202500013/1/A3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Diervriendelijk Nederland/Een DIER Een VRIEND (de Stichting), gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2024 in zaak nr. 23/4236 in het geding tussen:
de Stichting
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Procesverloop
Bij besluit van 15 februari 2022 heeft de minister een verzoek van de Stichting om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels ingewilligd.
Bij besluit van 20 juli 2023 heeft de minister het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard en het besluit van 15 februari 2022 voor het overige in stand gelaten.
Bij uitspraak van 26 november 2024 heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de Stichting hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 mei 2026, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De Stichting heeft verzocht om openbaarmaking van alle documenten over het dossier dat is gevormd naar aanleiding van de verzoeken tot handhaving van 19 oktober 2017 met betrekking tot een kaaswinkel en een aantal margarinemerken met dierlijke ingrediënten die zich presenteren als plantaardig.
2. Met het besluit van 15 februari 2022 heeft de minister het verzoek deels ingewilligd. De minister heeft geweigerd bepaalde persoonsgegevens openbaar te maken, omdat het om medische gegevens van een persoon gaat en dit bijzondere persoonsgegevens zijn. Ook heeft de minister geweigerd om informatie openbaar te maken die herleidbaar is naar de burger en de organisatie namens wie hij de handhavingsverzoeken heeft gedaan, omdat volgens hem het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Verder heeft de minister openbaarmaking van namen van ambtenaren die werken bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit geweigerd, omdat het belang van openbaarheid volgens hem niet opweegt tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ook heeft de minister openbaarmaking geweigerd van informatie over ondernemers, zoals bedrijfsnamen, productnamen en websites waar sprake zou zijn van misleidende voedselinformatie, omdat het belang van openbaarmaking volgens hem niet opweegt tegen het belang van voorkoming van onevenredige benadeling van de ondernemingen waarover de informatie gaat. Tot slot heeft de minister openbaarmaking geweigerd van persoonlijke beleidsopvattingen in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad.
3. Op 1 mei 2022 is de Wob ingetrokken en de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Vanaf die dag is de Woo op het informatieverzoek van toepassing. Met het besluit van 20 juli 2023 heeft de minister, nu op grond van de Woo, het bezwaar van de Stichting gegrond verklaard, omdat hij in een aantal documenten ten onrechte namen van ambtenaren die gemandateerd zijn besluiten te nemen, heeft geweigerd. Ook heeft de minister alsnog de bedrijfsnamen, productnamen en websites van de bedrijven openbaar gemaakt. Ook heeft de minister in een aantal documenten informatie alsnog openbaar gemaakt die hij ten onrechte had geweigerd, omdat deze informatie op grond van de Woo geen persoonlijke beleidsopvattingen zijn. Voor het overige heeft de minister het besluit van 15 februari 2022 in stand gelaten. De Stichting is het daarmee niet eens en heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.
4. De minister heeft in zijn verweerschrift op het beroep van de Stichting meegedeeld dat hij ook de namen van de persoon en de organisatie die de handhavingsverzoeken hebben ingediend alsnog openbaar zal maken. De rechtbank heeft over de initiële weigering om deze informatie openbaar te maken alsnog een oordeel gegeven. De rechtbank heeft hierover geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij openbaarmaking van de namen in eerste instantie heeft geweigerd. Hoewel de minister de zoekslag niet meer kon reconstrueren, heeft de rechtbank geoordeeld dat de zoekslag niet te beperkt kan zijn geweest of heeft plaatsgevonden met te beperkte zoektermen. Ook heeft de rechtbank in de documenten geen aanwijzingen gezien dat de zoekslag onzorgvuldig is geweest. De mededeling van de minister dat er geen andere informatie onder hem berust, is de rechtbank daarom niet ongeloofwaardig voorgekomen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de Stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat er nog andere documenten onder de minister berusten. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister terecht informatie heeft geweigerd, omdat deze buiten de reikwijdte van het verzoek valt. De Stichting is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Hoger beroep
5. De Stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de namen van de persoon en de organisatie die de handhavingsverzoeken hebben ingediend, heeft geweigerd. Zij voert daartoe aan dat de motivering van de minister, dat burgers minder bereid zullen zijn om te verzoeken om handhaving als hun namen openbaar gemaakt kan worden als hierom wordt verzocht, een aanname is die niet is onderbouwd. Verder voert de Stichting aan dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het belang van de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen, ondanks het tijdsverloop, nog steeds zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid. Deze informatie was ten tijde van het besluit op bezwaar al ouder dan vijf jaar, zodat de minister dit uitdrukkelijk bij zijn motivering had moeten betrekken, aldus de Stichting. Tot slot voert de Stichting aan dat de rechtbank het beroep op dit punt gegrond had moeten verklaren, omdat de minister tegemoetgekomen is aan het beroep door te besluiten de namen van de persoon en de organisatie die de handhavingsverzoeken hebben ingediend, alsnog openbaar te maken. Daarbij wijst de Stichting erop dat er wel een besluit tot openbaarmaking is, maar de gevraagde informatie nog steeds niet is verstrekt.
5.1. Tijdens de zitting van de Afdeling hebben beide partijen bevestigd dat de minister inmiddels deze gegevens openbaar heeft gemaakt. Daaropvolgend heeft de Stichting desgevraagd laten weten dat zij deze hogerberoepsgrond handhaaft, omdat zij om principiële redenen een oordeel van de Afdeling hierover wenst. De Afdeling is echter niet geroepen om over louter principiële kwesties een oordeel te geven. De Afdeling is daarom van oordeel dat de Stichting geen belang meer heeft bij een oordeel over de vraag of de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij openbaarmaking van de namen van de persoon en de organisatie die de handhavingsverzoeken hebben ingediend in eerste instantie had geweigerd. Deze informatie is ingevolge de besluitvorming in bezwaar nu openbaar.
5.2. Het betoog behoeft in zoverre geen verdere bespreking.
5.3. Voor zover de Stichting betoogt dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren, overweegt de Afdeling dat de minister de informatie bij wijze van uitzondering alsnog openbaar heeft gemaakt. De minister heeft daarbij uitdrukkelijk meegedeeld dat hij nog steeds achter zijn oorspronkelijke weigering en motivering daarvan staat. De rechtbank was in dit geval dan ook niet gehouden om het beroep op dit onderdeel gegrond te verklaren.
5.4. Het betoog slaagt niet.
Zoekslag
6. De stichting betoogt verder dat er vermoedelijk veel informatie ontbreekt. Volgens De Stichting ontbreekt informatie over de totstandkoming van de besluitvorming op het handhavingsverzoek. Ook ontbreekt informatie over waarom het handhavingsverzoek als melding wordt afgedaan. Verder heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt hoe hij naar de gevraagde informatie heeft gezocht.
6.1. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een document toch onder het bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1736.
6.2. De minister heeft toegelicht dat hij in dit geval niet meer precies kan reconstrueren op welke wijze het onderzoek is verricht en welke zoektermen daarbij zijn gebruikt, omdat de medewerker die het onderzoek heeft gedaan niet meer bij het ministerie werkt. Bij de rechtbank heeft de minister daarentegen wel uitgebreid toegelicht wat de vaste werkwijze was ten tijde van de ontvangst van het Wob-verzoek van de Stichting. Die werkwijze hield in dat een medewerker die was belast met de afhandeling van dergelijke verzoeken een digitale map aanmaakte en uitvraag deed bij allen die mogelijk over documenten beschikten. De gevonden documenten werden vervolgens in die digitale map geplaatst en door deze medewerker beoordeeld. Door het vertrek van de medewerker kan niet meer worden nagevraagd hoe precies is gezocht en is de e-mailbox van de medewerker niet meer raadpleegbaar, aldus de minister. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken die het onderzoek heeft opgeleverd en ziet, net als de rechtbank, daarin aanleiding om niet aan de toelichting van de minister te twijfelen. Omdat het verzoek van de Stichting gaat over een beperkt aantal handhavingsverzoeken en de aangetroffen documenten een grote hoeveelheid aan verschillende documenten betreft, waaronder e-mailberichten van ambtenaren van verschillende ministeries, de ombudsman en documenten die buiten de reikwijdte van het verzoek vallen, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het verzoek te beperkt is opgevat. De toelichting van de minister komt de Afdeling dus niet ongeloofwaardig voor. Het is daarom aan de Stichting om aannemelijk te maken dat er toch meer documenten onder de minister berusten. De Afdeling is van oordeel dat de Stichting daarin niet is geslaagd. De Stichting heeft alleen gesteld dat er documenten ontbreken. Er is evenwel geen enkele aanwijzing dat er informatie ontbreekt over de totstandkoming van de besluitvorming en over waarom het handhavingsverzoek is afgedaan als een melding. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
6.3. Het betoog slaagt niet.
Dubbele documenten
7. Verder betoogt de Stichting dat de minister ten onrechte documenten heeft aangemerkt als dubbele documenten en deze daarom dus ook ten onrechte heeft geweigerd. De Stichting noemt hierbij de documenten 18.1 en 21.1, die hetzelfde zouden zijn als document 24.1. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan, aldus de Stichting.
7.1. De minister heeft een aantal documenten die op de inventarislijst staan vermeld in het geheel niet verstrekt en zich daarover op het standpunt gesteld dat dit dubbele exemplaren betreft. Volgens de minister gaat het om bijlagen bij de verstrekte e-mails, die ook als een bijlage bij een andere e-mail is verstrekt. Dit is vermeld in de kolom ‘soort doc' op de inventarislijst. Op de inventarislijst is ook te lezen met welke bijlage de betreffende bijlage correspondeert en dus ook al openbaar is gemaakt.
7.2. De Afdeling heeft de inventarislijst die de minister bij de besluiten heeft overgelegd, vergeleken met de stukken die de minister heeft overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zij stelt vast dat de minister in de meeste gevallen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het dubbele documenten betreffen. In veel gevallen gaat het om kopieën van de handhavingsverzoeken en bijlagen van e-mailberichten. Dit gaat evenwel niet op voor documenten 18.1 en 21.1. Daarover voert de Stichting terecht aan dat deze niet dezelfde exemplaren en dus geen dubbele documenten betreffen. Deze documenten komen niet met elkaar overeen. De minister heeft deze informatie, voor zover deze afwijkt van het definitieve exemplaar, dan ook ten onrechte geweigerd omdat de informatie al openbaar zou zijn. Het besluit van 20 juli 2023 is daarom in zoverre onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
7.3. Het betoog slaagt.
Informatie buiten de reikwijdte van het verzoek
8. De Stichting betoogt verder dat de minister ten onrechte informatie heeft geweigerd, omdat deze buiten de reikwijdte van het verzoek zou vallen. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat uit het feit dat documenten bij de zoekslag naar voren zijn gekomen en dat deze documenten op de inventarislijst staan, volgt dat de informatie niet buiten de reikwijdte van het verzoek valt. Verder is uit de context van de wel openbaargemaakte informatie af te leiden dat de passages die geweigerd zijn, omdat ze buiten de reikwijdte van het verzoek zouden vallen, kennelijk zijn aangehaald om nadere duiding te geven aan het handhavingsverzoek, waarop het verzoek om informatie ziet. Bovendien biedt de Woo geen grond om informatie te weigeren als deze buiten de reikwijdte van het verzoek valt, zodat de minister deze informatie alleen kan weigeren op een van de uitzonderingen die wel in de Woo zijn genoemd, aldus de Stichting.
8.1. Op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Woo kan eenieder een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
Op grond van het vierde lid van dat artikel, vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.
8.2. Dit betekent dat de verzoeker in beginsel de reikwijdte van het verzoek bepaalt door de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document te benoemen. Als bij het zoeken naar informatie waarop het verzoek ziet meer informatie naar voren komt, betekent dit niet dat deze informatie onder de reikwijdte van het verzoek valt. Het kan ook een indicatie zijn dat het verzoek ruim is uitgezet. Het bestuursorgaan moet beoordelen of de aangetroffen informatie gaat over de genoemde aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document. Als de informatie niet gaat over de genoemde aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, valt de informatie buiten de reikwijdte van het verzoek. Daarbij kan het voorkomen dat een document informatie bevat die binnen de reikwijdte van het verzoek valt, maar dat in datzelfde document ook informatie staat die buiten de reikwijdte van het verzoek valt. Als deze situatie zich voordoet moet het bestuursorgaan wel motiveren, waarom deze informatie buiten de reikwijdte van het verzoek valt. Als een document buiten de reikwijdte van het verzoek valt, hoeft het bestuursorgaan niet te beoordelen of een uitzondering van hoofdstuk 5 van de Woo van toepassing is.
8.3. De Afdeling heeft kennisgenomen van de informatie die de minister niet openbaar heeft gemaakt omdat deze buiten de reikwijdte van het verzoek valt. De Afdeling is daarover van oordeel dat minister dit op juiste gronden heeft gedaan. De Afdeling volgt de Stichting dan ook niet in haar standpunt dat uit de context van de wel openbaargemaakte informatie zou zijn af te leiden dat niet openbaar gemaakte passages, kennelijk zijn aangehaald om nadere duiding te geven aan het handhavingsverzoek waarop het verzoek om informatie ziet.
8.4. Het betoog slaagt niet.
Onbesproken beroepsgrond
9. De Stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte in het geheel niet is ingegaan op haar beroepsgrond dat uit het besluit en de verstrekte documenten in veel gevallen niet blijkt op welke gronden specifieke passages zijn geweigerd.
9.1. De rechtbank heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over deze beroepsgrond. Aan de omstandigheid dat de rechtbank dit heeft nagelaten, hoeven evenwel geen gevolgen te worden verbonden. De Stichting wordt hierdoor niet benadeeld, omdat de Afdeling deze grond alsnog zal beoordelen. De Afdeling overweegt hierover als volgt.
9.2. Zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling, kan, hoewel in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten, daarvan onder omstandigheden worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Als meer dan één weigeringsgrond van toepassing is geacht op een document dat uit verschillende onderdelen bestaat, kan deze uitzondering zich slechts voordoen indien voldoende kenbaar is van welke weigeringsgrond voor welk onderdeel wordt uitgegaan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1046.
9.3. De minister heeft informatie geweigerd met een beroep op meerdere weigeringsgronden en over de toepassing daarvan alleen een algemene motivering gegeven. Op de inventarislijst heeft de minister weergegeven welke weigeringsgronden hij per document heeft toegepast. Voor de meeste documenten gaat het om twee of meer weigeringsgronden. Echter, in de documenten zelf heeft de minister niet per onderdeel aangegeven op welke grond hij de betreffende informatie heeft geweigerd. Omdat de minister in zijn besluitvorming heeft volstaan met een algemene motivering, zonder per onderdeel in de documenten aan te geven op welke gronden deze onderdelen zijn geweigerd, is niet altijd voldoende kenbaar welke weigeringsgrond op welk onderdeel is toegepast. De minister heeft het besluit van 20 juli 2023 daarom onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat de Stichting hierdoor niet is benadeeld. Voor de meeste informatie geldt dat met de motivering van de minister en de inventarislijst die de minister heeft overgelegd uit de context van het document eenvoudig is te achterhalen op grond van welke uitzondering openbaarmaking van de informatie is geweigerd. Voor zover dit niet uit de context is op te maken, overweegt de Afdeling dat dit alleen voorkomt in documenten waarmee de Stichting bekend is, omdat het documenten betreft die van de voormalig bestuurder of de gemachtigde van de Stichting afkomstig zijn.
9.4. Het betoog slaagt niet.
Te lage schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn?
10. Tot slot betoogt de Stichting dat de rechtbank een te lage schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn heeft toegewezen. Zij voert hiertoe aan dat in dit geval de redelijke termijn niet is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift, te weten op 21 maart 2022, maar met de dag dat de rechtbank het beroep heeft ontvangen dat de Stichting heeft ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek op grond van de Wob, te weten op 27 oktober 2020.
11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geldt als uitgangspunt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is (zie onder meer de uitspraak van 17 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1432, onder 7.1). De termijn begint met het instellen van het beroep, maar wanneer tijdens de behandeling van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag alsnog een reëel besluit wordt genomen waartegen een beroep van rechtswege ontstaat, gaat de Afdeling ervan uit dat de termijn aanvangt op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan.
11.1. Dat laatste is in dit geval evenwel niet aan de orde. De minister heeft namelijk geen reëel besluit genomen hangende een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Er is dus ook geen beroep van rechtswege ontstaan tegen dat besluit. De rechtbank is bij de berekening van de redelijke termijn daarom terecht uitgegaan van de dag waarop de minister het bezwaarschrift heeft ontvangen.
11.2. Het betoog slaagt niet.
Te lage proceskostenvergoeding?
12. Tot slot betoogt de Stichting dat de rechtbank een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
12.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1342, hanteert de Afdeling bij de toekenning van een proceskostenvergoeding voor een ter zitting gedaan verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn: één punt voor het ter zitting indienen van het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, met een wegingsfactor 0,5. De rechtbank heeft daarom, weliswaar terecht één punt toegekend, maar ten onrechte een wegingsfactor 0,25 toegepast.
12.2. Het betoog slaagt.
Slotsom
13. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep gegrond. Zij vernietigt het besluit van 20 juli 2023, wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Afdeling zal de minister opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de Stichting, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Dit komt erop neer dat de minister alleen opnieuw een besluit moet nemen over de genoemde dubbele documenten. De Afdeling zal daarvoor een termijn geven en bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
14. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 26 november 2024 in zaak nr. 23/4236;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 20 juli 2023, kenmerk 494-50782;
V. draagt de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van Stichting Diervriendelijk Nederland/Een Dier een Vriend en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;
VII. veroordeelt de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur tot vergoeding van bij Stichting Diervriendelijk Nederland/Een Dier een Vriend in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.203,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan Stichting Diervriendelijk Nederland/Een Dier een Vriend het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt;
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
973