202503895/1/A2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juni 2025 in zaak nr. 24/4477 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 3 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010 en 2011 een compensatie van in totaal € 108.352,00 toegekend en geweigerd aan haar voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2018 een compensatie toe te kennen.
Bij besluit van 18 april 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en haar een vergoeding van € 15.860,00 toegekend voor de over de toeslagjaren 2015 en 2016 verrekende kinderopvangtoeslag.
Bij uitspraak van 18 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juli 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.L.M. Klinkhamer, advocaat in Den Haag, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over compensatie in het kader van de hersteloperatie toeslagen. De compensatieregeling in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht) is bedoeld voor gedupeerden van de toeslagenaffaire.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
3. De Dienst Toeslagen heeft aan de besluiten van 3 maart 2022 ten grondslag gelegd dat bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010, 2011 is gebleken van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht. Voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2018 is dat volgens de Dienst Toeslagen niet gebleken en is evenmin gebleken van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht. Wel heeft de Dienst Toeslagen in het besluit van 18 april 2024 uit coulance aan [appellante] een vergoeding toegekend voor de verrekende kinderopvangtoeslag over de jaren 2015 en 2016 en voor de proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar.
Hoger beroep
4. [appellante] betwist het oordeel van de rechtbank dat de Dienst Toeslagen terecht van het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie is afgeweken. Volgens dat advies zijn de verrekeningen in de jaren 2015 en 2016 in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en hadden deze daarom achterwege moeten blijven. De verrekeningen zijn gebaseerd op een onrechtmatige fraudevordering en hebben geleid tot een verlies van kinderopvang. Volgens [appellante] heeft de rechtbank in dit kader ook ten onrechte overwogen dat zij geen onderbouwing heeft gegeven van haar stelling dat de Dienst Toeslagen het beleid heeft gevoerd om alleen bij opzet en/of grove schuld te verrekenen. Zij verwijst naar de brief van de Nationale ombudsman van 5 februari 2018 en het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015.
4.1. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie. Dat de verrekeningen in 2015 en 2016 hebben plaatsgevonden, betekent niet dat over deze jaren met vooringenomenheid is gehandeld. Uit het systeem van de Wht volgt dat het compensatiebedrag, waarvan de hoogte dwingendrechtelijk en forfaitair wordt bepaald, ook geacht moet worden betrekking te hebben op eventuele schade door verrekening van toeslagschulden in latere toeslagjaren. Een ouder die recht heeft op compensatie en meent dat meer schade is geleden, kan een aanvraag doen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Het eerste onderdeel van het betoog slaagt niet.
4.2. Uit de brief van 5 februari 2018 valt niet af te leiden dat, volgens de Nationale ombudsman, de Dienst Toeslagen ten tijde van belang het beleid heeft gevoerd om slechts bij opzet en/of grove schuld te verrekenen.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] haar standpunt over dat beleid niet toereikend heeft onderbouwd. Verder komt aan het door [appellante] overgelegde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 2 oktober 2015 niet de betekenis toe die zij daaraan hecht. In het vonnis is overwogen dat, volgens het beleid van de Belastingdienst/Dienst Toeslagen, het niet mogelijk is om bij opzet of grove schuld een persoonlijke betalingsregeling te treffen. Dat is een andere situatie dan verrekening waarvan in dit geval sprake is.
Het tweede onderdeel van het betoog slaagt evenmin.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
452-1190
BIJLAGE - Wettelijk kader
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 30. Verrekening
1. De Dienst Toeslagen is bevoegd tot verrekening van een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met een aan hem uit te betalen tegemoetkoming of voorschot daarop, een en ander ongeacht de inkomensafhankelijke regeling die het betreft en ongeacht het berekeningsjaar.
[…]
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 2.1. Compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
Artikel 2.2. Componenten compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag
De compensatie bestaat uit:
a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
b. een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond van artikel 40 of 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag;
c. een bedrag voor materiële schade;
d. een bedrag voor immateriële schade;
e. een bedrag voor invorderingskosten;
f. een bedrag voor proceskosten;
g. een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag.
Artikel 2.3. Hoogte compensatie en aanvullende compensatie voor aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is gelijk aan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met:
a. een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente; of
b. een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, is gelijk aan het bedrag van de bestuurlijke boete dat is betaald.
3. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel c, is gelijk aan de som van 25% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, en 25% van het bedrag van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel d, is ongeacht het aantal berekeningsjaren waarop de compensatie betrekking heeft, gelijk aan € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar, met dien verstande dat het bedrag niet hoger is dan de som van de bedragen die overeenkomstig het eerste lid voor de berekeningsjaren zijn vastgesteld, zonder de verminderingen.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel e, is gelijk aan de kosten die door de Dienst Toeslagen in rekening zijn gebracht en zijn betaald voor invorderingshandelingen in verband met de beschikking, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, met inbegrip van betaalde invorderingsrente.
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel f, is een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, dat is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding.
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel g, wordt berekend over het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en verminderd met rente die is vergoed op grond van een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan.
8. De bedragen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, worden vermeerderd met 1%.
9. Het bedrag van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is de aanvullende werkelijke schade, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, vermeerderd met 1%.