ECLI:NL:RVS:2026:5670

ECLI:NL:RVS:2026:5670

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 202504979/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat de aanvraag van [appellant] om subsidie voor de kosten van energiebesparende of energieopwekkende maatregelen afgewezen. [appellant] heeft op 6 juni 2023 een aanvraag gedaan om subsidie op grond van de Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning Groningenveld. In de Regeling is opgenomen dat de minister maximaal € 4.000,00 subsidie verleent voor onder meer verduurzamingsmaatregelen van eigenaren van woningen die fysieke schade hebben als gevolg van gaswinning. Bij besluit van 24 augustus 2023, gehandhaafd bij besluit van 19 maart 2024, heeft de minister de aanvraag afgewezen. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Regeling komen de kosten voor subsidie in aanmerking indien deze zijn gemaakt ter voldoening aan een contractuele verplichting die is aangegaan vóór de indiening van de aanvraag, maar na de datum waarop een schaderapport of een concept daarvan is uitgebracht door een schade-expert in opdracht van het IMG. Een schade-expert heeft op 18 februari 2021 de woning van [appellant] opgenomen en daarvan vervolgens rapport uitgebracht. De facturen van 8 september 2018 en 17 november 2018 zijn van vóór het schaderapport. Dat betekent dat de kosten niet subsidiabel zijn.

Uitspraak

202504979/1/A2.

Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 13 augustus 2025 in zaak nr. 24/1728 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat.

Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de minister de aanvraag van [appellant] om subsidie voor de kosten van energiebesparende of energieopwekkende maatregelen afgewezen.

Bij besluit van 19 maart 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 september 2026, waar [appellant], vergezeld van [persoon], en de minister, vertegenwoordigd door mr. G. Baarsma en E.J. Brouwer van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft op 6 juni 2023 een aanvraag gedaan om subsidie op grond van de Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning Groningenveld. In de Regeling is opgenomen dat de minister maximaal € 4.000,00 subsidie verleent voor onder meer verduurzamingsmaatregelen van eigenaren van woningen die fysieke schade hebben als gevolg van gaswinning.

2. [appellant] heeft bij zijn aanvraag facturen van 8 september 2018 en 17 november 2018 ingediend voor de kosten van meerdere verduurzamingsmaatregelen aan zijn woning. Verder heeft hij gewezen op een rapport van een schade-expert dat is opgesteld na de opname van zijn woning op 18 februari 2021 in opdracht van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG).

3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Besluitvorming

4. Bij besluit van 24 augustus 2023, gehandhaafd bij besluit van 19 maart 2024, heeft de minister de aanvraag afgewezen. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Regeling komen de kosten voor subsidie in aanmerking indien deze zijn gemaakt ter voldoening aan een contractuele verplichting die is aangegaan vóór de indiening van de aanvraag, maar na de datum waarop een schaderapport of een concept daarvan is uitgebracht door een schade-expert in opdracht van het IMG. Een schade-expert heeft op 18 februari 2021 de woning van [appellant] opgenomen en daarvan vervolgens rapport uitgebracht. De facturen van 8 september 2018 en 17 november 2018 zijn van vóór het schaderapport. Dat betekent dat de kosten niet subsidiabel zijn.

Andere subsidie van € 10.000,00

5. [appellant] heeft naar aanleiding van de hoorzitting in bezwaar een nieuwe subsidieaanvraag gedaan voor andere uitgevoerde werkzaamheden aan zijn woning, op grond van de Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen. De minister heeft bij apart besluit van 21 mei 2024 die aanvraag toegekend en hem een subsidie van € 10.000,00 verleend. Dit besluit maakt verder geen onderdeel uit van deze zaak.

Uitspraak van de rechtbank

6. De rechtbank heeft overwogen dat de aanvraag van [appellant] van 6 juni 2023 niet voldoet aan artikel 3, tweede lid, van de Regeling. De Regeling biedt geen ruimte aan de minister om af te wijken van de voorwaarden. Verder is het besluit op bezwaar van de minister van 19 maart 2024 niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Hoger beroep

7. [appellant] voert aan dat hij de rechtbank heeft verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting van zijn beroep, omdat hij verhinderd was. De rechtbank heeft niet beslist op het verzoek en zij heeft de zitting van 19 juni 2025 laten doorgaan. [appellant] was daarom niet aanwezig op de zitting, terwijl hij daaraan had willen deelnemen.

7.1. Ingevolge artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht worden partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen. Volgens artikel 2.13, tweede en derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, zoals dat gold van 1 januari 2025 tot en met 30 juni 2025, moet de partij die na de uitnodiging voor de zitting om uitstel van de zitting verzoekt, dat verzoek onder aanvoering van gewichtige redenen schriftelijk, tijdig en zo mogelijk onderbouwd met bewijsstukken indienen. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken. De partij moet in het verzoek om uitstel zo mogelijk verhinderdata opnemen. De rechtbank moet binnen een week na ontvangst van dit verzoek beslissen.

7.2. De rechtbank heeft partijen bij brief van 4 april 2025 uitgenodigd voor de zitting van 19 juni 2025. De ambulant begeleider van [appellant], [persoon], heeft bij e-mail van 9 mei 2025 de rechtbank verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank heeft [appellant] bij brief van 12 mei 2025 gevraagd of hij [persoon] wenst te machtigen om namens hem op te treden en om, in dat geval, een machtiging in te dienen. Ook heeft de rechtbank [appellant] verzocht om te bevestigen dat hij verhinderd is op 19 juni 2025. [appellant] heeft bij brief van 16 mei 2025, die volgens de door de rechtbank op de brief aangebrachte stempel is ontvangen op 19 mei 2025, de juistheid van de e-mail van [persoon] bevestigd. Hij heeft ook aangegeven dat [persoon] hem vertegenwoordigt. De rechtbank heeft hierop niet gereageerd en namens [appellant] is niemand verschenen op de zitting van 19 juni 2025.

7.3. De brief van [appellant] van 16 mei 2025 moet, gelet op de eerdere correspondentie van de rechtbank en [persoon], worden aangemerkt als (de bevestiging van) een verzoek om uitstel van de zitting. Door uitspraak te doen zonder te beslissen op het verzoek, heeft de rechtbank in strijd met artikel 2.13, derde lid, van het Procesreglement gehandeld. Hierdoor wist [appellant] niet of de zitting doorgang zou vinden en heeft hij niet daaraan kunnen deelnemen.

7.4. Het betoog slaagt. Reeds hierom is het hoger beroep gegrond en moet de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd. Zoals met partijen besproken op de zitting van de Afdeling, zal zij de zaak niet terugverwijzen naar de rechtbank maar zal zij zelf de zaak afdoen. [appellant] heeft op de zitting van de Afdeling de gelegenheid gehad om zijn zaak volledig toe te lichten.

Afwijzing van de aanvraag

8. [appellant] voert aan dat de minister hem het verkeerde aanvraagformulier heeft gestuurd. Hij wilde toen al een subsidie van € 10.000,00 aanvragen op grond van de Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen. Dat de minister hem bij besluit van 21 mei 2024 die subsidie alsnog heeft verleend, neemt niet weg dat de afwijzing van zijn aanvraag om de subsidie van € 4.000,00 onterecht is. Omdat de woning van [appellant] buiten het contourengebied viel, had het nog geen zin om eerder een aanvraag om schadevergoeding in te dienen. Hij kon het schaderapport dus niet eerder verkrijgen. Het contourengebied was te strikt gehanteerd en niet realistisch. Sinds 1 juli 2021 hanteert het IMG een effectgebied dat aanzienlijk ruimer is dan het contourengebied van voorheen. Het is in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat [appellant] niet in aanmerking komt voor de subsidie, terwijl aanvragers die binnen het contourengebied vielen wel daarvoor in aanmerking komen.

8.1. Niet in geschil is dat de aanvraag van [appellant] niet voldoet aan artikel 3, tweede lid, van de Regeling. Dat betekent dat de kosten van de verduurzamingsmaatregelen, zoals opgenomen in de facturen van 8 september 2018 en 17 november 2018, niet subsidiabel zijn. Wat er verder ook zij van de veranderde omvang van het door het IMG gehanteerde effectgebied van schade die is veroorzaakt door gaswinning, is dat geen reden om de kosten alsnog subsidiabel te achten. [appellant] heeft er namelijk voor gekozen om eerder al, onafhankelijk van de vaststelling van de schade in het schaderapport, zijn woning te verduurzamen. [appellant] heeft verder niet onderbouwd dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft ook niet gewezen op gelijke gevallen.

8.2. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] ongegrond verklaren. Het besluit van de minister van 19 maart 2024 blijft in stand.

10. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 13 augustus 2025 in zaaknr. 24/1728;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. veroordeelt de minister van Economische Zaken en Klimaat tot de vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 171,40, toe te rekenen aan reis- en verblijfkosten;

V. gelast dat de minister van Economische Zaken en Klimaat het door [appellant] in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.

w.g. Blomberg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Schuurman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

1100

Bijlage - Relevante regels

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:56

Na afloop van het vooronderzoek worden partijen ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.

Procesreglement bestuursrecht rechtbanken

[Geldend van 01-01-2025 t/m 30-06-2025]

Artikel 2.13

[…]

2. Als een partij na de uitnodiging voor de zitting om uitstel van de zitting verzoekt, dient deze dit verzoek onder aanvoering van gewichtige redenen schriftelijk, tijdig en zo mogelijk onderbouwd met bewijstukken in. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken. De partij moet in het verzoek om uitstel zo mogelijk verhinderdata opnemen.

3. De rechtbank beslist binnen een week na ontvangst van dit verzoek.

[…]

Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning Groningen

[Geldend van 01-02-2024 t/m 30-06-2024]

Artikel 3

[…]

2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies, komen de kosten, bedoeld in het eerste lid, voor subsidie in aanmerking, indien deze zijn gemaakt ter voldoening aan een contractuele verplichting die is aangegaan vóór de indiening van de aanvraag, doch na de datum waarop een schaderapport of een concept daarvan is uitgebracht door een schade-expert in opdracht van een in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, b of c genoemde instantie of een aanbod is gedaan voor een vergoeding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel d.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Schuurman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand