202406462/1/R2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Moergestel, gemeente Oisterwijk,
2. 5Dees B.V., gevestigd in Moergestel, gemeente Oisterwijk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 augustus 2024 in zaak nr. 23/10220 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk.
Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan 5Dees voor het bouwen van elf appartementen met buitenbergingen in Moergestel.
Bij uitspraak van 27 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.
Tegen deze uitspraak heeft 5Dees voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
5Dees en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant sub 1] en 5Dees hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 juli 2026, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door[gemachtigde A], 5Dees, vertegenwoordigd door G. Denissen, bijgestaan door M.A.M. Jonkers, en het college, vertegenwoordigd door L. Oldenhave en R. Brandhorst, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. 5Dees heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor bouwen en het gebruik van gronden in afwijking van het bestemmingsplan om elf appartementen met buitenbergingen te realiseren op de percelen Rootven 16, 18 en 20 in Moergestel. De appartementen hebben een bouwdiepte van 47 cm in afwijking van het bestemmingsplan. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend en het bouwplan is inmiddels gerealiseerd en in gebruik genomen.
[appellant sub 1] woont naast het appartementengebouw aan [locatie 1]. Hij is het niet eens met de verleende vergunning, omdat het bouwplan volgens hem niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
De uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo heeft kunnen verlenen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college zich op basis van de ruimtelijke onderbouwing op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft zij onder meer van belang geacht dat de afwijking van de planregels beperkt is, dat niet is gebleken van onaanvaardbare schaduwwerking door de overschrijding van de bouwdiepte, dat het bouwplan voorziet in een woningbehoefte, voldoet aan de parkeernormen en dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
Toetsingskader
4. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Het hoger beroep van [appellant sub 1]
5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het bouwplan niet aan de parkeernormen voldoet omdat de rekensom op bladzijde 29 van de Nota Parkeernormen niet klopt. Daarnaast heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte niet onderkend dat er onaanvaardbare schaduwhinder optreedt en de bezonningstudie niet voldoende betrouwbaar is. Ook heeft de rechtbank volgens [appellant sub 1] ten onrechte niet onderkend dat het appartementengebouw op zijn grond is gebouwd en er een erfdienstbaarheid rust op het pad tussen het appartementengebouw en zijn woning.
Tot slot stelt [appellant sub 1] dat het verlenen van de vergunning leidt tot rechtsongelijkheid omdat het college een door hem ingediend principeverzoek voor het bouwen van een woning heeft afgewezen maar de omgevingsvergunning voor het bouwplan van 5Dees wel heeft verleend. Ook dit heeft de rechtbank niet onderkend.
6. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8.5, 8.7, 8.8 en 8.9 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt hieraan toe dat zij in de enkele stelling van [appellant sub 1] dat de rekensom op bladzijde 29 van de Nota Parkeernormen onjuist is, geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
De Afdeling voegt hier verder aan toe dat, zoals overwogen onder 4, het college bij elke aanvraag de daarbij betrokken belangen moet afwegen en hem beleidsruimte toekomt bij zijn beslissing om toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid. Het enkele feit dat het college afwijzend heeft besloten op een principeverzoek van [appellant sub 1], betekent niet dat het college geen toepassing aan zijn bevoegdheid mocht geven om in het voorliggende geval een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan.
Conclusie hoger beroep van [appellant sub 1]
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van 5Dees
8. 5Dees heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Nu het hoger beroep van [appellant sub 1], gelet op het voorgaande, ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van 5Dees vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan komt de Afdeling niet toe.
Proceskosten
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
932-1191