202502611/1/V6.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
I. de minister van Justitie en Veiligheid,
II. [appellant sub 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025 in zaak nr. 23/6089 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellant sub 2] ingetrokken.
Bij besluit van 1 september 2023 heeft de staatssecretaris het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 29 juli 2021 herroepen en bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.
De staatssecretaris en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 augustus 2025, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.V. de Kort, advocaat in Den Haag, vergezeld door [persoon], en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.F. Wassenaar, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Samenvatting
1. De Afdeling komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris (nu: de minister van Justitie en Veiligheid) bij intrekkingen van het Nederlanderschap wegens een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) geen verboden direct onderscheid maakt naar afkomst of nationale of etnische afstamming.
De Afdeling komt verder tot het oordeel dat bij intrekkingen van het Nederlanderschap op grond van dit artikel, gelezen in samenhang met het achtste lid daarvan, op dit moment in de praktijk wel een indirect onderscheid ontstaat ten nadele van in ieder geval Nederlanders met meerdere nationaliteiten die door hun nationale en etnische afstamming een andere nationaliteit hebben waar zij geen afstand van kunnen doen. Appellant in deze zaak is van die groep een voorbeeld, omdat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. Voor het indirecte onderscheid naar nationale en etnische afstamming dat in de praktijk is ontstaan, bestaat naar het oordeel van de Afdeling echter een objectieve rechtvaardiging. Deze rechtvaardiging is onder meer gelegen in het doel van intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, dat tot uitdrukking brengt dat een betrokkene zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Deze rechtvaardiging is verder gelegen in de plicht voor de Nederlandse staat om staatloosheid te voorkomen.
Daarnaast komt de Afdeling in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is gederadicaliseerd en daarmee geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid. Het hoger beroep van de minister is dan ook gegrond.
1.1. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep gegrond is. Omdat deze voorwaarde wordt vervuld, gaat de Afdeling in deze uitspraak ook in op de hogerberoepsgronden die [appellant sub 2] naar voren brengt. De Afdeling komt tot het oordeel dat deze hogerberoepsgronden niet slagen en dat het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] daarom ongegrond is.
Inleiding
2. [appellant sub 2] is op [geboortedatum] 1987 geboren in Nederland. Hij heeft via zijn ouders de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Op 27 augustus 1996 heeft hij samen met zijn ouders het Nederlanderschap verkregen. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit behouden.
In juli 2013 is [appellant sub 2] via Turkije uitgereisd naar Syrië. Daar heeft hij zich in de periode tot en met 31 december 2015 als strijder aangesloten bij de jihadistische terroristische organisaties Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa.
2.1. De minister heeft het Nederlanderschap van [appellant sub 2] ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). De minister verwijst daarvoor naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2420. Die rechtbank heeft [appellant sub 2] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden voor het medeplegen van het deelnemen aan een terroristische organisatie, meermalen gepleegd, en het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen. Bij arrest van 26 februari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:298, heeft het gerechtshof Den Haag [appellant sub 2] in hoger beroep veroordeeld voor eendaadse samenloop van deelneming aan een terroristische organisatie en het plegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en vier maanden. Deze veroordeling is op 29 april 2021 onherroepelijk geworden. Volgens de minister heeft [appellant sub 2] de essentiële belangen van Nederland ernstig geschaad.
2.2. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het Nederlanderschap bij het besluit van 29 juli 2021. De uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5733, gaat over het op dezelfde dag genomen terugkeerbesluit en uitgevaardigde inreisverbod.
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het hoger beroep van de minister
Is artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN in strijd met het verbod op discriminatie?
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister bij intrekkingen van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN een direct onderscheid maakt op basis van afkomst of nationale of etnische afstamming tussen Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit (monopatriden) en Nederlanders met meerdere nationaliteiten (bipatriden). Een dergelijk direct onderscheid is verboden ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid, van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 21, eerste lid, van het EU Handvest. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat een dergelijk direct onderscheid nooit gerechtvaardigd is in een democratische samenleving. De rechtbank heeft artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN om deze reden onverbindend geacht.
De rechtbank heeft haar oordeel dat de minister in beslissende mate een direct onderscheid maakt op basis van afkomst of nationale of etnische afstamming, geïllustreerd met een fictief voorbeeld van drie vrienden die allen in Nederland zijn geboren en zich alle drie hebben aangesloten bij een terroristische organisatie. X heeft alleen de Nederlandse nationaliteit, Y zowel de Marokkaanse als de Nederlandse nationaliteit en Z zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank bespreekt vervolgens dat de minister alleen de Nederlandse nationaliteit van Y en Z kan intrekken en dat hij hen daarmee ongelijk behandelt ten opzichte van X. Ook bespreekt zij een scenario waarin Z erover nadenkt om afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit, terwijl het voor Y in de praktijk niet mogelijk is om afstand te doen van zijn Marokkaanse nationaliteit. De rechtbank heeft bij haar oordeel verder een rapport van de speciale VN Rapporteur Racisme van 23 oktober 2018 betrokken.
Het betoog van de minister
4.1. De eerste hogerberoepsgrond is gericht tegen het onder 4 weergegeven oordeel. De minister betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN geen enkel onderscheid maakt en dat een eventueel verschil in behandeling het gevolg is van de plicht om staatloosheid te voorkomen. De minister wijst erop dat de verschillen in behandeling in het fictieve voorbeeld het gevolg zijn van de plicht om staatloosheid te voorkomen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de verschillen in behandeling in het fictieve voorbeeld niet het gevolg zijn van de Nederlandse wet- en regelgeving, maar van de nationaliteitswetgeving van de landen genoemd in dat voorbeeld. Omdat hij bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN geen onderscheid maakt op basis van afkomst of nationale of etnische afstamming, handelt hij ook niet in strijd met de door de rechtbank aangehaalde verdragsartikelen die dat verbieden. Hetzelfde geldt voor de door de rechtbank aangehaalde rechtspraak van het EHRM, aldus de minister.
Het oordeel van de Afdeling
4.2. Uit de door de rechtbank aangehaalde artikelen (zie onder 4) volgt dat verboden is: iedere discriminatie van personen, groepen personen of instellingen op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, nationale of maatschappelijke afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd, seksuele gerichtheid of andere status.
Direct onderscheid naar afkomst of nationale of etnische afstamming?
4.3. De Afdeling zal eerst ingaan op de vraag of de minister bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN een verboden direct onderscheid maakt. Verboden direct onderscheid doet zich voor als de minister personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden, verschillend behandelt en dit verschil in behandeling rechtstreeks baseert op een identificeerbare eigenschap of status (zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 24 mei 2016, Biao tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2016:0524JUD003859010, paragraaf 89, en vergelijk de arresten van het Hof van Justitie van 22 januari 2019, Cresco Investigation, ECLI:EU:C:2019:43, punt 51, en 16 juli 2015, CHEZ, ECLI:EU:C:2015:480, punten 88 en 91).
4.4. Zoals de minister terecht betoogt, heeft de Afdeling al eerder geoordeeld dat hij bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN geen verboden direct onderscheid maakt naar nationaliteit. De Afdeling wijst op onder meer haar uitspraak van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3045, onder 6.1 tot en met 6.3. De Afdeling blijft bij dit oordeel.
4.5. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling daarnaast van oordeel dat de minister bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN ook geen direct onderscheid maakt naar afkomst of nationale of etnische afstamming. Voor dit oordeel vindt de Afdeling steun in de bewoordingen van dit artikel. Daarin staat namelijk dat de minister het Nederlanderschap kan intrekken van een persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf. Uit die bewoordingen volgt dat de mogelijkheid van intrekking niet afhankelijk is van afkomst of nationale of etnische afstamming. Dit artikel verwijst dus niet naar de door de rechtbank genoemde gronden van verboden onderscheid. Ook artikel 14, achtste lid, van de RWN maakt geen direct onderscheid naar afkomst of nationale of etnische afstamming. Daarin staat namelijk dat het verlies van het Nederlanderschap geen plaats heeft indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Zoals de minister terecht betoogt, heeft de wetgever deze artikelen neutraal en objectief geformuleerd. De Afdeling wijst hierbij ter vergelijking op het arrest van het Hof van 18 december 2025, Slagelse Almennyttige Boligselskab, Afdeling Schackenborgvænge, ECLI:EU:C:2025:1017, punt 92, waarin het desbetreffende onderscheidende criterium ‘immigranten en hun nakomelingen uit niet-westerse landen’ blijk geeft van een onderscheid naar etnische afstamming, anders dan in dit geval. Zoals de minister terecht betoogt, kan hij artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN toepassen op iedere persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf. Dat hij dit artikel feitelijk alleen kan toepassen op bipatriden, is het gevolg van de daarnaast bestaande verdragsrechtelijke plicht om staatloosheid te voorkomen, vervat in het achtste lid van artikel 14 van de RWN. De Afdeling stelt vast dat de in artikel 14 van de RWN neergelegde systematiek van een opsomming van verliesgronden gekoppeld aan een waarborg om staatloosheid te voorkomen, gelijk is aan de systematiek van artikel 7 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit (EVN). Daarbij heeft het EHRM eerder voor zijn oordeel dat intrekkingen van Belgische, Franse en Deense nationaliteiten niet in strijd waren met artikel 8 van het EVRM, groot gewicht toegekend aan het feit dat de betreffende nationaliteitswetgeving intrekking niet toeliet als dit staatloosheid tot gevolg zou hebben gehad. Zie de arresten van 5 december 2024, El Aroud en Soughir tegen België, ECLI:CE:ECHR:2024:1205JUD002549118, paragrafen 70 en 74, en 25 juni 2020, Ghoumid e.a. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316, paragraaf 50, en de beslissing van 1 februari 2022, Johansen tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2022:0201DEC002780119, paragrafen 60 en 70. Hoewel die arresten en die beslissing gaan over artikel 8 van het EVRM, ziet de Afdeling ook hierin steun voor haar oordeel dat artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, samen gelezen met artikel 14, achtste lid, van de RWN geen direct onderscheid maakt naar afkomst of nationale of etnische afstamming.
4.6. Het door de rechtbank onder 16 van haar uitspraak genoemde fictieve voorbeeld leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de minister terecht betoogt, behandelt hij X, Y en Z niet verschillend wegens hun afkomst of nationale of etnische afstamming. Het verschil in behandeling komt daarentegen voort uit de combinatie van het al dan niet hebben van meerdere nationaliteiten, de nationaliteitswetgeving van andere landen en de plicht om staatloosheid te voorkomen. Daarbij zijn de situaties van X, Y en Z onvoldoende vergelijkbaar. X is monopatride. Y is bipatride en heeft niet de mogelijkheid om afstand te doen van zijn andere nationaliteit. Z is bipatride, maar heeft wel de mogelijkheid om afstand te doen van zijn andere nationaliteit. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM (zie bijvoorbeeld het arrest van 18 februari 1991, Moustaquim tegen België, ECLI:CE:ECHR:1991:0218JUD001231386, paragraaf 49) en het Hof (zie bijvoorbeeld het arrest van 13 februari 2004, Allonby, ECLI:EU:C:2004:18, punten 50 en 57) beschermt het verbod op discriminatie alleen individuen tegen ongelijke behandeling die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Dat is naar het oordeel van de Afdeling in dat fictieve voorbeeld niet het geval. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, baseert de minister het verschil in behandeling dus niet uitsluitend of in beslissende mate op afkomst of nationale of etnische afstamming, zodat geen verboden direct onderscheid bestaat.
4.7. Ook het door de rechtbank onder 17.2 van haar uitspraak aangehaalde rapport van de speciale VN Rapporteur Racisme van 23 oktober 2018 leidt niet tot een ander oordeel. Het rapport bevat namelijk slechts een summiere analyse van het Nederlandse rechtssysteem voor intrekkingen van het Nederlanderschap. Het rapport gaat niet in op de Nederlandse wetgeving, de werking hiervan en de doelen die aan deze wetgeving ten grondslag liggen. Ook bevat het rapport deels onjuiste informatie. Zo veronderstelt het rapport dat intrekking van de Nederlandse nationaliteit een middel is om terrorisme te bestrijden en de nationale veiligheid te vergroten. Dit is echter niet het doel bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN (zie hierna onder 4.13). Ook veronderstelt het rapport dat intrekking van het Nederlanderschap een vorm van bestraffing is. Intrekking van het Nederlanderschap is echter geen bestraffende sanctie. De alinea’s uit het rapport die de rechtbank hierbij heeft aangehaald, gaan verder over de effecten van het Nederlandse rechtssysteem in de praktijk en dus niet over direct, maar over indirect onderscheid. De VN Rapporteur heeft in deze alinea’s dan ook geconcludeerd dat het Nederlandse rechtssysteem in de praktijk het effect heeft dat een onderscheid ontstaat naar nationale en etnische afstamming. Dit ziet de Afdeling ook zo, zij het op andere gronden (zie hierna onder 4.11).
4.8. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN een verboden direct onderscheid maakt naar afkomst of nationale of etnische afstamming tussen Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit en Nederlanders met meerdere nationaliteiten. De rechtbank heeft artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN daarom ook ten onrechte om deze reden onverbindend geacht.
Indirect onderscheid naar afkomst of nationale of etnische afstamming?
4.9. Vervolgens is de vraag aan de orde of zich een verboden indirect onderscheid voordoet. De Afdeling zal dit hierna bespreken.
Waar het gaat om indirect onderscheid wijst de Afdeling er allereerst op dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is dat zich bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN geen indirecte discriminatie naar ras, etnische afkomst of religie voordoet. De Afdeling heeft zich hier niet eerder over uitgelaten.
Verder overweegt zij als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie bijvoorbeeld het arrest van 23 januari 1997, Pastoors, ECLI:EU:C:1997:28, punt 16) en het EHRM (zie bijvoorbeeld het arrest van 4 mei 2001, Hugh Jordan, ECLI:CE:ECHR:2001:0504JUD002474694, paragraaf 154) omvat het verbod op het maken van onderscheid niet alleen openlijke discriminatie, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Verboden indirect onderscheid doet zich in dit geval voor als de toepassing van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, hoewel neutraal geformuleerd, in feite hoofdzakelijk personen met een bepaalde afkomst of nationale of etnische afstamming benadeelt, ook als dat niet de intentie is, tenzij die maatregel zijn rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die geen verband houden met discriminatie. Vergelijk de arresten van het Hof van 16 juli 2015, CHEZ, ECLI:EU:C:2015:480, punten 94, 96, 101 en 111, 22 november 2012, Isabel Elbal Moreno, ECLI:EU:C:2012:746, punten 29 tot en met 32, en 20 oktober 2011, Brachner, ECLI:EU:C:2011:675, punten 56 tot en met 68, en de arresten van het EHRM van 24 mei 2016, Biao, ECLI:CE:ECHR:2016:0524JUD003859010, paragrafen 93, 94, 103, 104 en 114, en 13 november 2007, D.H. en anderen, ECLI:CE:ECHR:2007:1113JUD005732500, paragrafen 184 en 187 tot en met 189.
4.10. Zoals de rechtbank heeft overwogen, verwijst nationale afstamming volgens het Internationaal Gerechtshof (zie bijvoorbeeld het arrest van het Internationaal Gerechtshof van 4 februari 2021, Qatar tegen Verenigde Arabische Emiraten, nummer 172, onder 94; www.icj-cij.org) en het College voor de Rechten van de Mens (zie bijvoorbeeld het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens van 25 april 2013, nummer 2013-52, paragraaf 3.3; www.mensenrechten.nl) naar het land van herkomst of het hebben van een binding met een nationale staat, bijvoorbeeld omdat een betrokkene daar is geboren of opgegroeid of omdat zijn ouders daar zijn geboren of opgegroeid. Uit de rechtspraak van het Hof (zie bijvoorbeeld het arrest CHEZ, punt 46) en het EHRM (zie bijvoorbeeld de arresten van 13 december 2005, Timishev tegen Rusland, ECLI:CE:ECHR:2005:1213JUD005576200, paragraaf 55, en 22 december 2009, Sejdić en Finci tegen Bosnië en Herzegovina, ECLI:CE:ECHR:2009:1222JUD002799606, paragraaf 43) volgt dat etnische afstamming verwijst naar maatschappelijke groepen die worden gekenmerkt door een gemeenschappelijke nationaliteit, stam, religie, taal of culturele en traditionele afkomst en achtergrond, of gemeenschappelijke levensomstandigheden.
4.11. Krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN kan de minister het Nederlanderschap intrekken van iedere persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf. Ingevolge artikel 14, achtste lid, van de RWN heeft verlies van het Nederlanderschap geen plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Hieruit volgt dat de minister het Nederlanderschap van een persoon alleen mag intrekken als die persoon een terroristisch misdrijf heeft gepleegd en als die persoon een tweede nationaliteit heeft. De Afdeling stelt vast dat partijen geen cijfers of statistieken hebben aangedragen waaruit blijkt hoe vaak de minister gebruik heeft gemaakt van zijn in artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN neergelegde bevoegdheid en wat daarbij de feiten en omstandigheden waren, zoals de aard van de terroristische misdrijven of de nationaliteiten van de betrokkenen. De Afdeling heeft zulke cijfers of statistieken zelf niet kunnen achterhalen. Daarom heeft de Afdeling gekeken naar de uitspraken die zij heeft gedaan en de zaken die bij haar aanhangig zijn. Daaruit komt een beeld naar voren dat de minister hoofdzakelijk het Nederlanderschap heeft ingetrokken van personen die via de ouders ook een andere nationaliteit hebben gekregen waar zij geen afstand van kunnen doen. Het gaat hierbij om nationaliteiten van zogeheten C-landen (zie Stcrt. 2024, 30783), dat wil zeggen landen die in hun eigen recht of rechtspraktijk het doen van afstand van nationaliteit onmogelijk maken. Hoewel de wetgever niet de intentie heeft om het Nederlanderschap van in het bijzonder personen die de nationaliteit hebben van een C-land in te trekken, constateert de Afdeling dat artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN op dit moment in feite wel hoofdzakelijk personen benadeelt met zo’n nationaliteit, zoals in dit geval [appellant sub 2], die de Marokkaanse nationaliteit heeft.
De Afdeling neemt op basis van het voorgaande aan dat bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, gelezen in samenhang met het achtste lid, op dit moment in de praktijk een indirect onderscheid ontstaat ten nadele van in ieder geval bipatride Nederlanders die door hun nationale en etnische afstamming een andere nationaliteit hebben waar zij geen afstand van kunnen doen.
Objectieve rechtvaardiging voor indirect onderscheid naar nationale of etnische afstamming?
4.12. Dan is de vraag of voor dit indirecte onderscheid naar nationale of etnische afstamming een objectieve rechtvaardiging bestaat. De Afdeling zal dit hierna bespreken.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer het arrest van 1 maart 2011, Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop VZW e.a., ECLI:EU:C:2011:100, punt 28 en de daar aangehaalde rechtspraak) vereisen het gelijkheidsbeginsel uit artikel 20 van het EU Handvest en het non-discriminatiebeginsel uit artikel 21 van het EU Handvest dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Dit toetsingskader is hetzelfde als het kader inzake artikel 14 van het EVRM, gelezen in samenhang met artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 52, derde lid, van het EU Handvest volgt ook dat, voor zover het EU Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die het EVRM garandeert, de inhoud en de reikwijdte dezelfde zijn als die welke het EVRM toekent. Volgens de Toelichting bij het EU Handvest correspondeert artikel 21, eerste lid, van het EU Handvest met artikel 14 van het EVRM. Vergelijk ook het arrest Biao, paragrafen 89 en 90.
Voor zover het gaat om vergelijkbare gevallen, is de vraag aan de orde of het verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is. Daarvoor is bepalend of is voldaan aan de criteria van artikel 52, eerste lid, van het EU Handvest. Er moet een legitiem doel zijn en de maatregelen moeten geschikt, noodzakelijk en evenredig zijn om dat doel te bereiken. Daarbij volgt uit vaste rechtspraak van het Hof (zie onder meer het arrest Slagelse Almennyttige Boligselskab, Afdeling Schackenborgvænge, punten 143 en 144) dat, als een nationale wettelijke regeling in het bijzonder personen benadeelt die tot bepaalde etnische groepen behoren, het evenredigheidsbeginsel verlangt dat die regeling niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is. Daaraan is niet voldaan als het betreffende doel even doeltreffend kan worden bereikt op een andere manier die de betrokken rechten en vrijheden minder aantast. Vergelijk ook de arresten van het Hof van 15 juli 2021, WABE, ECLI:EU:C:2021:594, punten 68 en 69, 14 maart 2017, G4S Secure Solutions, ECLI:EU:C:2017:203, punt 42, en 29 april 2015, Léger, ECLI:EU:C:2015:288, punt 58.
Verder volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM (zie onder meer het arrest van het EHRM van 23 februari 2016, Pajić tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2016:0223JUD006845313, paragrafen 57 tot en met 60) dat de verdragsstaten een ‘margin of appreciation’ hebben bij de beoordeling of het verschil in behandeling van vergelijkbare situaties objectief gerechtvaardigd is. Die ‘margin’ varieert afhankelijk van de omstandigheden, het onderwerp en de achtergrond van de zaak. Het EHRM onderscheidt twee uitersten. Aan de ene kant geldt een ruime ‘margin’ bij algemene maatregelen van economische en sociale aard. Aan de andere kant is die ‘margin’ juist heel beperkt bij zogenoemde verdachte vormen van onderscheid. Het gaat daarbij onder meer om onderscheid op grond van nationaliteit en etniciteit. Dergelijk onderscheid is alleen toelaatbaar bij zeer zwaarwegende redenen. Vergelijk ook het arrest Biao, paragrafen 93, 94 en 114.
4.13. Voor het indirecte onderscheid naar nationale en etnische afstamming dat in de praktijk is ontstaan, bestaat naar het oordeel van de Afdeling een objectieve rechtvaardiging als hierboven bedoeld.
Wat betreft artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 december 2020, onder 6.3), is het doel van intrekking van het Nederlanderschap krachtens dit artikel om tot uitdrukking te brengen dat een betrokkene zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Uit die uitspraak volgt verder dat dit doel legitiem is. Dit doel strookt namelijk met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN en artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, subonderdeel ii, van het Verdrag tot beperking van de staatloosheid 1961 (het Staatloosheidsverdrag), die uitdrukkelijk voorzien in intrekking van de nationaliteit wegens gedrag dat de essentiële belangen van de verdragsstaat ernstig schaadt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN (Kamerstukken I 2015/16, 34 016 (R2036) nr. C, p. 8 en 9) volgt dat dit artikel een nadere concretisering is van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het EVN. Uit het ‘Explanatory Report’ bij het EVN, paragraaf 67, volgt dat dit artikel correspondeert met artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, subonderdeel ii, van het Staatloosheidsverdrag. Het intrekken van het Nederlanderschap is een geschikt middel om dit doel te bereiken, omdat de band met Nederland en de rechten die voortkomen uit het Nederlanderschap erdoor worden verbroken. De minister heeft in deze zaak deugdelijk gemotiveerd dat de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant sub 2] noodzakelijk is, gelet op de aard en de ernst van de door hem gepleegde feiten. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het tweede lid van artikel 14 van de RWN een opsomming bevat van ernstige misdrijven die onmiskenbaar een bedreiging zijn voor essentiële belangen van het Koninkrijk of van een of meer landen van het Koninkrijk. Het gaat namelijk om misdrijven tegen de instituties van de staat, misdrijven tegen de menselijkheid en terroristische misdrijven. Een strafrechtelijke veroordeling voor een dergelijk ernstig misdrijf veronderstelt ernstige schade aan deze essentiële belangen. De Afdeling wijst op de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (Kamerstukken I 2015/16, 34 016 (R2036) nr. C, p. 1 en p. 8 en 9). Door het plegen van terroristische misdrijven, heeft [appellant sub 2] dus de essentiële belangen van Nederland ernstig geschaad. Er bestaan daarom zwaarwegende redenen om zijn Nederlanderschap in te trekken.
Tot slot zijn er geen lichtere middelen om het doel te bereiken, namelijk het tot uitdrukking brengen dat de band met Nederland niet langer kan bestaan. Ook als de Nederlandse autoriteiten bijvoorbeeld zijn paspoort zouden inhouden en vervallen verklaren of als de rechter hem bijvoorbeeld uit het actief en passief kiesrecht zou ontzetten, zou de band met Nederland immers blijven bestaan. [appellant sub 2] zou dan nog steeds gebruik mogen maken van een Nederlandse identiteitskaart of een Nederlands rijbewijs, ook in het buitenland, en hij zou dan ook nog steeds een beroep kunnen doen op het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel.
Wat betreft artikel 14, achtste lid, van de RWN overweegt de Afdeling als volgt. Dat artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN in de praktijk alleen Nederlanders raakt die als gevolg van hun nationale en etnische afstamming meerdere nationaliteiten hebben, en dan vooral diegenen die van hun andere nationaliteit geen afstand kunnen doen, is het gevolg van de norm die besloten ligt in het achtste lid. Het doel van dit artikel is het voorkomen van staatloosheid. Ook dat doel is legitiem, gelet op de verdragsrechtelijke plicht om staatloosheid te voorkomen. De minister heeft terecht gewezen op artikel 7, derde lid, van het EVN en artikel 8, eerste lid, van het Staatloosheidsverdrag. Het beperken van de mogelijkheid om het Nederlanderschap in te trekken tot personen die daardoor niet staatloos worden, is een geschikt en ook noodzakelijk middel om dit doel te bereiken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, impliceert de verdragsrechtelijke plicht om staatloosheid te voorkomen dat staten personen met één nationaliteit anders moeten behandelen dan personen met meerdere nationaliteiten. Dit maakt dat voor dat onderscheid zeer zwaarwegende redenen bestaan. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2094, onder 4.3. Tot slot is er geen lichter middel om het doel - het voorkomen van staatloosheid - te bereiken. Het is daarvoor immers strikt noodzakelijk dat de minister het Nederlanderschap niet intrekt van personen die daardoor staatloos zouden worden.
Voor zover artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN daarnaast een indirect onderscheid maakt naar religieuze of culturele achtergrond, bestaat hiervoor dezelfde objectieve en redelijke rechtvaardiging als weergegeven in bovenstaande alinea’s.
Prejudiciële vragen
4.14. [appellant sub 2] heeft de Afdeling verzocht om zo nodig prejudiciële vragen te stellen over een mogelijk onderscheid bij intrekkingen van het Nederlanderschap naar nationaliteit, afkomst of nationale of etnische afstamming. De opgeworpen vraag kan echter worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof, omdat het juridische kader voor het beoordelen van discriminatie blijkt uit onder meer de hiervoor onder 4.3, onder 4.9 en onder 4.12 aangehaalde rechtspraak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Slotsom
4.15. Alles overziend oordeelt de Afdeling dat de minister bij intrekkingen van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN geen verboden direct onderscheid maakt naar afkomst of nationale of etnische afstamming. Wel ontstaat op dit moment in de praktijk een indirect onderscheid ten nadele van in ieder geval bipatride Nederlanders die door hun nationale en etnische afstamming een andere nationaliteit hebben waar zij geen afstand van kunnen doen. Hiervoor bestaat echter een objectieve rechtvaardiging. De rechtbank heeft artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN dan ook ten onrechte onverbindend geacht.
4.16. Dat betekent dat de hogerberoepsgrond slaagt.
Bevat het besluit van 1 september 2023 een motiveringsgebrek?
5. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van 1 september 2023 een motiveringsgebrek bevat, omdat de minister niet is ingegaan op stukken die [appellant sub 2] heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij is gederadicaliseerd, en daarom ten onrechte geen belangenafweging in het kader van artikel 68a van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (het BVVN) heeft gemaakt. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat hij die stukken wel degelijk bij de belangenafweging in het kader van artikel 68a van het BVVN heeft betrokken, maar dat deze niet leiden tot het door [appellant sub 2] beoogde resultaat. Volgens de minister heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat hij gederadicaliseerd is en daarmee geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid.
5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, omvat de belangenafweging op grond van artikel 68a van het BVVN ook een actualiteitstoets. De Afdeling wijst in dit kader onder meer op haar uitspraak van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2458, onder 5.5. Daarbij stelt de Afdeling voorop dat de actualiteit van het gevaar geen vereiste is voor de intrekking van het Nederlanderschap, maar deel uitmaakt van de belangenafweging. Voor het intrekken van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN is immers in beginsel voldoende dat een persoon onherroepelijk is veroordeeld wegens een misdrijf als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het WvSr. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2020, onder 3.1 en 7.2, beperkt de actualiteitstoets zich in het kader van de belangenafweging tot de vraag of een betrokkene, gelet op de door hem aangevoerde omstandigheden, aannemelijk heeft gemaakt dat hij is gederadicaliseerd en daarmee geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid.
De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij is gederadicaliseerd en daarmee geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de dreiging die uitgaat van betrokkenheid bij terroristische daden, lang tot zeer lang actueel blijft en dat het arrest van 26 februari 2021 en de feiten die daarin voorlagen van betrekkelijk recente datum zijn. Om te staven dat hij is gederadicaliseerd, heeft [appellant sub 2] in bezwaar overgelegd: een brief van het Landelijk Steunpunt Extremisme van 1 maart 2021, een advies van Reclassering Nederland van 21 juli 2021 en een maandrapportage van het Justitieel Complex Zaanstad van 29 september 2021. De minister betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deze stukken heeft betrokken in het besluit van 1 september 2023. Daarbij betoogt de minister terecht dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontwikkelingen beschreven in deze stukken bestendig zijn, gelet op het korte tijdsverloop tussen het arrest van 26 februari 2021 en het moment waarop deze stukken zijn opgesteld. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat in de brief van 1 maart 2021 weliswaar staat dat in de beoordelingsperiode een goede samenwerking heeft plaatsgevonden die heeft geleid tot een positieve ontwikkeling, maar ook dat in de PI Zaanstad een vervolgtraject zal plaatsvinden met een nieuw begeleidingsplan. Verder staat in het advies van 21 juli 2021 weliswaar dat er een laag risico is op recidive, maar ook dat [appellant sub 2] bij zijn standpunt blijft dat hij zich tijdens zijn verblijf in Syrië niet heeft aangesloten bij terroristische organisaties. Dat de positieve ontwikkelingen bestendig zijn, heeft [appellant sub 2] ook niet aannemelijk gemaakt met de brief van de burgemeester van de gemeente Amsterdam van 20 maart 2024, die hij in beroep heeft overgelegd. In deze brief staat weliswaar dat zij hem heeft verwijderd van de lijst integrale Persoonsgerichte Aanpak Radicalisering, maar in deze brief staat ook dat zij hem opnieuw op deze lijst kan plaatsen als zij in de toekomst nieuwe signalen en zorgen zou ontvangen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het gaat om zeer ernstige gedragingen en dat naar haar oordeel uit het dossier vooralsnog niet blijkt dat [appellant sub 2] duurzaam afstand heeft genomen van zijn gedragingen. De Afdeling licht dit hierna verder toe.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van [appellant sub 2] tijdens de hoorzitting van 21 juli 2021 in de voornemenfase niet volgt dat hij is gederadicaliseerd en spijt heeft van zijn gedragingen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit deze verklaringen het beeld naar voren komt dat de deelname aan Ahrar al-Sham en Jund al-Agsa hem is overkomen en dat hij gedwongen was om zich bij deze organisaties aan te sluiten. De minister wijst er terecht op dat het gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat [appellant sub 2] zich opzettelijk bij deze organisaties heeft aangesloten. De minister wijst er ook terecht op dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn met de verklaringen in de strafrechtelijke procedure. Tijdens de zitting bij het gerechtshof heeft [appellant sub 2] namelijk verklaard dat hij weg wilde bij Ahrar al-Sham om te kijken wat hij wilde, dat hij samen met de leider van deze organisatie in een broodjeszaak een Nederlander is tegengekomen die bij Jund al-Agsa zat en dat die hem heeft uitgenodigd om een keer op bezoek te komen, wat hij heeft gedaan. Het gerechtshof heeft overwogen dat deze verklaring niet rijmt met de verklaring van [appellant sub 2] tijdens het politieverhoor en zijn stelling tijdens die zitting dat hij gedwongen was om zich aan te sluiten bij Jund al-Agsa. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze verklaring ook niet rijmt met de in deze procedure afgelegde verklaring van [appellant sub 2] dat hij gedwongen was om deel te nemen aan Ahrar al-Sham. De toelichting van [appellant sub 2] tijdens de zitting bij de Afdeling dat beide verklaringen kloppen, omdat hij gedwongen was om bij een groepering te gaan om zichzelf te beschermen, maar dat hij vrijwillig bij déze groeperingen is gegaan, kan hem niet baten. Deze neemt namelijk niet weg dat Ahrar al-Sham en Jund al-Agsa terroristische organisaties zijn en dat hij zich opzettelijk bij deze organisaties heeft aangesloten. De Afdeling wijst op haar uitspraak van vandaag, onder 10.1. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaring van [appellant sub 2] dat hij naar Syrië was gegaan om mensen te helpen, dat er toen geen wet was die dat verbood en dat hij is veroordeeld voor iets dat toen nog niet strafbaar was, niet volgt dat hij oprecht spijt heeft van zijn gedragingen. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] tijdens de hoorzitting de ernst van zijn gedragingen heeft gebagatelliseerd en geminimaliseerd.
5.2. De hogerberoepsgrond slaagt.
Heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien?
6. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door het besluit van 29 juli 2021 te herroepen en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 1 september 2023.
6.1. Dat de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien, heeft zij gebaseerd op het feit dat zij artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN onverbindend heeft geacht. Zoals de Afdeling onder 4.8 heeft overwogen, heeft de rechtbank dit artikel ten onrechte onverbindend geacht.
De hogerberoepsgrond slaagt, alleen al om deze reden.
Is de redelijke termijn overschreden?
7. De minister heeft zijn hogerberoepsgrond over overschrijding van de redelijke termijn op de zitting bij de Afdeling ingetrokken. Deze hogerberoepsgrond behoeft in deze uitspraak daarom geen bespreking.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]
8. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep gegrond is. Omdat dit hoger beroep gegrond is gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, wordt deze voorwaarde vervuld en zal de Afdeling het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] inhoudelijk beoordelen.
Is de intrekking van het Nederlanderschap in strijd met het verbod op dubbele bestraffing?
9. [appellant sub 2] betoogt dat de intrekking van het Nederlanderschap in strijd is met het ne-bis-in-idembeginsel, omdat de evenredigheidsbeoordeling in dit geval zo marginaal is dat de intrekking in feite automatisch volgt uit de strafrechtelijke veroordeling. Volgens [appellant sub 2] had de minister bij de beoordeling moeten betrekken dat [appellant sub 2] in Nederland is geboren en bijna 25 jaar de Nederlandse nationaliteit heeft gehad.
9.1. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, is de intrekking niet in strijd met het ne-bis-in-idembeginsel. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2366, onder 3.1, en 30 december 2020, onder 4.1 tot en met 4.5. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant sub 2] geen grond voor een ander oordeel.
Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de minister bij zijn beoordeling betrokken dat [appellant sub 2] in Nederland is geboren en bijna 25 jaar de Nederlandse nationaliteit heeft gehad.
9.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Is artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN in strijd met het verbod op discriminatie naar religieuze of culturele achtergrond?
10. [appellant sub 2] betoogt dat de intrekking van zijn Nederlanderschap een verboden onderscheid behelst naar religieuze of culturele achtergrond. Volgens [appellant sub 2] treft deze maatregel vooral Nederlanders met een islamitische achtergrond, zoals hij.
10.1. Het betoog, wat daar ook van zij, leidt niet tot het door [appellant sub 2] beoogde resultaat, gelet op wat de Afdeling onder 4.13 heeft overwogen.
10.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Is de intrekking van het Nederlanderschap in strijd met artikel 17 van het EVN?
11. [appellant sub 2] betoogt dat uit artikel 17 van het EVN een recht op gelijke behandeling tussen monopatriden en bipatriden volgt en dat hij daarom ook een beroep kan doen op artikel 14, achtste lid, van de RWN. Volgens [appellant sub 2] mocht de minister zijn Nederlanderschap niet intrekken, omdat hij dat ook niet mag doen bij monopatride Nederlanders. Als de minister zijn Nederlanderschap wel mocht intrekken, dan volgt uit dit recht op gelijke behandeling dat de minister van Asiel en Migratie aan hem een verblijfsrecht moet toekennen, aldus [appellant sub 2].
11.1. Het beroep van [appellant sub 2] op artikel 17 van het EVN slaagt niet. In het eerste lid van dat artikel staat dat onderdanen van een staat die partij is bij dat verdrag en die in het bezit zijn van een andere nationaliteit, op het grondgebied van die staat waarop zij verblijven, dezelfde rechten en plichten hebben als andere onderdanen van die staat. In het Toelichtend Rapport bij het EVN staat over dit artikel dat het hierbij bijvoorbeeld gaat om stemrechten, eigendomsrechten of de militaire dienstplicht. Het gaat hierbij dus niet om vragen over de nationaliteit of het verblijfsrecht. Uit dit artikel kan daarom niet worden afgeleid dat de uitwerking van artikel 14, achtste lid, van de RWN bij [appellant sub 2] hetzelfde moet zijn als bij monopatride Nederlanders.
Verder kan in deze procedure niet de vraag worden beantwoord of de minister van Asiel en Migratie aan [appellant sub 2] een verblijfsrecht moet toekennen. De verblijfsrechtelijke gevolgen naar aanleiding van een intrekking van het Nederlanderschap moeten namelijk worden beoordeeld in een procedure op grond van de Vw 2000. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraken van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2093, onder 5.5, en 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267, onder 11.4.
11.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Heeft [appellant sub 2] een effectief rechtsmiddel?
12. [appellant sub 2] betoogt dat het voornemen om tegen hem een inreisverbod uit te vaardigen in strijd is met het recht op gelijke behandeling, omdat de minister van Asiel en Migratie tegen monopatride Nederlanders geen inreisverbod uitvaardigt. Volgens [appellant sub 2] ontbreekt een effectief rechtsmiddel om dit betoog naar voren te brengen, omdat die minister in de verblijfsrechtelijke procedure geen rekening houdt met de aard van het verlies van het Nederlanderschap en deze procedures op dit punt in samenhang moeten worden bezien.
12.1. [appellant sub 2] betoogt tevergeefs dat het voornemen om tegen hem een inreisverbod uit te vaardigen in strijd is met het recht op gelijke behandeling, omdat het bij monopatride Nederlanders die in Nederland mogen blijven en vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben en Nederland daarom moeten verlaten, niet gaat om gelijke gevallen. Daarbij betoogt [appellant sub 2] tevergeefs dat hij geen effectief rechtsmiddel heeft. Hij kon in de verblijfsrechtelijke procedure namelijk een zienswijze naar voren brengen, beroep en hoger beroep instellen en een verzoek om een voorlopige voorziening indienen. Dat heeft hij ook gedaan; zie de uitspraak van de Afdeling van vandaag.
12.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Is de intrekking van het Nederlanderschap in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
13. [appellant sub 2] betoogt dat hij door de intrekking van zijn Nederlanderschap zijn volledige gevangenisstraf heeft moeten uitzitten, omdat hij door de intrekking niet meer in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidsstelling. Volgens [appellant sub 2] heeft de minister gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
13.1. Dat [appellant sub 2] niet meer in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidsstelling is, anders dan hij betoogt, niet het gevolg van de intrekking van zijn Nederlanderschap, maar van het door de minister van Asiel en Migratie genomen terugkeerbesluit en uitgevaardigde inreisverbod. De Afdeling wijst op artikel 6:2:10, tweede lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering. De Afdeling ziet vanzelfsprekend wel in dat deze omstandigheid in feite is gevolgd op de intrekking van het Nederlanderschap, maar het is geen gevolg dat dit besluit tot stand heeft gebracht. Daarbij gaat het er bij veroordeelden aan wie het Openbaar Ministerie voorwaardelijke invrijheidstelling kan verlenen om dat zij gecontroleerd in de Nederlandse samenleving terugkeren. Veroordeelde vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf hebben, moeten Nederland echter verlaten, zodat het niet om gelijke gevallen gaat.
13.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Is de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant sub 2] in strijd met de belangen van zijn kinderen?
14. [appellant sub 2] betoogt dat de minister hem de gelegenheid had moeten geven om vast te laten stellen dat de twee in Syrië geboren kinderen zijn kinderen zijn, zodat zij via hem het Nederlanderschap hadden kunnen verkrijgen. [appellant sub 2] wijst erop dat het gerechtshof Den Haag bij een beschikking van 29 januari 2025 zijn vaderschap gerechtelijk heeft vastgesteld. Volgens [appellant sub 2] moet het besluit van 1 september 2023 worden vernietigd en het besluit van 29 juli 2021 worden herroepen, zodat zijn kinderen nu via hem het Nederlanderschap kunnen verkrijgen. Hij wijst hierbij op de belangen van het kind in artikel 24 van het EU Handvest. Hij wijst er hierbij ook op dat, als de minister zijn Nederlanderschap op een later moment alsnog zou intrekken, dit dan geen gevolgen zou hebben voor het Nederlanderschap van zijn kinderen.
14.1. [appellant sub 2] brengt tevergeefs naar voren dat het gerechtshof Den Haag bij een beschikking van 29 januari 2025 zijn vaderschap gerechtelijk heeft vastgesteld. Zoals de minister tijdens de zitting bij de Afdeling terecht heeft aangevoerd, wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de RWN Nederlander: het kind van een persoon van wie het ouderschap gerechtelijk wordt vastgesteld op de eerste dag na een periode van drie maanden te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep. In dit geval zou de hier bedoelde datum waarop de kinderen Nederlander zouden worden 30 april 2025 zijn. De uitspraak van de rechtbank had op dat moment echter geen kracht van gewijsde. Gelet op wat de Afdeling hierboven heeft overwogen, zal zij die uitspraak vernietigen (zie ook onder 16). Bij vernietiging van een uitspraak van een rechtbank maakt de Afdeling de rechtsgevolgen van die uitspraak ongedaan. De vernietiging heeft terugwerkende kracht vanaf het tijdstip waarop de rechtbank die uitspraak deed. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 7 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:627, onder 3.1. Dit betekent dat [appellant sub 2] achteraf bezien sinds 29 juli 2021 niet meer de Nederlandse nationaliteit heeft gehad. Zijn kinderen hebben dan ook niet op 30 april 2025 via hem het Nederlanderschap verkregen.
Daarbij doet [appellant sub 2] tevergeefs een beroep op artikel 24 van het EU Handvest. Wat de kinderen van [appellant sub 2] betreft, gaat het hier om verkrijging van het Nederlanderschap. De verkrijging van de nationaliteit van een lidstaat valt echter niet onder de belangen van het kind genoemd in dat artikel. Alleen al daarom is de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant sub 2] niet in strijd met artikel 24 van het EU Handvest.
14.2. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
15. Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.
Conclusie
16. Uit wat de Afdeling onder 11.1, 12.1 en 14.1 heeft overwogen, volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de onder 11, 12 en 14 opgeworpen vragen. Gelet op de arresten Cilfit, punt 16, Consorzio Italian Management, punten 39 en 40, en Remling, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Voor het overige roepen de hogerberoepschriften geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister van Justitie en Veiligheid gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025 in zaak nr. 23/6089;
IV. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.R. van Ark, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Van Ark
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
861
BIJLAGE
Verdrag tot beperking van de staatloosheid 1961
Artikel 8
1. Een Verdragsluitende Staat ontneemt een onderdaan de nationaliteit van die Staat niet, indien dit voor die onderdaan staatloosheid met zich zou brengen.
[…]
3. Ongeacht het bepaalde in het eerste lid van dit artikel behoudt een Verdragsluitende Staat het recht iemand zijn nationaliteit te ontnemen, indien die Staat ten tijde van de ondertekening of de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag een daartoe strekkende verklaring aflegt onder opgave van de gronden, welke zijn nationale recht voor die ontneming kent en waarvoor de beweegreden is geweest:
a)
[…]
(ii) zich dusdanig heeft gedragen, dat daardoor aan de wezenlijke belangen van de Staat ernstig afbreuk wordt gedaan;
[…]
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie
Artikel 2
1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag veroordelen rassendiscriminatie en nemen de verplichting op zich onverwijld en met alle daarvoor in aanmerking komende middelen een beleid te zullen voeren dat erop is gericht alle vormen van rassendiscriminatie uit te bannen en een goede verstandhouding tussen alle rassen te bevorderen en, met het oog daarop:
(a) neemt elke Staat die partij is bij dit Verdrag de verplichting op zich, noch incidenteel, noch in het algemeen rassendiscriminatie toe te passen met betrekking tot personen, groepen personen of instellingen en erop toe te zien dat alle overheidsorganen en openbare instellingen, op nationaal en plaatselijk niveau, in overeenstemming met deze verplichting handelen;
[…]
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 14
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Twaalfde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 1
1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
[…]
Europees Verdrag inzake nationaliteit
Artikel 7
1. Een Staat die Partij is, mag in zijn nationale wetgeving niet voorzien in het verlies van zijn nationaliteit van rechtswege of op initiatief van de Staat die Partij is, behoudens in de volgende gevallen:
[…]
d. gedrag dat de essentiële belangen van de Staat die Partij is, ernstig schaadt;
[…]
3. Een Staat die Partij is, mag in zijn nationale wetgeving niet voorzien in het verlies van zijn nationaliteit ingevolge het eerste en tweede lid van dit artikel indien de betrokken persoon daardoor staatloos zou worden, behoudens in de gevallen genoemd in het eerste lid, letter b, van dit artikel.
Artikel 17
1. Onderdanen van een Staat die Partij is, die in het bezit zijn van een andere nationaliteit, hebben, op het grondgebied van die Staat die Partij is en waarop zij verblijven, dezelfde rechten en plichten als andere onderdanen van die Staat die Partij is.
2. De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan:
a. de regels van het internationaal recht inzake diplomatieke of consulaire bescherming door een Staat die Partij is, van een van zijn onderdanen die tegelijkertijd een andere nationaliteit bezit;
b. de toepassing van de regels van het internationaal privaatrecht van elke Staat die Partij is, in gevallen van meervoudige nationaliteit.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Artikel 21
1. Iedere discriminatie, met name op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, is verboden.
[…]
Artikel 24
1. Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in hen betreffende aangelegenheden wordt in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang gehecht.
2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging.
3. Ieder kind heeft het recht, regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.
Artikel 52
1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.
[…]
3. Voorzover dit handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 4
1. In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een persoon van wie het ouderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de ouder op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie. Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
[…]
Artikel 14
[…]
2. Onze Minister kan het Nederlanderschap intrekken van de persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens:
a. een misdrijf omschreven in de titels I tot en met IV van het Tweede Boek van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld;
b. een misdrijf als bedoeld in de artikelen 83, 134a of 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht;
c. een misdrijf dat soortgelijk is aan de misdrijven bedoeld onder a waarop naar de wettelijke omschrijving in de strafwet van een van de landen van het Koninkrijk een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, danwel een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving in de strafwet van een van de landen van het Koninkrijk soortgelijk is aan de misdrijven bedoeld onder b;
d. een misdrijf omschreven in de artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73).
[…]
8. Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.
[…]
Wetboek van Strafrecht
Artikel 83
Onder terroristisch misdrijf wordt verstaan:
1º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 117, tweede lid, 121, 122, 157, onderdeel 3°, 161quater, onderdeel 2°, 164, tweede lid, 166, onderdeel 3°, 168, onderdeel 2°, 170, onderdeel 3°, 174, tweede lid, en 289, alsmede in artikel 80, tweede lid, Kernenergiewet, indien het misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk;
2º. elk van de misdrijven waarop ingevolge de artikelen 114a, 114b, 120a, 120b, 130a, 138b, vijfde lid, 176a, 176b, 282c, 289a, 304a, 304b, 354a, tweede lid, 415a en 415b, alsmede artikel 80, derde lid, van de Kernenergiewet gevangenisstraf is gesteld;
3º. elk van de misdrijven omschreven in de artikelen 140a, 282b, 285, derde lid, en 288a, alsmede in artikel 55, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie, artikel 6, vierde lid, van de Wet op de economische delicten, artikel 33b van de Wet explosieven voor civiel gebruik en artikel 79 van de Kernenergiewet.
Wetboek van Strafvordering
Artikel 6:2:10
1. Voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden verleend:
a. aan de veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en ten hoogste twee jaren wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaar heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan;
b. aan de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan twee jaren wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan, met dien verstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, niet langer kan zijn dan twee jaren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
[…]
c. de veroordeelde een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
[…]
Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap
Artikel 68a
Bij zijn besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, van de Rijkswet houdt Onze Minister onder meer rekening met:
a. de gevolgen van het verlies van Unieburgerschap, indien dit ten gevolge van de intrekking van het Nederlanderschap optreedt;
b. zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, voor zover deze relevant zijn voor het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap.