202407975/1/A3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2024 in zaak nr. 24/3938 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2022 heeft de minister een verzoek van [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels afgewezen.
Bij besluit van 27 november 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 mei 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. G.O. Hoeksma, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 28 juli 2021 heeft [appellante] op grond van de Wob de minister verzocht om openbaarmaking van informatie over een handhavingsverzoek dat haar zoon [zoon] op 8 december 2017 heeft ingediend bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In het besluit van 11 maart 2022 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de informatie die [appellante] heeft gevraagd al openbaar is gemaakt met het besluit van 15 februari 2022, kenmerk 20-0393, dat is genomen op grond van een Wob-verzoek van 27 mei 2020 van de Stichting Diervriendelijk Nederland/Een Dier Een Vriend (de Stichting) dat gaat over handhavingsverzoeken van 19 oktober 2017.
2. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 maart 2022. Met het besluit van 27 november 2023 heeft de minister zijn standpunt gehandhaafd dat de informatie die [appellante] heeft verzocht al openbaar is gemaakt bij het besluit van 15 februari 2022. Volgens de minister gaat het om de op de daarbij horende inventarislijst vermelde documentnummers 6, 6.1, 7, 7.1, 13, 14, 18, 24, 24.1, 24.2, 25 en 32.1. Verder heeft de minister [appellante] aangemerkt als belanghebbende bij het besluit van 15 februari 2022. Omdat op 1 mei 2022 de Wob is ingetrokken en deze is vervangen door de Wet open overheid (Woo), is vanaf die dag de Woo op het informatieverzoek van toepassing. De minister heeft het bezwaar van [appellante] daarom aan de hand van de Woo beoordeeld alsof het is gericht tegen het besluit van 15 februari 2022. De minister heeft het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de behandeling van het Wob-verzoek van de Stichting ook alle documenten zijn betrokken die gaan over het handhavingsverzoek van 8 december 2017. Volgens de rechtbank is het aannemelijk dat bij het zoeken naar documenten over het handhavingsverzoek van 19 oktober 2017, waarover het Wob-verzoek van de Stichting gaat, ook de documenten over het handhavingsverzoek van 8 december 2017, waarover het Wob-verzoek van [appellante] gaat, naar voren zijn gekomen. Het handhavingsverzoek van 8 december 2017 is in feite namelijk een herhaling van de handhavingsverzoeken van 19 oktober 2017, aldus de rechtbank. Verder heeft de rechtbank het niet aannemelijk geacht dat er nog documenten over het handhavingsverzoek van 8 december 2017 onder de minister berusten die tot stand zijn gekomen in de periode tussen het Wob-verzoek van de Stichting en het Wob-verzoek van [appellante]. De rechtbank heeft hiertoe van belang geacht dat het oudste document dat is aangetroffen dateert van ruim voor het Wob-verzoek van de Stichting van 27 mei 2020, dat de minister tijdens de bezwaarfase nogmaals heeft gezocht naar documenten en zich welwillend heeft opgesteld bij de behandeling van de Wob-verzoeken. Tot slot heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van 26 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6874, over het beroep van de Stichting dat gaat over haar Wob-verzoek, geoordeeld dat voor zover de beroepsgronden van [appellante] gelijk zijn aan die van de Stichting daarvoor dezelfde beoordeling en motivering geldt. Tot slot heeft de rechtbank een verzoek van [appellante] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen.
Hoger beroep
Overlap met zaak 202500013/1/A3
4. Het hoger beroep van de Stichting, met zaaknummer 202500013/1/A3, dat gaat over de laatstgenoemde uitspraak van 26 november 2024, en dit hoger beroep zijn behandeld op dezelfde zitting van de Afdeling. Een deel van de hogerberoepsgronden die [appellante] heeft aangevoerd zijn gelijk aan de hogerberoepsgronden die de Stichting heeft aangevoerd in het hoger beroep met zaaknummer 202500013/1/A3, omdat die gaan over het besluit van 15 februari 2022 en de daaropvolgende besluiten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5715, deze gronden beoordeeld en dat hoger beroep gegrond verklaard. Die beoordeling geldt ook voor dit hoger beroep, voor zover dit overeenkomt met het hoger beroep van de Stichting. Voor de motivering daarvan verwijst de Afdeling naar de voornoemde uitspraak.
5. [appellante] heeft ook twee hogerberoepsgronden aangevoerd die alleen gaan over het besluit van 27 november 2023. De Afdeling overweegt daarover als volgt.
Is de informatie verstrekt?
6. [appellante] betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft voldaan aan zijn plicht om informatie te verstrekken, ook als deze informatie al openbaar is. Zij voert hiertoe aan dat van de stukken die de minister in het besluit op bezwaar heeft genoemd als betrekking hebbend op de handhavingsverzoeken van 8 december 2017 alleen documenten 6.1, 14, 24 en 32.1 zijn bijgevoegd. De overige documenten ontbreken in de link die de minister heeft opgegeven, aldus [appellante]. Verder voert zij aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om aan haar mee te delen dat het handhavingsverzoek van 8 december 2017 ook was betrokken bij de beantwoording van het verzoek van de Stichting. Ook heeft de minister nagelaten om aan te geven op welke documenten het verzoek [appellante] zag.
6.1. De Afdeling merkt allereerst op dat het verstrekken van informatie die al openbaar is een feitelijke handeling betreft, waartegen geen bezwaar beroep en hoger beroep openstaat (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2055). Als het bestuursorgaan ervoor kiest om de informatie die al openbaar is niet feitelijk bij het besluit te verstrekken, moet de vindplaats van de eerder openbaar gemaakte informatie wel worden meegedeeld, bijvoorbeeld door het opnemen van een link naar de vindplaats ervan (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346). De Afdeling is dan ook van oordeel dat de minister heeft mogen volstaan met het verstrekken van een link naar de betreffende documenten. Dat de link van de minister verwijst naar slechts een deel van de documenten die de minister noemt, maakt dit niet anders. Uit het besluit van 15 februari 2022 en de daarbij horende inventarislijst volgt namelijk dat de ontbrekende documenten volgens de minister dubbele documenten zijn en dat de informatie daarin daarom al openbaar is. Voor zover [appellante] stelt dat de minister ten onrechte niet heeft meegedeeld dat het handhavingsverzoek van 8 december 2017 ook was betrokken bij de beantwoording van het verzoek van de Stichting en dat de minister heeft nagelaten om te motiveren op welke documenten het verzoek van [appellante] zag, mist dit feitelijke grondslag. De minister heeft al in het besluit van 11 maart 2022 meegedeeld dat de gevraagde informatie al openbaar is en daarbij een link naar de vindplaats gegeven. Verder heeft de minister in het besluit van besluit op bezwaar van 27 november 2023 nader gemotiveerd om welke documenten van de inventarislijst die hoort bij het besluit van 15 februari 2022 het gaat.
6.2. Het betoog slaagt niet.
Mist informatie over de periode tussen het verzoek van de Stichting en het verzoek van [appellante]?
7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat er nog documenten over het handhavingsverzoek van 8 december 2017 onder de minister berusten die tot stand zijn gekomen in de periode tussen het Wob-verzoek van de Stichting en het Wob-verzoek van [appellante]. Zij voert daartoe aan dat nu de minister heeft erkend dat er niet is gezocht naar informatie over die periode, hij zich ook niet op het standpunt kan stellen dat het niet aannemelijk is dat er in die periode niets op papier is gezet. Dat zal de minister moeten onderzoeken en dat heeft hij nagelaten, aldus [appellante].
7.1. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een document toch onder het bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1736.
7.2. De Afdeling stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de minister heeft erkend dat hij niet nogmaals heeft gezocht, niet zonder meer aannemelijk maakt dat er toch nog nieuwe documenten zijn opgesteld. Hoewel het in beginsel aan de minister is om te onderzoeken of er nog documenten zijn, ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om te oordelen dat de minister heeft mogen afzien van een nader onderzoek. Uit de stukken volgt namelijk dat de procedure over het handhavingsverzoek, waarvan [appellante] openbaarmaking van de informatie daarover verzoekt, met een uitspraak van 12 mei 2020 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven ten einde is gekomen. In de eerdergenoemde uitspraak van vandaag over het Wob-verzoek van de Stichting dat gaat over hetzelfde handhavingsverzoek, heeft de Afdeling geoordeeld dat de Stichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat er toch meer documenten onder de minister berusten dan de minister in de toelichting heeft aangegeven. [appellante] heeft gedurende deze procedure niets concreets aangevoerd om aannemelijk te maken dat er in de periode tussen het Wob-verzoek van de Stichting op 25 mei 2020 en het Wob-verzoek van [appellante] nieuwe documenten over het handhavingsverzoek van 8 december 2017 zijn opgesteld. De Afdeling ziet daarom geen aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat er toch nog meer documenten onder de minister berusten.
7.3. Het betoog slaagt niet.
Slotsom
8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep gegrond. Zij vernietigt het besluit van 20 juli 2023, wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal de minister opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellante], met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Dit komt erop neer dat de minister alleen opnieuw een besluit moet nemen over de genoemde dubbele documenten. De Afdeling zal daarvoor een termijn geven en bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
9. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 26 november 2024 in zaak nr. 23/4236;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 27 maart 2023, kenmerk 494-51159;
V. draagt de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellante] en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;
VII. veroordeelt de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.203,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aan [appellante] het door haar voor de behandeling van hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G.L. Soetens, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Soetens
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
1072