergingsopgave wordt voldaan binnen het plan wordt een waterhuishoudkundig plan gerealiseerd. Het waterhuishoudkundig plan kan pas opgesteld worden wanneer het inrichtingsplan gemaakt is, zodat bekend is waar waterberging op het dak gerealiseerd kan worden. Om deze reden is in de regels bij het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen."
10.2. In artikel 19.7, onder a, van de planregels is bepaald dat een omgevingsvergunning voor bouwen of gebruik van gronden niet eerder wordt verleend dan nadat is voorzien in voldoende waterberging overeenkomstig het "Gemeentelijke rioleringsplan 2022-2026" (GRP). In hetzelfde artikel onder b is bepaald dat als het GRP wordt gewijzigd, met die wijziging rekening wordt gehouden.
10.3. Uit de waterparagraaf in de plantoelichting blijkt dat het waterschap vereist dat er 80 mm (statische) berging gerealiseerd wordt, voordat het water tot afstroming komt. De Afdeling stelt vast dat deze bergingseis niet in artikel 19.7 van de planregels is opgenomen. De enkele verwijzing daarin naar de bergingseis uit het GRP is daarvoor onvoldoende. In het GRP is de eis van 80 mm (statische) waterberging namelijk niet opgenomen.
Naar het oordeel van de Afdeling is daarom onvoldoende in het plan geborgd dat de volgens het waterschap vereiste waterberging gerealiseerd zal worden. Daarbij betrekt de Afdeling dat gesteld noch gebleken is dat op grond van andere publiekrechtelijke bepalingen afdwingbaar is dat deze waterberging gerealiseerd moet worden.
Het betoog slaagt.
Verkeer
11. BBO Senzora en anderen betogen dat de verkeersgeneratie van het plan en de afwikkeling daarvan onvoldoende zorgvuldig zijn onderzocht. Zij vrezen dat het plan leidt tot een toename van bestaande verkeersproblemen op de Emmastraat en de Sluisstraat. Concreet wijzen BBO Senzora en anderen op twee gebreken in de notitie "Verkeereffecten Senzora" van Goudappel B.V. van 24 april 2024 (het verkeersonderzoek). Dit doen zij onder verwijzing naar de "Second opinion verkeerseffecten herontwikkeling Senzora fabriek Deventer" van BVA verkeersadviezen van 30 augustus 2024.
In de eerste plaats voeren BBO Senzora en anderen aan dat het gebruikte verkeersmodel RVMO 1.1 niet geschikt is om de verkeerseffecten van de ontwikkeling in kaart te brengen. Het model is namelijk te grootschalig om verkeerseffecten op detail-/straatniveau te kunnen bepalen. In dit kader wijzen zij erop dat er grote verschillen zijn tussen de verkeersintensiteiten die uit het model blijken enerzijds en de getelde verkeersintensiteiten anderzijds.
Ten tweede voeren BBO Senzora en anderen aan dat er in het verkeersonderzoek niet gekeken is naar bestaande verkeersproblemen in en rond de Raambuurt. In dit kader wijzen zij erop dat er slechts twee mogelijkheden zijn om de Raambuurt te verlaten. Op de meest gebruikte ontsluiting via de Sluisstraat en de Emmastraat bestaan nu al verkeersproblemen. Volgens BBO Senzora en anderen kan de Emmastraat de huidige verkeersstromen niet aan en zal dat dit alleen maar erger worden door het plan. Met name het kruispunt bij de Emmastraat met de Rijksstraatweg N344 is hierbij van belang, omdat zich daar grote problemen voordoen. Daarnaast voeren BBO Senzora en anderen aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de daadwerkelijke verkeersomstandigheden op de Sluisstraat. Zij wijzen erop dat de Sluisstraat te smal is voor een veilige verkeersdoorstroming.
Op de zitting hebben BBO Senzora en anderen nog gewezen op de notitie "Verkeerseffecten Senzora" van Goudappel B.V. van 13 november 2023 die als bijlage bij het ontwerpplan was gevoegd. Daarin staat namelijk dat tijdens spitsuren de capaciteit van de Emmastraat en omliggende kruispunten en wegvakken onvoldoende is om het verkeer zonder vertraging af te wikkelen.
11.1. De Afdeling ziet in wat BBO Senzora en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen gebruik heeft mogen maken van het verkeersmodel RVMO om de verkeerseffecten van het plan in kaart te brengen. De Afdeling overweegt dat het gebruik van een verkeersmodel zoals het RVMO 1.1 een gebruikelijke en aanvaardbare manier is om te verwachten verkeersintensiteiten in kaart te brengen. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat het verkeersmodel in twee opzichten een worst-case scenario schetst. In de eerste plaats zijn de verkeersintensiteiten in de referentiesituatie aanzienlijk hoger in het RVMO dan de feitelijk getelde verkeersintensiteiten. In de tweede plaats gaat het RVMO uit van een hogere verkeersgeneratie als gevolg van het plan dan is berekend aan de hand van de CROW-richtlijnen.
11.2. Over de vrees voor een onaanvaardbare toename van al bestaande verkeersproblemen, overweegt de Afdeling het volgende.
Voorop gesteld moet worden dat bestaande verkeersproblemen niet met een bestemmingsplan opgelost hoeven te worden, maar dat de raad bij de vaststelling van het plan wel rekening moet houden met de bestaande problemen.
De Afdeling stelt vast dat uit het verkeersonderzoek blijkt dat de verkeersintensiteit op de Emmastraat in de richting van het kruispunt met de N344 als gevolg van het plan toeneemt met 100 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etmaal). Dat die toename in de praktijk aanmerkelijk hoger zal zijn, acht de Afdeling, gelet op hetgeen daarover ter zitting is toegelicht, onvoldoende aannemelijk. Gelet op de verkeerintensiteiten in de referentiesituaties in 2025, 5.100 mvt/etmaal, en in 2040, 4.700 mvt/etmaal, overweegt de Afdeling dat de raad de toename met 100 mvt/etmaal op de Emmastraat verwaarloosbaar heeft mogen achten. Daarbij betrekt de Afdeling dat de verkeersintensiteiten op de Emmastraat onder de maximale capaciteit van het wegtype blijven en dat de verwachting uit het model is dat de totale verkeersintensiteit vanaf 2025 tot 2040 zal afnemen. De Afdeling wijst er verder ook op dat, zoals door de raad is toegelicht, de afwikkeling van verkeer bij het kruispunt met de N344 grotendeels afhankelijk is van een juiste afstelling van de verkeerslichten daar.
In het verkeersonderzoek wordt verder geconcludeerd dat de verkeersintensiteiten op de Sluisstraat ruim onder de maximale capaciteit van het wegtype blijven. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat daar geen onaanvaardbare verkeeroverlast zal plaatsvinden. Dat de weg volgens BBO Senzora te smal is voor een veilige verkeersdoorstroming, leidt niet tot een ander oordeel. De raad heeft onweersproken gesteld dat de weg voldoet aan de minimale eisen van de CROW en de Afdeling acht het aanvaardbaar dat de raad het remmend effect als gevolg van de breedte van de weg een voordeel vindt. BBO Senzora en anderen hebben verder geen concrete aanknopingspunten aangevoerd waarom de verkeerssituatie op de Sluisstraat onaanvaardbaar is.
Tot slot overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten de vraag of BBO Senzora en anderen op tijd op de oude versie van het verkeersonderzoek d.d. 13 november 2023 hebben gewezen, in die versie van het onderzoek ook geconcludeerd wordt dat de toename van het verkeer als gevolg van het plan zo beperkt is dat dit niet leidt tot een wezenlijke verdere verslechtering van de verkeersafwikkeling. Daarom ziet de Afdeling ook hierin geen reden om te oordelen dat de raad niet van het verkeersonderzoek heeft mogen uitgaan.
11.3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, komt de Afdeling tot het oordeel dat de raad zich op grond van het verkeersonderzoek op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor verkeer.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
12. BBO Senzora en anderen betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van (bestaande) parkeeroverlast in de omgeving.
Zij voeren aan dat de raad ten onrechte de parkeerplaatsen voor de Witte Villa gebruikt om de parkeerbehoefte van het plan op te lossen. Dit zijn echter openbare parkeerplekken die nu door vergunninghouders uit de Raambuurt gebruikt worden. In dit kader wijzen zij op de onderzoeken "Parkeeronderzoek Binnenstad Deventer 2023" en "Parkeermonitor Schilbuurten Deventer 2023". Daaruit blijkt dat er pieken zijn met een parkeerdruk van 81% in de Raambuurt en 84% in Knutteldorp. Dat is hoger dan 80%, wat in de regel als problematisch wordt ervaren. Door de parkeerplaatsen bij de Witte Villa te onttrekken aan de parkeergelegenheid in de Raambuurt, wordt de parkeerproblematiek daar nog erger.
BBO Senzora en anderen voeren ook aan dat de parkeerbalans ten onrechte is opgesteld voor een specifiek woningbouwprogramma, terwijl dat niet in het plan geborgd is.
12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van parkeeroverlast. In het "Parkeeradvies Senzora Deventer" van Goudappel van 22 maart 2024 (de parkeernotitie), bijlage 4 bij de plantoelichting, is berekend dat er in totaal 119 parkeerplaatsen nodig zijn om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor het plan. Volgens de raad is er binnen het plangebied voldoende ruimte om te voorzien in die behoefte. De raad wijst er verder op dat in artikel 19.5.1, onder a, van de planregels is bepaald dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en/of de activiteit gebruik, alleen wordt verleend wanneer er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de "Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer (2015)" en de "Nota parkeernormen 2013".
Over de zeven parkeerplaatsen bij de Witte Villa stelt de raad concreet dat deze horen bij het Senzora terrein en daarom ook voor de herontwikkeling van dit terrein gebruikt mogen worden. Daarbij merkt de raad ook op dat deze parkeerplaatsen nu al niet meer worden betrokken in de regulering van de Raambuurt en ook niet nodig zijn om de bestaande parkeerbehoefte van de omliggende buurt op te lossen. Daarnaast heeft de raad volledigheidshalve in bijlage 4 bij het verweerschrift een kaart opgenomen waarop te zien is dat er (aansluitend op het plangebied) zeven extra parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden.
12.2. Op de zitting hebben BBO Senzora en anderen desgevraagd expliciet bevestigd dat zij de berekening van de nieuwe parkeerbehoefte niet bestrijden. De Afdeling begrijpt daaruit dat dit punt niet langer tussen partijen in geschil is en zal daar daarom niet verder op ingaan.
Tussen partijen is nog wel in geschil of de parkeerplaatsen bij de Witte Villa meegeteld mochten worden voor de parkeeroplossing of niet.
12.3. De Afdeling stelt vast dat de parkeerplaatsen bij de Witte Villa binnen het plangebied liggen. Daar geldt, onder andere, de bestemming "Verkeer" waar op grond van artikel 8.1 van de planregels parkeervoorzieningen zijn toegestaan.
12.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van parkeeroverlast. Gelet op artikel 19.5.1, onder a, van de planregels en de mogelijkheid om, op grond van artikelen 8.1 en 10.1 van de planregels, binnen het plangebied parkeervoorzieningen en een ondergrondse parkeergarage te realiseren, komt de vraag of er daadwerkelijk voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de beoordeling van de omgevingsvergunning aan de orde.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met de parkeernotitie voldoende gemotiveerd dat er voor het voorgenomen bouwplan voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied gerealiseerd kan worden. Als bij de vergunningverlening blijkt dat de parkeerplaatsen bij de Witte Villa noodzakelijk zijn voor het bouwplan en dat die parkeerplaatsen feitelijk gebruikt worden door bewoners van de Raambuurt, kan het verlies van deze parkeerruimte voor de Raambuurt nog worden opgelost, zoals de raad heeft voorgesteld in bijlage 4 bij het verweerschrift. Die mogelijkheid is niet door BBO Senzora en anderen weersproken.
Het betoog slaagt niet.
Zorgwoningen
13. BBO Senzora en anderen betogen dat er binnen de bestemming "Wonen" en "Wonen-Senzora" ten onrechte ook zorgwoningen worden toegestaan.
13.1. De raad erkent dat het niet de bedoeling is geweest om zorgwoningen mogelijk te maken. Daarom verzoekt de raad de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien en de artikelen 9.1, onder b, 9.2.1, 9.2.2, 10.1, onder b, 10.2.1 en 10.2.2, uit de planregels te verwijderen.
13.2. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.
Het betoog slaagt.
Borging geluidwerende maatregelen parkeergarage
14. BBO Senzora en anderen betogen dat in het plan ten onrechte niet geborgd is dat geluidwerende maatregelen bij de geplande parkeergarage worden gerealiseerd. Uit het "akoestisch onderzoek ruimtelijke inpassing geprojecteerde woonbestemmingen", bijlage 22 bij de plantoelichting (het akoestisch onderzoek), blijkt namelijk dat zonder afscherming het gebruik van de parkeergarage bij zowel nieuwe als bestaande woningen leidt tot overschrijding van de voorkeurswaarden als bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (de VNG-brochure).
14.1. De raad erkent dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting door het gebruik van de in- en uitrit van de ondergrondse parkeergarage voor een aantal woningen in de omgeving leidt tot een overschrijding van de geluidwaarden die volgen uit de VNG-brochure. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat dit kan worden opgelost door geluidwerende maatregelen te nemen.
Voor zover de Afdeling van oordeel is dat in de planregels ten onrechte niet geborgd is dat geluidwerende maatregelen gerealiseerd moeten worden, verzoekt de raad de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien en een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen. De raad heeft een voorstel gedaan voor de toe te voegen planregel.
14.2. Gezien de erkenning van de raad, begrijpt de Afdeling dit zo dat de raad zich op het standpunt stelt dat het nemen van geluidwerende maatregelen noodzakelijk is uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Gelet daarop had de raad de aanleg en de instandhouding daarvan in de planregels moeten borgen. De raad heeft dit ten onrechte niet gedaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, onder 27.4.
Het betoog slaagt.
Wegverkeerslawaai
15. BBO Senzora en anderen betogen dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het plan bij diverse bestaande woningen niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB. Het gaat om een overschrijding met 3 dB bij verschillende woningen. BBO Senzora en anderen achten een overschrijding met 3 dB niet gering en zijn het er niet mee eens dat een redelijke omgevingskwaliteit zou volstaan bij sommige van de bestaande woningen. De gemeente moet erop inzetten dat geluidoverlast ten minste gelijk blijft en niet toeneemt.
15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van wegverkeerslawaai op bestaande woningen. Naar aanleiding van het beroep heeft de raad aanvullend onderzoek laten uitvoeren naar de aanvaardbaarheid van (de toename van) het wegverkeerslawaai als gevolg van het plan. De resultaten hiervan staan in de memo van Ancoor Akoestiek en Milieu van 9 januari 2025, bijlage 3 bij het verweerschrift (het aanvullend akoestisch onderzoek). Daarin is aan de hand van de verkeerscijfers uit het rapport van Goudappel een nieuwe berekening uitgevoerd. Gebleken is namelijk dat Ancoor in het oorspronkelijk akoestisch onderzoek was uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten, met name voor de referentiesituatie. Uit het aanvullend akoestisch onderzoek volgt dat voor de meeste woningen de toename van de geluidbelasting ongeveer 1 dB is en voor geen enkele woning meer dan 1,6 dB. De raad acht deze toenames aanvaardbaar omdat een toename van 1,6 dB geen akoestisch relevante verslechtering van de leefomgeving is. Daarnaast blijft de geluidbelasting overal (ruim) onder de maximale grenswaarde van 58 dB uit de Wet geluidhinder.
15.2. De Afdeling overweegt dat uit het aanvullend akoestisch onderzoek blijkt dat er in het oorspronkelijke akoestisch onderzoek een gebrek zat in de wijze waarop de toename van wegverkeerslawaai als gevolg van het plan is bepaald. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en daarom in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.
BBO Senzora en anderen hebben niet inhoudelijk gereageerd op het standpunt van de raad dat een toename van 1,6 dB niet significant is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan geen onaanvaardbare toename van wegverkeerslawaai tot gevolg heeft. De raad heeft het gebrek in het oorspronkelijke akoestisch onderzoek hersteld met het aanvullend akoestisch onderzoek.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
16. Gelet op wat is overwogen onder 10.3, 13.2, 14.2 en 15.2, is het besluit van 17 juli 2024 genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en met artikel 3:2 van de Awb. Het in 15.2 vastgestelde gebrek is al hersteld.
17. Voor de gebreken, geconstateerd onder 13.2 en 14.2, heeft de raad de Afdeling verzocht zelf in de zaak te voorzien. Die mogelijkheid is op de zitting met partijen besproken, waarbij door partijen ook is ingestemd met de voorstellen voor de wijzigingen zoals aangedragen door de raad. Omdat voor het gebrek, geconstateerd onder 10.3, echter niet is verzocht zelf in de zaak te voorzien, en die mogelijkheid op de zitting ook niet is besproken, kan de Afdeling voor wat betreft dit gebrek niet zelf in de zaak voorzien.
17.1. Gelet hierop en met het oog een spoedige beslechting van het geschil, ziet de Afdeling aanleiding om de raad op te dragen om binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak zowel het gebrek geconstateerd onder 10.3 als de gebreken onder 13.2 en 14.2 te herstellen.
De raad kan het onder 10.3 geconstateerde gebrek herstellen door artikel 19.7 van de planregels bijvoorbeeld zo te wijzigen en aan te vullen dat daarin ook is bepaald dat er, overeenkomstig de eisen van het Waterschap Drents Overijsselse Delta zoals blijkt uit de watertoets, 80 mm (statische) waterberging gerealiseerd wordt, voordat het water afstroomt.
De raad kan het onder 13.2 geconstateerde gebrek herstellen door de planregels op grond waarvan zorgwoningen mogelijk gemaakt worden uit het plan te verwijderen.
De raad kan het onder 14.2 geconstateerde gebrek herstellen door in de planregels een voorwaardelijke verplichting over geluidwerende maatregelen voor de parkeergarage op te nemen.
17.2. De raad moet de Afdeling en de andere partijen de uitkomst meedelen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendmaken en mededelen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. Op een gewijzigd of nieuw besluit blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. De Afdeling verwijst in dat verband naar haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, onder 25.4.
18. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
19.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Deventer op om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak:
- met inachtneming van overwegingen 10.3, 13.2, 14.2, 17.1 en 17.2 de in deze tussenuitspraak omschreven gebreken te herstellen en;
- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, mr. H.J.M. Besselink en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
1076
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Chw bestemmingsplan Senzora-terrein
Artikel 8.1
Ter plaatse van de functie Verkeer is toegelaten:
a. […]
d. parkeervoorzieningen;
e. […]
o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - inrit parkeergarage' tevens een inrit tot een ondergrondse parkeergarage;
met de daarbij behorende voorzieningen.
Artikel 9.1
Ter plaatse van de functie Wonen is toegelaten:
a. […]
b. zorgwoningen, uitsluitend indien omgevingsvergunning is verleend zoals bedoeld in artikel 9.2.1 sub a;
[…]
Artikel 9.2.1
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in
a. artikel 9.1 sub b en worden toegestaan dat gronden worden gebruikt ten behoeve van zorgwoningen.
Artikel 9.2.2
De in artikel 9.2.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a. het straat- en bebouwingsbeeld;
b. de woonsituatie;
c. de verkeersveiligheid;
d. de milieusituatie;
e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
f. de parkeersituatie;
g. de sociale veiligheid.
Artikel 10.1
Ter plaatse van de functie 'Wonen - Senzora' is toegelaten:
a. het wonen, in gestapelde en niet-gestapelde vorm al dan niet in combinatie met:
1. een beroep of bedrijf aan huis conform het gestelde in artikel 19.3 en kleinschalige kinderopvang conform het gestelde in artikel 19.4;
b. zorgwoningen, uitsluitend indien omgevingsvergunning is verleend zoals bedoeld in artikel 10.2.1;
met dien verstande dat:
c. het maximum aantal wooneenheden binnen de functie 'Wonen - Senzora' niet meer mag bedragen dan 119;
d. niet minder dan 20% van het totale toekomstige aantal woningen in het plangebied als sociale huurwoning mag worden gebouwd;
e. boven 31 meter het wonen, als bedoeld in sub a, niet is toegestaan;
met de daarbij behorende:
f. voet- en fietspaden, verhardingen;
g. verblijfsvoorzieningen, waaronder pleinen;
h. parkeervoorzieningen;
i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - parkeergarage' tevens een ondergrondse parkeergarage;
j. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
k. speelvoorzieningen, waaronder begrepen (jeugd- en jongeren)ontmoetingsplaatsen;
l. voorzieningen ten behoeve van waterberging, bijv. wadi's;
m. nutsvoorzieningen, waaronder ook begrepen voorzieningen ten behoeve (van de opwekking) van duurzame energie;
n. kunstwerken;
o. kunstobjecten.
Artikel 10.2.1
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.1 en worden toegestaan dat gronden worden gebruikt ten behoeve van zorgwoningen.
Artikel 10.2.2
De in artikel 10.2.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a. het straat- en bebouwingsbeeld;
b. de woonsituatie;
c. de verkeersveiligheid;
d. de milieusituatie;
e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
f. de parkeersituatie;
g. de sociale veiligheid.
Artikel 19.5.1
a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden, zoals toegestaan op grond van de onderliggende ruimtelijke plannen, waarbij sprake is van een parkeerbehoefte, wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen , overeenkomstig de 'Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer' (2015) en de 'Nota parkeernormen 2013'.
b. […]
c. Als de onder a bedoelde beleidsregels en de 'Nota parkeernormen' worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
Artikel 19.7.1
a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden binnen de in Hoofdstuk 2 Functieregels opgenomen functies wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate is voorzien in waterberging binnen deze functies overeenkomstig het 'Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026'.
b. Als het 'Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026' wordt gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.
Artikel 19.7.2
Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:
a. het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de in Hoofdstuk 2 Functieregels opgenomen functies zonder dat hierin in voldoende mate is voorzien in waterberging binnen deze functies overeenkomstig het 'Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026'.