ECLI:NL:RVS:2026:5674

ECLI:NL:RVS:2026:5674

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 202502072/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein aan [appellant A] een omgevingsvergunning verleend voor het maken van een uitweg aan de [locatie 1] in IJsselstein. Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college aan [appellant A] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo verleend voor het maken van een uitweg bij de woning van [appellanten] aan de [locatie 1] in IJsselstein. Hiertegen hebben [partij] en anderen, allen wonend aan de [locatie 2], bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft het college hun bezwaar ongegrond verklaard.

Uitspraak

202502072/1/R4.

Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in IJsselstein,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 14 maart 2025 in zaak nr. 24/5826 in het geding tussen:

[partij] en anderen, allen wonend in IJsselstein,

en

het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein.

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college aan [appellant A] een omgevingsvergunning verleend voor het maken van een uitweg aan de [locatie 1] in IJsselstein.

Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft het college het door [partij] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2025 heeft de rechtbank het door [partij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 augustus 2024 vernietigd, het besluit van 18 augustus 2022 herroepen, bepaald dat de omgevingsvergunning wordt geweigerd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] en anderen hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 september 2026, waar [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Vogel, zijn verschenen. Ook zijn op de zitting [partij] en anderen, in de persoon van [partij] A] en [partij B], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend in mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college aan [appellant A] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo verleend voor het maken van een uitweg bij de woning van [appellanten] aan de [locatie 1] in IJsselstein. Hiertegen hebben [partij] en anderen, allen wonend aan de [locatie 2], bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft het college hun bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het besluit van 20 augustus 2024 vernietigd, het besluit van 18 augustus 2022 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente IJsselstein (APV), zoals dit luidde ten tijde van belang, verplicht tot weigering van de vergunning.

[appellanten] zijn het hiermee niet eens en hebben daarom hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Bespreking hoger beroep

4. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV verplicht tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning. Volgens hen mocht het college zich op het standpunt stellen dat zich geen strijd met deze bepaling voordoet, omdat het niet nodig is om de openbare parkeerplaats die verloren gaat door de uitweg te behouden. [appellanten] betogen daarnaast dat het in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde relativiteitsvereiste in de weg stond aan vernietiging van het besluit van 20 augustus 2024 wegens strijd met artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV.

Ter motivering van deze betogen verwijzen [appellanten] naar wat het college in zoverre in het besluit van 20 augustus 2024 en in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.

4.1. Niet in geschil is dat een openbare parkeerplaats verloren gaat door het maken van de uitweg. Onbestreden is verder dat er geen noodzaak bestaat voor het maken van de uitweg.

Het college heeft zich in het besluit van 20 augustus 2024 en in beroep bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat dit niet maakt dat de omgevingsvergunning geweigerd moet worden. Het begrip "noodzaak" in artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV moet volgens het college zo worden uitgelegd dat dit betrekking heeft op het behoud van de openbare parkeerplaats die verloren gaat als gevolg van de uitweg, niet op de uitweg zelf. Volgens het college noopt artikel 14, derde lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet tot die uitleg, omdat daaruit volgt dat de gemeente als wegbeheerder het maken van uitwegen in beginsel moet toestaan. Het college heeft zich in beroep bij de rechtbank daarnaast op het standpunt gesteld dat uit artikel 14, derde lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet volgt dat artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV slechts strekt tot bescherming van het belang van de gemeente als wegbeheerder. Het strekt volgens het college niet mede tot bescherming van de belangen van [partij] en anderen als buren, zodat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het besluit van 20 augustus 2024.

4.2. De rechtbank is het college terecht niet gevolgd in deze standpunten. Weliswaar heeft het college beoordelingsruimte bij de uitleg van artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV, maar die beoordelingsruimte gaat niet zover dat het daarin opgenomen begrip "noodzaak" zo kan worden uitgelegd dat het betrekking heeft op het behoud van de openbare parkeerplaats die verloren gaat als gevolg van de uitweg. De tekst van artikel 2:12, tweede lid, onder b, biedt geen ruimte voor die uitleg. Niet het behoud van de openbare parkeerplaats moet op grond van die tekst noodzakelijk zijn, maar het vervallen daarvan ten behoeve van de uitweg. Wat het college naar voren heeft gebracht over artikel 14, derde lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet, daargelaten de juistheid daarvan, kan niet leiden tot een uitleg in strijd met de tekst van artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV. Artikel 14, derde lid, aanhef en onder II, van de Wegenwet is ook niet relevant voor de toepassing van het relativiteitsvereiste. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de in artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV opgenomen norm kennelijk niet (mede) strekt tot bescherming van de belangen van [partij] en anderen als (directe) buren van het perceel waar de uitweg is gelegen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Grinsven

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.2

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

(…)

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,

(…)

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

(…)

Artikel 2.18

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Algemene plaatselijke verordening gemeente IJsselstein, zoals deze luidde ten tijde van belang

Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

Wegenwet

Artikel 14

(…)

3. De rechthebbende op en de onderhoudplichtige van een weg of een tot den weg behoorenden berm of een tot den weg behoorende bermsloot hebben bovendien te dulden:

I. de uitvoering van alle werken tot onderhoud of verbetering van den weg;

II. de uitvoering van alle werken vereischt voor aansluiting van wegen en uitwegen;

III. het aanwezig zijn, plaatsen en onderhouden van voorwerpen, boven, op en in den weg, of den daartoe behoorenden berm of de daartoe behoorende bermsloot ten behoeve van het verkeer over den weg, van de onder I en II omschreven werken en van de uitvoering daarvan.

(…)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand