202502739/1/A2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2025 in zaak nr. 24/261 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2023 heeft de minister aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 2.700,00 wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (de Arbowet) respectievelijk het Arbeidsomstandighedenbesluit (het Arbobesluit). Verder heeft de minister besloten om een aantal inspectiegegevens openbaar te maken.
Bij besluit van 13 december 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 december 2023 vernietigd wat betreft de hoogte van de boete en het besluit van 13 maart 2023 wat betreft de hoogte van de boete herroepen en de hoogte van de boete vastgesteld op € 2.565,00.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 september 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. dr. Y.R.K. Waterman, rechtsbijstandverlener in Wouwse Plantage, en vergezeld door [persoon A] en [persoon B], en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. S. Martis en P. Vlaarkamp, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft een eenmansbedrijf waarmee hij ook handelt onder de naam [bedrijf]. Dit bedrijf is gespecialiseerd in de professionele verwijdering van asbest. Op 16 november 2022 werden door twee door [appellant] ingehuurde saneerders, te weten een deskundige toezichthouder asbestverwijdering (DTA) en een deskundig asbestverwijderaar (DAV), asbesthoudende golfplaten verwijderd van meerdere bouwwerken aan de [locatie] (het perceel). Op die dag hebben twee arbeidsinspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie op die locatie een inspectie gehouden.
2. Uit het boeterapport van 24 januari 2023 volgt dat de inspecteurs tijdens deze inspectie hebben geconstateerd dat [appellant] artikel 4.45, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 4.50, vijfde lid, van het Arbobesluit heeft overtreden, omdat tijdens de werkzaamheden niet in lijn met het werkplan is gehandeld en onvoldoende preventieve bronmaatregelen zijn genomen. Tijdens de werkzaamheden zijn de verwijderde bouten niet in een emmer geplaatst, werden de asbesthoudende platen niet nat gehouden en werd er geen stofzuiger met HEPA-filter gebruikt.
3. Naar aanleiding van dit boeterapport heeft de minister [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.700,00. Het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar heeft de minister ongegrond verklaard.
Wettelijk kader
4. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 4.50, vijfde lid, en artikel 4.45, eerste lid, van het Arbobesluit zijn overtreden. Volgens de rechtbank heeft [appellant] geen concrete aanknopingspunten aangevoerd waardoor er twijfel bestaat aan de bevindingen in het boeterapport. De minister mocht aan [appellant] daarom een bestuurlijke boete opleggen. Deze boete is volgens de rechtbank ook niet onevenredig hoog. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank ambtshalve de hoogte van de boete gematigd met 5% tot een bedrag van € 2.565,00. Omdat de boete terecht is opgelegd, mocht de minister op grond van de Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen tot openbaarmaking van de gegevens overgaan.
Het hoger beroep en de beoordeling daarvan
6. In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat de minister de boete niet had mogen baseren op het boeterapport van de arbeidsinspecteurs. Volgens [appellant] komen de daarin opgenomen bevindingen niet overeen met de feitelijke situatie ten tijde van de inspectie. Zo wijst [appellant] er onder andere op dat het die dag in de ochtend hevig had geregend waardoor de asbestplaten nog nat waren, waardoor er geen noodzaak was voor het extra bevochtigen van de platen. Anders dan het boeterapport suggereert waren daarnaast volgens [appellant] de asbestplaten op het dak van de schuur al gebroken voorafgaand aan de werkzaamheden. Ook merkt [appellant] op dat het onterecht is dat hij een boete heeft gekregen wegens het niet volgen van het werkplan. Hoewel in het werkplan staat dat de uit de asbestplaten verwijderde bouten in een emmer moeten worden geplaatst en dit tijdens de werkzaamheden niet is gebeurd, zijn de bouten op een zodanige manier verwijderd dat er geen emissie heeft plaatsgevonden. Op de zitting heeft [appellant] in aanvulling hierop benadrukt dat hij vooral de publicatie van de inspectiegegevens als zeer onevenredig ervaart. Deze publicatie heeft ervoor gezorgd dat hij veel werk is misgelopen en dit beperkt de groei van zijn bedrijf. Dit tezamen met zijn ernstige gezondheidsproblemen maakt volgens [appellant] dat het publiceren van de inspectiegegevens onevenredig is en de minister daarvan had moeten afzien.
7. In wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.2.2, 4.3.2, 5 en 6.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog het volgende aan toe.
8. In hoger beroep heeft [appellant] verschillende stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat de asbesthoudende platen ten tijde van de werkzaamheden nat waren als gevolg van hevige regenval eerder op die dag. Zo wijst hij op historische radarbeelden van www.buienradar.nl waaruit volgt dat in de ochtend van 16 november 2022 ’s ochtends een zware regenbui over het noordoosten van het land is getrokken. Ook heeft hij een verklaring overgelegd van de eigenares van het perceel. Zij heeft verklaard dat het ’s morgensvroeg hard heeft geregend en wijst ter ondersteuning van haar verklaring naar een afschrift van het Whatsappgesprek tussen haar en haar partner van die ochtend. Hieruit volgt dat zij om 06:53 uur aan haar partner heeft laten weten dat het op dat moment bij haar hard regende.
8.1. Hoewel uit de overgelegde stukken van [appellant] volgt dat het in de ochtend van 16 november 2022 heeft geregend, bieden deze stukken onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de verklaring van de arbeidsinspecteurs dat de asbestplaten droog waren ten tijde van de inspectie niet voor juist mag worden gehouden. Uit deze verklaringen blijkt namelijk niet dat de platen, anders dan de inspecteurs hebben verklaard, nat waren ten tijde van de inspectie later die dag. Het enkele feit dat het voorafgaand aan de werkzaamheden heeft geregend, betekent niet zonder meer dat de platen nat zijn gebleven tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden.
8.2. Bovendien heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat, ook al zouden de platen ten tijde van de inspectie nog nat zijn geweest, dit [appellant] niet had vrijgesteld van de verplichting om de asbestplaten tijdens de werkzaamheden te bevochtigen. Gezien de slechte conditie van de asbestplaten was een breuk van de platen niet te voorkomen en had [appellant], ook bij nat weer, bronmaatregelen moeten treffen, waaronder bronafzuiging en bevochtiging. Door dit niet te doen, heeft [appellant] in strijd gehandeld met artikel 4.45, eerste lid, van het Arbobesluit. De Afdeling volgt de minister in deze toelichting en in dit standpunt. Het maakt voor deze overtreding niet uit of de platen al gebroken waren voordat de werkzaamheden werden begonnen, of pas tijdens de werkzaamheden braken. In beide gevallen had [appellant] maatregelen moeten treffen om verspreiding van asbest te voorkomen.
9. Daarnaast is niet in geschil dat [appellant] niet in overeenstemming met het werkplan heeft gehandeld. In het werkplan staan de doeltreffende, op de specifieke situatie van de op de desbetreffende arbeidsplaats toegespitste, maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van de betrokken medewerkers. Het niet handelen in overeenstemming met het werkplan levert een overtreding op, te weten overtreding van artikel 4.50, vierde lid, van het Arbobesluit, welke bepaling aan de oplegging van de boete ten grondslag is gelegd. De Afdeling merkt daarbij op dat de boete voor deze overtreding voor meer gedragingen is opgelegd dan alleen het niet plaatsen van de bouten in de emmer. Ook los van de vraag of het veilig was om de bouten tijdelijk in de emmer te bewaren, is dus niet in overeenstemming met het werkplan gehandeld.
10. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de boete niet mocht opleggen, slaagt daarom niet.
11. Omdat de minister terecht een boete heeft opgelegd, mochten op grond van de beleidsregel de inspectiegegevens worden gepubliceerd. Hoewel de Afdeling begrijpt dat de gezondheidssituatie van [appellant] een grote impact op hem heeft, heeft de minister hierin geen aanleiding hoeven zien om af te zien van publicatie van de inspectiegegevens. Van belang is namelijk of de publicatie van de boete onevenredige gevolgen heeft voor het bedrijf dat [appellant] voert. In wat [appellant] verder heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister van de beleidsregel had moeten afwijken. [appellant] heeft de door hem aangevoerde omstandigheden, waaronder de grote terugloop in het aantal klanten, ook niet met stukken onderbouwd.
Conclusie
12. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
13. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. M.M. Kaajan en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
1064