202205260/1/R4 en 202205261/1/R4.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellante sub 1] gevestigd in Kootwijk, gemeente Barneveld,
2. Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn (de Stichting), gevestigd in Apeldoorn,
appellanten,
tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (de rechtbank) van 25 juli 2022 in zaken nrs. 22/1877, 22/1878, 22/2021 en 22/2023 in de gedingen tussen onder meer:
1. De Stichting
2. [wederpartij A], en [wederpartij B] ([wederpartij A en B]), allen wonend in Kootwijk,
en
het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.
Procesverloop
Bij besluit van 10 maart 2022 heeft het college aan [appellante sub 1] een legaliserende omgevingsvergunning verleend voor twee paddocks, een buitenrijbaan, hekwerken en lichtmasten op het perceel [locatie 1] in Kootwijk (het perceel).
Bij uitspraken van 25 juli 2022 heeft de rechtbank de door de Stichting en [wederpartij A en B] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 10 maart 2022 vernietigd.
Tegen deze uitspraken heeft [appellante sub 1] hoger beroep ingesteld.
De Stichting en [wederpartij A en B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichting heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college en [appellante sub 1] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.
Bij besluit van 2 april 2024 heeft het college opnieuw aan [appellante sub 1] een legaliserende omgevingsvergunning verleend voor twee paddocks, een buitenrijbaan, hekwerken en lichtmasten.
De Stichting en [wederpartij A en B] hebben gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 28 mei 2025 heeft het college de op 2 april 2024 verleende omgevingsvergunning gewijzigd.
De Stichting heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Stichting heeft een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn ingediend.
De Afdeling heeft de zaken gelijktijdig op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. S. Oord, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, vergezeld door [persoon A] en [persoon B], de Stichting, vertegenwoordigd door mr. L. Mohammad, advocaat in Amsterdam, [gemachtigde A],[gemachtigde B] en [gemachtigde C], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.C.H. Schrömbges, vergezeld door S. Wijnberger, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante sub 1] exploiteert een paardenhouderij op het perceel, dat grenst aan Natura 2000-gebied de Veluwe. Op het perceel zijn in elk geval sinds 2005/2006 onder meer twee paddocks, een buitenrijbaan van 5.555 m², hekwerken en lichtmasten aanwezig, zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Bij het besluit van 10 maart 2022 heeft het college een legaliserende omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten "bouwen" en "gebruiken in strijd met het bestemmingsplan" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo.
Op het perceel geldt onder meer het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (het bestemmingsplan). Het perceel heeft onder andere de enkelbestemmingen "Agrarisch-Paardenhouderij", "Agrarisch" en "Natuur" en ter plaatse van een deel van één paddock de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie".
[wederpartij A en B] wonen op de [locatie 2] en [locatie 3] in Kootwijk in de directe nabijheid van de paardenhouderij.
Blijkens haar statuten heeft de Stichting als doel om de natuur, het milieu en het landschap te beschermen in de gemeente Apeldoorn en omliggende gemeenten.
3. De rechtbank heeft het besluit van 10 maart 2022 vernietigd vanwege een zorgvuldigheidsgebrek. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de omgevingsvergunning nieuw gebruik toestaat, omdat de buitenrijbaan en paddocks niet eerder waren vergund. Anders dan het college stelt, leidt dit nieuwe gebruik tot een toename van verkeersbewegingen, omdat derden met eigen paard, auto en paardentrailer naar het terrein komen. Het college heeft geen rekening gehouden met de toename van de verkeersbewegingen en daarmee gepaard gaande stikstofdepositie. De rechtbank oordeelt daarom dat niet aannemelijk is gemaakt dat op voorhand kan worden uitgesloten dat er significante effecten plaatsvinden op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in de Veluwe. Hetzelfde geldt (zo begrijpt de Afdeling) voor andere, niet-stikstof gerelateerde effecten op soorten en habitattypen waarvoor de Veluwe is aangewezen.
4. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Beoordeling van het hoger beroep
5. [appellante sub 1] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat zij bij het college van gedeputeerde staten van Gelderland (GS) een natuurvergunning heeft aangevraagd. Alleen al daarom bestond er volgens [appellante sub 1] geen zogenoemde aanhaakplicht voor de natuurtoestemming. Dat betekent - zo begrijpt de Afdeling - dat de gevolgen van het project voor de Veluwe in het kader van de natuurvergunningaanvraag worden beoordeeld en niet in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag. De rechtbank heeft de omgevingsvergunning daarom ten onrechte vernietigd, aldus [appellante sub 1].
[appellante sub 1] betoogt in de tweede plaats dat de rechtbank heeft miskend dat op voorhand kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen kan hebben voor de Veluwe. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank is uitgegaan van een verkeerde referentiesituatie en ten onrechte heeft geoordeeld dat de verkeersbewegingen toenemen, mede door de buitenrijbaan. Volgens [appellante sub 1] moet voor de referentiesituatie worden uitgegaan van de op 6 december 1989 verleende Hinderwetvergunning en maakt een buitenrijbaan daarvan onderdeel uit. Weliswaar noemt de Hinderwetvergunning geen buitenrijbaan en staat deze ook niet op de bijbehorende tekening, maar dat was volgens [appellante sub 1] destijds gebruikelijk. De buitenrijbaan is volgens haar impliciet vergund. Dit betekent volgens [appellante sub 1] dat de verkeersbewegingen en de daarmee gepaard gaande stikstofdepositie en niet-stikstof gerelateerde effecten voor de Veluwe, niet toenemen ten opzichte van de referentiesituatie en dat voor het project dus geen natuurvergunning nodig is. De Stichting tekent verder nog aan dat de rechtbank heeft miskend dat de gevolgen van het beoogde gebruik voor de Veluwe, los van stikstof, al zijn onderzocht in het kader van het bestemmingsplan "Asselseweg II - partiële herziening Buitengebied 2012". Ook om deze redenen is de aanhaakplicht niet van toepassing en heeft de rechtbank de omgevingsvergunning ten onrechte vernietigd, aldus [appellante sub 1].
5.1. De aanhaakplicht houdt het volgende in. Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor bouwen en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, ook een vergunning of ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is, kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-vergunning of ontheffing is aangevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (Bor), de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteiten een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen.
5.2. De Afdeling overweegt dat [appellante sub 1] kort voor de zitting naar voren heeft gebracht dat zij op 27 januari 2021 bij GS een afzonderlijke aanvraag heeft ingediend voor een natuurvergunning, waardoor er geen aanhaakplicht meer zou gelden. [appellante sub 1] heeft de natuurvergunningaanvraag niet overgelegd. Ter onderbouwing heeft zij slechts een besluit van GS van 16 maart 2022 overgelegd waarin staat dat een aanvraag voor een natuurvergunning buiten behandeling wordt gelaten omdat de aanvraag niet compleet is.
De Afdeling oordeelt dat [appellante sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk voorafgaand aan de omgevingsvergunning van 10 maart 2022 een natuurvergunning heeft aangevraagd die betrekking heeft op dezelfde activiteiten als de omgevingsvergunning. Uit het besluit van GS van 16 maart 2022 kan niet worden afgeleid op welke activiteiten die aanvraag zag. [appellante sub 1] heeft geen andere stukken - zoals de aanvraag zelf - overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat zij een natuurvergunning heeft aangevraagd voor de buitenrijbaan en de paddocks. Dit lag wel op haar weg, alleen al omdat in deze procedure uitsluitend [appellante sub 1] beschikt over de benodigde gegevens om haar stelling te onderbouwen. Gelet op het voorgaande gaat de Afdeling ervan uit dat er ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning geen aanvraag voor een natuurvergunning voor het project was gedaan. In zoverre is er geen aanleiding om aan te nemen dat er geen aanhaakplicht gold.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt in zoverre niet.
5.3. Over het betoog dat er geen aanhaakplicht geldt omdat het project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie of niet-stikstof gerelateerde nadelige gevolgen voor de Veluwe ten opzichte van de referentiesituatie, overweegt de Afdeling als volgt.
5.4. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, volgt kort gezegd dat, anders dan de Afdeling voorheen oordeelde, intern salderen niet meer mag worden betrokken bij de beoordeling of significante gevolgen van een project voor een Natura 2000-gebied op voorhand zijn uitgesloten, en dus of een natuurvergunning is vereist of niet. Onder 25.1 van die uitspraak heeft de Afdeling het volgende overwogen over lopende procedures:
"Voor de beoordeling van de aanhaakverplichting als bedoeld in artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Bro, in de gevallen waarin de initiatiefnemer de Wabo-omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit niet heeft aangehaakt bij zijn Wabo-omgevingsvergunning voor een of meer andere activiteiten, geldt het volgende. Bij een beslissing op de aanvraag voor een Wabo-omgevingsvergunning, of bij de beoordeling in (hoger) beroep van een betoog dat de Wabo-omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit ten onrechte niet is aangehaakt bij de aanvraag voor een Wabo-omgevingsvergunning wordt beoordeeld of ten tijde van de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning (dat is altijd voor 1 januari 2024) op grond van de voor deze uitspraak geldende rechtspraak over intern salderen geen vergunning nodig was voor de activiteit waarop de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning ziet. Als de uitkomst van die beoordeling is dat op grond van de voorheen geldende rechtspraak geen natuurvergunning nodig was, dan bestond er ten tijde van de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning geen procedurele verplichting om de Wabo-omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aan te haken bij de aanvraag voor de Wabo-omgevingsvergunning."
5.5. De ontwikkeling leidt volgens de ruimtelijke onderbouwing en de Nota zienswijzen die aan het besluit van 10 maart 2022 ten grondslag zijn gelegd, niet tot het houden van meer paarden en niet tot extra verkeersbewegingen. Geconcludeerd wordt daarom dat ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie of van andere niet-stikstof gerelateerde effecten voor de Veluwe, zodat significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten.
Desgevraagd heeft het college op de zitting aangegeven dat hij voor de referentiesituatie is uitgegaan van de Hinderwetvergunning. Tussen partijen is niet in geschil dat het college terecht van de Hinderwetvergunning is uitgegaan. Partijen verschillen echter van mening of een buitenrijbaan (impliciet) is vergund met de Hinderwetvergunning.
5.6. De Afdeling overweegt dat uit de Hinderwetvergunning en de bijbehorende tekening niet blijkt dat die vergunning een buitenrijbaan omvat. Op de gedetailleerde tekening staan diverse voorzieningen zoals een binnenrijbaan, paardenboxen en een gastank, maar geen buitenrijbaan. De buitenrijbaan is ook niet ingetekend op de overzichtstekening van het terrein.
De stelling van [appellante sub 1] dat het destijds niet gebruikelijk was om een buitenrijbaan te benoemen in een Hinderwetvergunning, terwijl een paardenhouderij van deze omvang logischerwijs een buitenrijbaan heeft, maakt nog niet dat ervan moet worden uitgegaan dat de buitenrijbaan is vergund. De Afdeling volgt [appellante sub 1] daarom niet in het standpunt dat met de Hinderwetvergunning ook (impliciet) een buitenrijbaan is vergund.
Het voorgaande betekent dat, anders dan [appellante sub 1] stelt, de buitenrijbaan geen onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, hoewel de buitenrijbaan en paddocks al (ruim) 20 jaar worden gebruikt, de gevolgen van dat gebruik niet mogen worden betrokken bij het bepalen van omvang van de referentiesituatie. Het college moest voor de beoordeling van de natuurvergunningplicht een vergelijking maken van de gevolgen die zijn toe rekenen aan het beoogde project (de paardenhouderij met buitenrijbaan en paddocks) en de gevolgen die zijn toe te rekenen aan de activiteiten die zijn vergund in de Hinderwetvergunning. Omdat het college de gevolgen van de buitenrijbaan en paddocks wel heeft betrokken in de omvang van de referentiesituatie, heeft hij ten onrechte op basis daarvan geconcludeerd dat de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd niet leiden tot een toename van stikstofdepositie of niet-stikstof gerelateerde nadelige gevolgen voor de Veluwe en dat daarom geen natuurvergunning nodig was die moest aanhaken. Overigens is niet gebleken dat de onderzoeken ten behoeve van het bestemmingsplan "Asselseweg II - partiële herziening Buitengebied 2012", zien op de buitenrijbaan en paddocks. Die voorzieningen maakten ook geen onderdeel uit van dat bestemmingsplan
5.7. Gezien het voorgaande heeft het college onvoldoende onderzocht wat de gevolgen van het project voor de Veluwe zijn, mede met het oog op de beantwoording van de vraag of een aanhaakplicht gold in verband met het gebiedsbeschermingsregime. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat op voorhand kan worden uitgesloten dat er geen significante gevolgen zijn voor de Veluwe. De rechtbank komt terecht tot het oordeel dat het besluit van 10 maart 2022 op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voorbereid.
Het betoog van [appellante sub 1] slaagt ook in zoverre niet.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
6. De Stichting heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellante sub 1] gegrond is. Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft geoordeeld zal het hoger beroep van [appellante sub 1] ongegrond worden verklaard. De voorwaarde voor het incidenteel hoger beroep is dus niet vervuld. Daarmee is het incidenteel hoger beroep vervallen. De Afdeling komt dus niet meer toe aan een inhoudelijke bespreking daarvan. [wederpartij A en B] hebben bij schriftelijk bericht van 17 juli 2026 het door hen ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingetrokken.
Conclusie hoger beroep
7. Het hoger beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank, voor zover aangevallen.
De besluiten van 2 april 2024 en 28 mei 2025
8. Bij besluit van 2 april 2024 heeft het college opnieuw besloten op de aanvraag [appellante sub 1]. Bij de aanvraag is een aangepaste ruimtelijke onderbouwing aangeleverd. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning wederom verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo.
Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van het geding. Dat wil zeggen dat aan de zijde van de Stichting en aan de zijde van [wederpartij A en B] een beroep van rechtswege tegen het besluit van 2 april 2024 is ontstaan.
Bij besluit van 28 mei 2025 heeft het college het besluit van 2 april 2024 gewijzigd door een extra vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning te verbinden. De Stichting is het niet eens met het besluit van 28 mei 2025. Aan de zijde van de Stichting is een beroep van rechtswege tegen het besluit van 28 mei 2025 ontstaan. [wederpartij A en B] hebben desgevraagd meegedeeld dat zij zich kunnen verenigen met dat besluit.
Beoordeling beroepen tegen het besluit van 2 april 2024
Hebben [wederpartij A en B] nog procesbelang?
9. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Als het door de appellant gestelde belang uitsluitend bestaat uit het uitspreken van een proceskostenvergoeding voor het ingestelde rechtsmiddel en/of een vergoeding van het betaalde griffierecht, betekent dat niet dat belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep.
9.1. Uit de brief van [wederpartij A en B] van 11 juni 2025 en hun e-mailbericht van 17 juli 2026 blijkt dat zij zich kunnen verenigen met het besluit van 2 april 2024, zoals dat is gewijzigd bij het besluit van 28 mei 2025. Dat betekent dat [wederpartij A en B] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroep tegen het besluit van 2 april 2024. Zij handhaven hun beroep tegen dat besluit alleen omdat zij een proceskostenvergoeding willen. Nu ook de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding is voor een inhoudelijke beoordeling van het beroep, hebben [wederpartij A en B] geen procesbelang meer. Dit betekent dat hun beroep tegen het besluit van 2 april 2024 niet-ontvankelijk wordt verklaard.
9.2. Aan het einde van deze uitspraak oordeelt de Afdeling over de vergoeding van de proceskosten.
Beoordeling van het besluit van 2 april 2024
Gebiedsbescherming: stikstof
10. De Stichting betoogt dat voor het project een natuurvergunning nodig is en deze niet kan worden verleend omdat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat er significante effecten plaatsvinden op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in de Veluwe. Zij voert daartoe (kort samengevat) aan dat de stikstofberekeningen die aan het besluit van 2 april 2024 ten grondslag liggen gebaseerd zijn op onjuiste uitgangspunten. De Stichting stelt in dat verband - kort samengevat - dat het college ten onrechte meent dat het project niet leidt tot een toename van de vervoersbewegingen. De Stichting tekent verder aan dat onduidelijk is of nu wel of niet is aangehaakt.
10.1. Zoals uiteengezet onder 5.1, is het moment van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning bepalend voor de vraag of er een aanhaakplicht geldt als bedoeld in artikel 2.2aa van het Bor. [appellante sub 1] heeft op 7 november 2022 bij GS (opnieuw) een natuurvergunning aangevraagd. Ook deze aanvraag heeft zij niet overgelegd. De Afdeling maakt uit de schriftelijke uiteenzetting van het college en het rapport "Toelichting Stikstofberekeningen, Ecologisch onderzoek en Versterkingsplan" van 21 maart 2024 (het rapport van Locis) op dat de paddocks, buitenrijbaan, hekwerken en lichtmasten onderdeel uitmaken van die aanvraag. Gelet hierop en aangezien de Stichting dit niet betwist, gaat de Afdeling ervan uit dat [appellante sub 1] vóór het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning van 2 april 2024 een natuurvergunning heeft aangevraagd. Dat betekent dat - anders dan ten tijde van het besluit van 10 maart 2022 - er geen aanhaakverplichting gold als bedoeld in artikel 2.2aa van het Bor.
10.2. Of de natuurvergunning kan worden verleend, komt te zijner tijd aan de orde in het besluit van GS op die aanvraag en eventuele procedures over dat besluit. Los daarvan mag het college geen omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan indien het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het gebiedsbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat.
In het rapport van Locis is onderzocht of het project leidt tot een toename van stikstofdepositie op de Veluwe. Het college heeft dit rapport en de bijbehorende stikstofberekeningen ten grondslag gelegd aan het besluit van 2 april 2024. Het rapport van Locis gaat ervan uit dat het aantal en type paardrijlessen en -trainingen niet verandert ten opzichte van de referentiesituatie. Het enige verschil is dat de paardrijlessen en -trainingen in de beoogde situatie veelal op de buitenrijbaan plaatsvinden in plaats van op de binnenrijbaan. Dat betekent dat het aantal en type vervoersbewegingen ongewijzigd blijft ten opzichte van de referentiesituatie, aldus Locis. In dit rapport staat verder dat de paddocks sowieso niet leiden tot een toename van het aantal vervoersbewegingen omdat deze er alleen zijn voor het buiten kunnen laten bewegen van paarden die in de stallen zijn. De conclusie van Locis is dat de gevraagde omgevingsvergunning geen nadelige effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe.
10.3. De Afdeling stelt vast dat het rapport van Locis als uitgangspunt neemt dat de binnenrijbaan en de buitenrijbaan niet gelijktijdig maar alternatief worden gebruikt en het aantal lessen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. De Afdeling kan de redenering van Locis volgen dat bij zo’n bedrijfsmatige invulling van de vergunde activiteiten, de vervoersbewegingen en daarmee de stikstofdepositie niet toenemen. Het college heeft het rapport van Locis dus aan de omgevingsvergunning ten grondslag mogen leggen. Dat er ook andere bedrijfsmatige invullingen mogelijk zijn die juist tot een toename van de activiteiten (en stikstofdepositie) leiden, leidt niet tot een ander oordeel. In het kader van de uitvoerbaarheidstoets is in dit geval voldoende dat de extra voorzieningen die op grond van de omgevingsvergunning worden toegestaan niet noodzakelijkerwijs leiden tot extra activiteiten met gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe. De Afdeling komt daarom niet toe aan de gedetailleerde kritiek van de Stichting over het aantal vervoersbewegingen dat in het rapport van Locis als uitgangspunt is genomen.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college op voorhand had moeten inzien dat het gebiedsbeschermingsregime van de Wnb aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
10.4. Wat de Stichting verder heeft aangevoerd, namelijk dat het college ten onrechte opnieuw geen passende beoordeling heeft gemaakt en geen verklaring van geen bedenkingen van GS nodig heeft geacht, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer. Datzelfde geldt voor zover de Stichting onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, betoogt dat ten onrechte in de voortoets intern is gesaldeerd met de referentiesituatie.
Gebiedsbescherming: niet stikstof
11. De Stichting betoogt dat voor het project een natuurvergunning nodig is en deze niet kan worden verleend omdat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat er significante niet-stikstof gerelateerde nadelige gevolgen voor de Veluwe zijn. Zij voert daartoe aan dat de effectbeoordeling die is uitgevoerd voor het project gebrekkig is. Daarin zijn - zo begrijpt de Afdeling - ten onrechte de gevolgen van de paddocks en buitenrijbaan betrokken in de referentiesituatie. Volgens de Stichting moest echter een vergelijking worden gemaakt van de gevolgen die zijn toe te rekenen aan de Hinderwetvergunning, waarvan de paddocks en buitenrijbaan geen onderdeel uitmaken, en de gevolgen die zijn toe te rekenen aan de beoogde situatie. Niet is onderkend dat de vervoersbewegingen ten opzichte van de referentiesituatie in de beoogde situatie toenemen, zo betoogt de Stichting. De Stichting wijst er verder op dat in de effectenbeoordeling rekening is gehouden met bestaande verstoringen op de Veluwe door onder meer het bestaande gebruik van de paardenhouderij (reeds van voor het jaar 2000) mee te nemen. Volgens haar mocht met dat bestaande gebruik van de paardenhouderij echter geen rekening worden gehouden, aangezien het niet gaat om legaal bestaand gebruik.
11.1. De Afdeling stelt voorop dat, ook voor de gestelde niet-stikstof gerelateerde nadelige gevolgen voor de Veluwe geldt dat deze primair worden beoordeeld in het kader van een besluit van GS op de natuurvergunningaanvraag en eventuele procedures over dat besluit. In het kader van de omgevingsvergunning van 2 april 2024 is wel een uitvoerbaarheidstoets aan de orde zoals omschreven onder 10.2.
Voor de niet-stikstof gerelateerde nadelige gevolgen verwijst het rapport van Locis naar de effectenbeoordeling in het kader van de Wnb die Natuurbank Overijssel voor het project heeft uitgevoerd. De resultaten van die effectenbeoordeling zijn neergelegd in het rapport "Quickscan natuurwaardenonderzoek Paardrijdbak en paddocks [locatie 1] - Kootwijk" (de Quickscan). Het college heeft de Quickscan ten grondslag gelegd aan het besluit van 2 april 2024. Uit de Quickscan volgt, kort samengevat, dat het gebruik van de buitenrijbaan en paddocks een verstorend effect kan hebben op de Veluwe waarbij onder meer kan worden gedacht aan verstoringseffecten als geluid, licht, optische verstoringen door het gebruik van auto’s, verlichting, en stemgeluid van bezoekers. Het aantal vervoersbewegingen neemt door het project niet toe. De conclusie van de Quickscan is dat de gevraagde omgevingsvergunning geen nadelige gevolgen heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe.
11.2. De Afdeling stelt vast dat in de Quickscan de gevolgen die zijn toe te rekenen aan de referentiesituatie en de gevolgen die zijn toe te rekenen aan de beoogde situatie met elkaar worden vergeleken. Anders dan de Stichting betoogt gaat die beoordeling er niet vanuit dat de paddocks en buitenrijbaan onderdeel uitmaken van de referentiesituatie. Over de vervoersbewegingen heeft de Afdeling onder 10.3 al overwogen dat zij de redenering kan volgen dat er een bedrijfsmatige invulling van de vergunde activiteiten mogelijk is waarbij de vervoersbewegingen niet toenemen. De Stichting heeft verder niet onderbouwd welk bestaand gebruik - anders dan de buitenrijbaan en de paddocks - van de paardenhouderij (reeds van voor het jaar 2000) niet legaal is en om die reden ten onrechte zou zijn betrokken bij de vaststelling van de referentiesituatie.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college op voorhand had moeten inzien dat het gebiedsbeschermingsregime van de Wnb aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat.
Het betoog slaagt niet.
Soortenbescherming
12. De Stichting betoogt dat het college zich ook niet mocht baseren op de Quickscan voor wat betreft het aspect soortenbescherming, omdat dat rapport onzorgvuldig is en de daarin getrokken conclusies onjuist zijn. Het college heeft daarom, zo begrijpt de Afdeling, onvoldoende onderzocht of er een aanhaakplicht gold in verband met het soortenbeschermingsregime in de Wnb, aldus de Stichting. Zo bestrijdt zij de conclusie in de Quickscan dat essentieel foerageergebied van broedvogelsoorten en vleermuizen niet wordt aangetast. Door de buitenrijbaan en paddocks is voormalig foerageergebied verloren gegaan en de Stichting vindt het aannemelijk dat broedvogels daardoor geen gebruik meer zullen maken van vaste rust- en nestplaatsen in de omgeving. Ten aanzien van vleermuizen staat in de Quickscan dat het onderzoeksgebied, gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en ruim voldoende vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving, niet wordt beschouwd als essentieel foerageergebied. De Stichting betwist die conclusie en stelt dat de Quickscan had moeten uitgaan van de inrichting en het beheer van vóór de buitenrijbaan en paddocks. Zij voert ten slotte aan dat in de Quickscan niet is onderkend dat het gebruik van de buitenrijbaan en paddocks een groter gevaar oplevert voor amfibieën ten opzichte van de oude situatie zonder die voorzieningen.
12.1. In hoofdstuk 6 van de Quickscan is uiteengezet welke beschermde soorten in het onderzoeksgebied te verwachten zijn. Het gaat onder meer om door de Stichting genoemde broedvogels, vleermuizen en amfibieën. Vervolgens is in de Quickscan voor onder meer deze soorten een effectbeoordeling gemaakt. De conclusie is dat door de voorgenomen activiteiten de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor deze soorten niet afneemt. Uit de Quickscan volgt dat vogelsoorten het onderzoeksgebied uitsluitend benutten als foerageergebied. Vermoedelijk nestelen er vogelsoorten in de beplanting in de omgeving van het onderzoeksgebied, maar deze mogelijke potentiële nestlocaties blijven onaangetast, aldus de Quickscan. Het onderzoeksgebied wordt verder beschouwd als geschikt foerageergebied voor vleermuizen, maar gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en aangezien er ruim voldoende vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving is, is het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied. Daarnaast benutten amfibieën het onderzoeksgebied mogelijk incidenteel als foerageergebied, maar zij bezetten er geen rustplaatsen. Het onderzoeksgebied wordt niet beschouwd als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker, en het is geen geschikt voortplantingshabitat. De Quickscan komt tot de slotsom dat geen nader onderzoek nodig is en dat geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd van de verbodsbepalingen in de Wnb over soortenbescherming.
12.2. In wat de Stichting aanvoert ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat het college de Quickscan niet ten grondslag mocht leggen aan zijn standpunt dat geen aanhaakplicht gold in verband met het soortenbeschermingsregime in de Wnb. Daarbij betrekt de Afdeling dat de Stichting niet aan de hand van een tegenrapport van een deskundige of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat de conclusies in de Quickscan onjuist zijn. De enkele stelling dat bepaalde passages in de Quickscan onjuist zouden zijn is onvoldoende om daaraan te twijfelen.
Het betoog van de Stichting slaagt niet.
Strijd met de structuurvisie Buitengebied Barneveld
13. De Stichting betoogt dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van strijd met de door de raad van de gemeente Barneveld op 21 september 2011 vastgestelde Structuurvisie Buitengebied Barneveld 2011 (Structuurvisie). Daarbij gaat het haar opnieuw om het aspect stikstof. Zij tekent aan dat het college ten onrechte ervan uitgaat dat ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op de Veluwe. Dus concludeert het college volgens haar ten onrechte dat de Structuurvisie niet aan de uitvoering van het project in de weg staat.
13.1. In de Structuurvisie wordt op verschillende plaatsen gewezen op het natuurbeschermingsregime dat de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. In wat de Stichting aanvoert ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat dat regime en daarmee de Structuurvisie aan het besluit van 2 april 2024 in de weg staat. De Afdeling verwijst naar wat zij hiervoor heeft geoordeeld onder 10.3.
Het betoog van de Stichting slaagt niet.
Strijd met het bestemmingsplan
14. De Stichting betoogt dat sprake is van verdergaande strijd met het bestemmingsplan dan in het besluit van 2 april 2024 is onderkend. Volgens haar wordt de buitenrijbaan niet gebruikt ten behoeve van een paardenhouderij maar ten behoeve van een manege. Dat betekent volgens haar dat het beoogde gebruik van de buitenrijbaan niet past binnen de enkelbestemmingen "Agrarisch - Paardenhouderij" en "Agrarisch". Volgens de Stichting is sprake van manege-activiteiten omdat de buitenrijbaan wordt gebruikt om te trainen voor wedstrijden en dus ten behoeve van de paardensport. Daarbij noemt ze nog dat de Hinderwetvergunning van 6 december 1989 uitgaat van een manege.
14.1. Op grond van artikel 4.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" bestemd voor een gebruiksgerichte paardenhouderij. Uit artikel 4.5.1, tweede lid, van de planregels volgt dat gronden met die bestemming mogen worden gebruikt voor een paardrijbak, mits die paardrijbak wordt gebruikt ten dienste van de paardenhouderij en wordt voldaan aan de andere eisen uit die bepaling.
Op grond van artikel 3.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" onder meer bestemd voor een agrarisch bedrijf en het weiden van paarden en/of pony’s ten behoeve van een gebruiksgerichte paardenhouderij of manege. Artikel 3.5.1, aanhef en onder d, van de planregels volgt dat gronden met die bestemming mogen worden gebruikt als paardrijbak, mits de paardrijbak wordt gebruikt ten behoeve van de paardenhouderij die ligt in een bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Agrarisch - Paardenhouderij", met inachtneming van de regels die in de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" zijn opgenomen voor de paardrijbaan.
Artikel 1.45 van de planregels definieert het begrip ‘gebruiksgerichte paardenhouderij’ als een paardenhouderij die is gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden, het geven van instructie aan derden, het trainen van paarden en uitbrengen in de sport, verhuur van diensten met behulp van paarden en/of de in- en verkoop van paarden, niet zijnde een manege.
14.2. In wat de Stichting aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college verdergaande strijd met het bestemmingsplan had moeten aannemen omdat de buitenrijbaan niet ten behoeve van de paardenhouderij zou worden gebruikt. Gezien de definitie van het begrip ‘gebruiksgerichte paardenhouderij’ valt het trainen van paarden en uitbrengen in de sport daaronder. Anders dan de Stichting betoogt, ziet de Afdeling niet in waarom het gebruik dat van de buitenrijbaan wordt gemaakt om te trainen voor wedstrijden - en dus ten behoeve van de paardensport - daar niet onder valt. Het enkele feit dat de buitenrijbaan wordt gebruikt om te trainen voor wedstrijden, maakt nog niet dat sprake is van een manege. De Afdeling merkt nog op dat niet doorslaggevend is dat de Hinderwetvergunning spreekt over een manege.
Het betoog van de Stichting slaagt niet.
Verklaring van geen bedenkingen
15. De Stichting betoogt dat voor het besluit van 2 april 2024 ten onrechte een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad ontbreekt. Volgens haar past de ontwikkeling niet binnen een van de categorieën gevallen waarvoor raad van de gemeente Barneveld heeft bepaald dat zo’n verklaring niet is vereist. Anders dan het college meent is in dit geval geen sprake van een project met naar aard en omvang niet ingrijpende wijzigingen van de functie van onbebouwde gronden. Zij verwijst in dit verband naar haar beroepsgronden over gebieds- en soortenbescherming en strijd met het bestemmingsplan.
15.1. De raad van de gemeente Barneveld heeft bij besluit van 8 november 2017 een lijst vastgesteld met categorieën gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is. De lijst geeft invulling aan artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Categorie 16 en 17, onder het kopje "Projecten in landelijk gebied", van deze lijst luiden:
"16 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
(Bouw)projecten voor bouwwerken, geen gebouw zijnde.
17 Onbebouwde gronden
Projecten voor naar aard en omvang niet ingrijpende wijzigingen van de functie onbebouwde gronden, niet ten behoeve van bouwen."
15.2. In wat de Stichting aanvoert ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat de voorziene ontwikkeling valt onder categorie 16 en 17. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een project met naar aard en omvang niet ingrijpende wijzigingen van de functie van onbebouwde gronden. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het college heeft toegelicht dat gaat om een buitenrijbaan en paddocks voor de paardenhouderij op gronden waarvan het grootste deel voorheen overeenkomstig de geldende bestemmingen werd gebruikt voor het weiden van paarden en pony’s. Ook mocht het college betrekken dat met name de grootte van de buitenrijbaan afwijkt van het bestemmingsplan. Verder bestaat binnen categorie 17 geen ruimte om te betrekken wat de Stichting aanvoert over gebieds- en soortenbescherming, nu dat niet van belang is voor de vraag of de functie van onbebouwde gronden naar aard en omvang ingrijpend worden gewijzigd.
Het betoog van de Stichting slaagt niet.
Natuurversterkingsplan
16. De Stichting betoogt dat het project in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland (Omgevingsverordening). Daartoe voert zij aan dat het college zich niet mocht baseren op het "Versterkingsplan [locatie 1] Kootwijk" van Natuurbank Overijssel van 20 juli 2023 (Versterkingsplan). Volgens de Stichting gaat het Versterkingsplan eraan voorbij dat de aanleg van de buitenrijbaan en paddocks ten opzichte van het eerdere agrarische gebruik een zogenoemde negatieve verliesfactor impliceert, zo voert de Stichting aan. Anders gezegd hebben die een negatieve invloed op de kernkwaliteiten van de Groene ontwikkelingszone, wat niet is onderkend.
16.1. De buitenrijbaan en paddocks zijn in de Omgevingsverordening (versie van 2 januari 2024) aangewezen als Groene ontwikkelingszone (GO). Op grond van artikel 5:20 van de Omgevingsverordening zijn nieuwe ontwikkelingen binnen de GO alleen toegelaten, wanneer uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat
16.2. Bij het besluit van 2 april 2024 is het Versterkingsplan als bijlage 9 bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Het college heeft onder verwijzing daarnaar toegelicht dat de omgevingsvergunning is verleend in overeenstemming met de regels uit de Omgevingsverordening over de GO. In het Versterkingsplan staat dat de projectlocatie onderdeel is van de GO waarvoor de kernkwaliteiten van het deelgebied Kootwijk gelden. Daaruit volgt dat onderzoek heeft plaatsgevonden conform de "Regels versterking Groene ontwikkelingszone" (versterkingsregels) die als bijlage bij artikel 5:20 van de Omgevingsverordening is opgenomen. In het Versterkingsplan heeft een berekening plaatsgevonden waarbij de verlies-, impact- en versterkingsfactor tegen elkaar zijn afgezet. In het Versterkingsplan staat dat de buitenrijbaan en paddocks reeds bestaan en dat achteraf niet is vast te stellen of bestaande landschapselementen verdwenen zijn als gevolg van de aanleg. Verder staat er dat het aannemelijk is te veronderstellen dat de ondergrond voorheen bestond uit agrarische cultuurgrond. De verliesfactor is daarom bepaald op nul. Verder zijn in het Versterkingsplan versterkingsmaatregelen opgenomen in de vorm van een stobbenwal, takkenril, nesten voor de kerk- en bosuil, twee insectenhotels, natuurlijk bos, bloem- en faunarijk grasland en een scheer- of struweelhaag. De aanleg en instandhouding hiervan is geborgd in het tweede voorschrift bij de omgevingsvergunning. De versterkingsmaatregelen leveren opgeteld een positief resultaat op. In het Versterkingsplan wordt daarom geconcludeerd dat het project zorgt voor een versterking van de kernkwaliteiten van de GO.
16.3. De Afdeling ziet geen reden voor het oordeel dat sprake is van strijd met de Omgevingsverordening. Het Versterkingsplan is een deugdelijke onderbouwing voor het standpunt van het college. Daarin is de verliesfactor bepaald in overeenstemming met de versterkingsregels. In de versterkingsregels staat bij stap 1 dat de verliesfactor wordt berekend met tabel 1 ‘Verliesfactor’. In die tabel wordt agrarische cultuurgrond niet benoemd als verliesfactor. In het Versterkingsplan is de verliesfactor voor het verdwijnen van agrarische cultuurgrond door de buitenrijbaan en paddocks daarom bepaald op nul. De Stichting heeft niet onderbouwd dat de verliesfactor niet is bepaald conform de eisen uit de Omgevingsverordening.
Het betoog van de Stichting slaagt niet.
Conclusie besluit van 2 april 2024
17. Gelet op het voorgaande is het beroep van de Stichting tegen het besluit van 2 april 2024 ongegrond.
Beoordeling van het besluit van 28 mei 2025
18. Bij besluit van 28 mei 2025 heeft het college het besluit van 2 april 2024 gewijzigd door een derde vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning van 2 april 2024 te verbinden. Dat voorschrift luidt:
"3. Het gebruik volgens deze omgevingsvergunning is alleen toegestaan op voorwaarde dat er maximaal 1.920 gemotoriseerde voertuigen per jaar van en naar de bedrijfslocatie mogen komen in verband met paardrijlessen en paardrijtrainingen, waarbij geldt dat:
a. deze voertuigen door de bedrijfseigenaar/-exploitant op kenteken met datum in een registratie bijgehouden dienen te worden;
b. voertuigen die samenhangen met de stalling van (pension)paarden op de bedrijfslocatie buiten beschouwing blijven;
c. de voertuigen gebruik zullen maken van de inritten zoals beschreven is in de toelichting op de stikstofberekeningen, versie 21 maart 2024, opgenomen onder bijlage 1 van de ruimtelijke onderbouwing."
19. De Stichting betoogt dat het college voorafgaand aan het nemen van het besluit van 28 mei 2025 een ontwerpbesluit ter inzage had moeten leggen.
19.1. De Afdeling stelt vast dat het toevoegen van het derde vergunningvoorschrift geen wijziging van de aanvraag behelst. Er bestaat reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college opnieuw een ontwerpbesluit had moeten nemen en ter inzage had moeten leggen.
Het betoog van de Stichting slaagt niet.
20. De Stichting betoogt dat het derde vergunningvoorschrift rechtsonzeker is, omdat volgens haar onduidelijk is of in totaal 1.920 gemotoriseerde voertuigen per jaar zijn toegestaan van en naar de paardenhouderij of twee keer dat aantal.
20.1. In wat de Stichting aanvoert ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat het derde vergunningvoorschrift rechtsonzeker is. Daarin staat namelijk duidelijk vermeld dat maximaal 1.920 gemotoriseerde voertuigen per jaar "van en naar" de bedrijfslocatie mogen komen. Dat zijn dus maximaal 1.920 voertuigen en 3.840 verkeersbewegingen per jaar.
Het betoog van de Stichting slaagt niet.
21. De Stichting voert hetzelfde aan als in haar beroep tegen het besluit van 2 april 2024, zoals hiervoor onder 10 is besproken. Zij voert verder aan dat het derde vergunningvoorschrift over het maximaal toegestane aantal verkeersbewegingen niet in overeenstemming is met de stikstofberekeningen die ten grondslag liggen aan het besluit van 2 april 2024. In dat voorschrift wordt namelijk uitgegaan van maximaal 30 paardrijlessen en -trainingen per week terwijl de stikstofberekeningen uitgaan van maximaal 40 paardrijlessen en -trainingen per week.
21.1. Het college heeft toegelicht dat met het besluit van 28 mei 2025 een extra voorschrift is verbonden aan de omgevingsvergunning van 2 april 2024. Met dat derde vergunningvoorschrift wordt het maximaal aantal verkeersbewegingen in verband met de paardrijlessen en -trainingen die op de locatie worden gegeven begrensd tot maximaal 30 paardrijlessen en -trainingen per week. Dit is gedaan om geuite zorgen van omwonenden weg te nemen en aanvullende zekerheid te bieden dat de stikstofdepositie niet zal toenemen.
21.2. Zoals de Afdeling hiervoor onder 10.3 heeft overwogen slaagt het betoog van de Stichting onder 10 niet. De Afdeling stelt verder vast dat door het derde vergunningvoorschrift het aantal paardrijlessen en -trainingen wordt beperkt tot 30 per week. Dit betekent dat in de beoogde situatie sprake zal zijn van een lager aantal paardrijlessen en -trainingen per week dan waarvan is uitgegaan in de stikstofberekeningen. Niet valt daarom in te zien waarom het college dit voorschrift niet mocht toevoegen aan de omgevingsvergunning.
Het betoog van de Stichting slaagt niet.
Conclusie besluit van 28 mei 2025
22. Gelet op het voorgaande is het beroep van de Stichting tegen het besluit van 28 mei 2025 ongegrond.
Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
23. De Stichting heeft verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
23.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroepschrift van de Stichting ontvangen op 12 april 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim vijf maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
Proceskosten
24. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden voor het beroep van de Stichting.
De Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden die de Stichting heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
25. Voor het beroep van Van den Braken-van Leersum tegen het besluit van 2 april 2024 geldt dat moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de appellant(en) is tegemoetgekomen. Indien zich een dergelijke grond voordoet is op grond van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling mogelijk (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665).
25.1. In dit geval heeft het college naar aanleiding van de beroepsgronden van [wederpartij A en B] bij besluit van 28 mei 2025 een herstelbesluit genomen. Gelet hierop is het college aan [wederpartij A en B] tegemoetgekomen. Dit betekent dat het college de bij Van den Braken-van Leersum in verband met haar beroep tegen het besluit van 2 april 2024 opgekomen proceskosten moet vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2022 in zaken nrs. 22/1877, 22/1878, 22/2021 en 22/2023, voor zover aangevallen;
II. verklaart het beroep van [wederpartij A] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 2 april 2024, met kenmerk 310569, niet-ontvankelijk;
III. verklaart het beroep van Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 2 april 2024, met kenmerk 310569, ongegrond;
IV. verklaart het beroep van Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld van 28 mei 2025, met kenmerk 1228849, ongegrond;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij [wederpartij A] en anderen in verband met de behandeling van hun beroep tegen het besluit van 2 april 2024 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn een schadevergoeding van € 500,00 te betalen;
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Stichting Werkgroep Milieuzorg Apeldoorn in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Veldwijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
912-1070
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Wet natuurbescherming
Artikel 2.7
[…]
2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.
[…]
Artikel 2.8
1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvragen van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
[…]
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
Artikel 2.7
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om omgevingsvergunning worden ingediend.
[…]
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
[…]
3˚ in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…]
Artikel 2.27
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.
[…]
Besluit omgevingsrecht
Artikel 2.2aa
Als categorie activiteiten bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:
a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend;
[…]
Artikel 6.5
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
[…]
3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
[…]
Omgevingsverordening Gelderland (versie van 2 januari 2024)
Artikel 5.20 (beschermen Groene ontwikkelingszone)
1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat:
a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en
b. de samenhang niet verloren gaat.
2. De versterking wordt bepaald aan de hand van de bijlage Versterking Groene ontwikkelingszone.
Artikel 5.23 (versterkingsplan)
Als de Groene ontwikkelingszone wordt versterkt op grond van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel a, bevat het omgevingsplan dat de activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt een versterkingsplan, dat in ieder geval inzicht geeft in:
a. hoe verzekerd is dat de versterking wordt uitgevoerd;
b. hoe monitoring van en rapportage over de uitvoering van de versterking plaatsvinden;
c. hoe de natuur wordt ingericht en beheerd gedurende de ontwikkeltijd;
d. de locatie waar de nadelige gevolgen voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone optreden; en
e. de locatie waarop de versterking plaatsvindt.
De Regels GO
Bijlage bij artikel 5.20.
Het bevoegd gezag bepaalt de versterkingsopgave en versterkingsmaatregelen voor een nieuwe activiteit of ontwikkeling in de Groene ontwikkelingszone aan de hand van onderstaande stappen. De genoemde tabellen zijn ook als rekentabel beschikbaar zie . Hier staat ook een uitgebreide handleiding voor het invullen van de tabellen.
Stap 1: de versterkingsopgave
● De versterkingsopgave wordt uitgedrukt in punten op basis van een verliesfactor en een impactfactor.
● De verliesfactor wordt berekend met tabel 1 Verliesfactor.
● De verliesfactor kwantificeert het verlies aan natuur- of landschapselementen die bijdragen aan de kernkwaliteiten van het betreffende deel van de Groene ontwikkelingszone, als gevolg van de nieuwe activiteit of ontwikkeling.
● De impactfactor wordt berekend met tabel 2 Impactfactor.
● De impactfactor kwantificeert de impact van de nieuwe activiteit of ontwikkeling op actuele en potentiële natuur- en landschapswaarden als gevolg van fysiek ruimtebeslag, verstoring van de omgeving door bijvoorbeeld geluid, licht en fysieke aanwezigheid en ligging.
● Als de versterkingsopgave niet bepaald kan worden aan de hand van de tabellen, onderbouwt het bevoegd gezag de versterkingsopgave die gehanteerd wordt.
[…]
Stap 2: de versterkingsmaatregelen
● De versterkingsmaatregelen worden uitgedrukt in punten.
● De versterkingsmaatregelen worden bepaald met tabel 3 Versterkingsmaatregelen.
● De versterkingsmaatregelen kwantificeren de maatregelen die genomen kunnen worden om de Groene ontwikkelingszone te versterken. De versterkingsmaatregelen, uitgedrukt in punten, moeten meer zijn dan de versterkingsopgave, uitgedrukt in punten.
● Als de versterkingsmaatregelen niet bepaald kunnen worden aan de hand van de tabellen, onderbouwt het bevoegd gezag de versterkingsmaatregelen die gehanteerd worden.
● Het bevoegd gezag kan in onvoorziene gevallen gemotiveerd afwijken van tabel 3 Versterkingsmaatregelen als het toepassen ervan leidt tot een onredelijke uitkomst.
[…]
Regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012"
Artikel 1 Begrippen
[…]
1.45 gebruiksgerichte paardenhouderij
een paardenhouderij die is gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden, het geven van instructie aan derden, het trainen van paarden en uitbrengen in de sport, verhuur van diensten met behulp van paarden en/of de in- en verkoop van paarden, niet zijnde een manege;
[…]
1.72 manege
een sportvoorziening bestaande uit één of meerdere (binnen)rijbanen, welke
in hoofdzaak is gericht op het bieden van paardrijmogelijkheden en het geven
van instructie aan derden met gebruik van paarden, al dan niet met een
horecavoorziening die is gericht op het verstrekken van dranken en
etenswaren aan bezoekers van de manege;
[…]
Artikel 3 Agrarisch
Artikel 3.5 Specifieke gebruiksregels
Artikel 3.5.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming
[…]
d. het gebruik van grond als paardrijbak bij overige bestemmingen, mits de paardrijbak wordt gebruikt ten dienste van bewoners van een woning, woongebouw, bedrijfswoning of ‘kleine woning’ die ligt in een bouwvlak of bestemmingsvlak aansluitend aan de paardrijbak met een andere dan een agrarische bestemming, dan wel ten behoeve van de paardenhouderij die ligt in een bestemmingsvlak met de enkelbestemming "Agrarisch - Paardenhouderij", met inachtneming van de regels die in die betreffende andere bestemming zijn opgenomen voor de paardrijbak;
[…]
Artikel 4 Agrarisch - Paardenhouderij
Artikel 4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor "Agrarisch - Paardenhouderij" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. gebruiksgerichte paardenhouderij
[…]
Artikel 4.5 Specifieke gebruiksregels
Artikel 4.5.1 Gebruik overeenkomstig de bestemming
[…]
2. Het gebruik van grond als paardenbak, mits:
a. de paardrijbak wordt gebruikt ten dienste van de paardenhouderij;
b. de paardrijbak ligt binnen het bestemmingsvlak of aansluitend aan het bestemmingsvlak met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.5.1, aanhef en onder d;
[…]