ECLI:NL:RVS:2026:5770

ECLI:NL:RVS:2026:5770

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202502460/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 23 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland, namens de minister van Financiën, een aanvraag van [appellanten] om geldschulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) gedeeltelijk afgewezen. [appellanten] is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Aan hem zijn op 4 januari 2010 door de Rabobank twee leningen verstrekt. De oorspronkelijke hoofdsommen waren € 556.000,00 en € 6.500,00. Deze leningen waren verzekerd door een hypotheek van € 575.000,00 op het woonhuis aan de [locatie] en een pandrecht op een levensverzekering van € 300.000,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 23 mei 2023 onder meer ten grondslag gelegd dat de geldschuld ter hoogte van € 580.114,60 bij de Rabobank niet overgenomen wordt, omdat deze is ontstaan door een onrechtmatige daad.

Uitspraak

202502460/1/A2.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend in [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 18 maart 2025 in zaak nr. 23/3199 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland, namens de minister, een aanvraag van [appellant] om geldschulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 6 november 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 mei 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Bouhoud en mr. A.R. Kandhai, is verschenen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en vragen gesteld aan de minister en aan [appellant]. Zij hebben de vragen beantwoord.

Omdat geen van de partijen heeft laten weten gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding en besluitvorming

1. [appellant] is gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Aan hem zijn op 4 januari 2010 door de Rabobank twee leningen verstrekt. De oorspronkelijke hoofdsommen waren € 556.000,00 en € 6.500,00. Deze leningen waren verzekerd door een hypotheek van € 575.000,00 op het woonhuis aan de [locatie] en een pandrecht op een levensverzekering van € 300.000,00.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan het besluit van 23 mei 2023 onder meer ten grondslag gelegd dat de geldschuld ter hoogte van € 580.114,60 bij de Rabobank niet overgenomen wordt, omdat deze is ontstaan door een onrechtmatige daad.

3. De minister heeft aan het besluit van 6 november 2023 ten grondslag gelegd dat Syncasso aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft gemeld dat de schuld een restschuld is bij de Rabobank. Deze restschuld is ontstaan, omdat de Rabobank de relatie met [appellant] heeft opgezegd en is overgegaan tot executoriale verkoop van het woonhuis. De reden hiervoor is dat de Rabobank twijfel had over de juistheid van door [appellant] verstrekte gegevens, onder meer vanwege discrepanties tussen overgelegde aangiften inkomstenbelasting en verklaringen van [appellant] daarover. In een vonnis van 23 augustus 2017 heeft rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat de Rabobank de relatie met [appellant] heeft mogen opzeggen.

De aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de schuld van [appellant] bij de Rabobank terecht niet heeft overgenomen. Zij heeft daartoe overwogen dat het vonnis van 23 augustus 2017 onherroepelijk is geworden. Uit dat vonnis blijkt dat [appellant] wisselend heeft verklaard over dienstverbanden en dat hij bij herhaling weigerde opheldering te verschaffen, ook nadat de Rabobank erop had gewezen dat zij verplicht was deze informatie op te vragen. Mede als gevolg hiervan heeft de rechtbank in het vonnis van 23 augustus 2017 de vertrouwensbreuk en de opzegging van de financieringen door de Rabobank gerechtvaardigd geacht. De rechtbank is daarom van oordeel dat [appellant] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door te handelen in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. De minister heeft dan ook, aldus de rechtbank, terecht geconcludeerd dat de schuld het gevolg is van een onrechtmatige daad van [appellant] en op grond van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wht niet voor overname in aanmerking komt. Het betoog van [appellant] dat de problemen met de Rabobank zijn veroorzaakt door de toeslagenaffaire volgt de rechtbank op basis van het voorgaande niet.

5. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht niet slaagt. Zij heeft daartoe overwogen dat [appellant] zowel in de bestuurlijke fase als in beroep niet inzichtelijk heeft gemaakt, en ook niet heeft onderbouwd, welke acute problemen tot toepassing van de hardheidsclausule hadden moeten leiden. Dat [appellant] in het verleden niet tot de wettelijke en minnelijke schuldsanering is toegelaten, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank heeft daarbij nog opgemerkt dat van acute problemen te meer niet is gebleken, aangezien [appellant] ter zitting heeft toegelicht dat hij in de periode van november 2023 tot januari 2024 een soort schuldsaneringstraject heeft doorlopen en met zijn schuldeiser of schuldeisers een overeenstemming heeft bereikt waardoor de thans voorliggende vordering niet meer inbaar is.

Hoger beroep

6. De Afdeling beoordeelt eerst ambtshalve of [appellant] procesbelang heeft bij zijn hoger beroep.

7. De Afdeling heeft na de sluiting van het onderzoek ter zitting het onderzoek heropend en aan partijen onder meer gevraagd waarin het procesbelang van [appellant] bij de uitkomst van deze procedure is gelegen.

7.1. [appellant] heeft op 9 juni 2026 gereageerd. Hij heeft onder meer aangegeven dat de Rabobank een schuldregelingsvoorstel heeft geaccepteerd, maar dat de Rabobank ook twee registraties heeft laten opnemen bij de Stichting Bureau Krediet Registratie (BKR). Vanwege deze registraties kan [appellant] geen hypotheek krijgen om een woning te kopen. [appellant] heeft bij zijn reactie onder meer een brief van de Rabobank van 15 januari 2025 gevoegd, waarin de Rabobank aangeeft dat alle schuldeisers op 10 januari 2024 akkoord zijn gegaan met het minnelijke voorstel om tegen betaling van € 17.500,00 de restantvordering kwijt te schelden. De registratie zal tot januari 2029 zichtbaar blijven.

7.2. De minister heeft op 18 juni 2026 gereageerd. Hij heeft in zijn reactie onder meer aangegeven dat uit contact met de Rabobank is gebleken dat de schuld niet langer bestaat en dat het dossier bij de Rabobank in januari 2024 is gesloten.

8. De Afdeling leidt uit het voorgaande af dat de schuld waarvan [appellant] om overname heeft verzocht, niet meer bestaat. Dat heeft [appellant] ook gezegd op de zitting bij de rechtbank. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] zo, dat hij zich op het standpunt stelt dat hij belang heeft bij deze procedure vanwege de in zijn ogen onterechte BKR-registraties.

9. Omdat de schuld van [appellant] niet meer bestaat, kan hij met deze procedure niet bereiken wat bereikt zou kunnen worden in een procedure over de toepassing van artikel 4.1 van de Wht. [appellant] heeft daarom geen procesbelang bij deze procedure.

De Afdeling wijst erop dat [appellant] zich tot de civiele rechter kan wenden met een vordering tot verwijdering van de BKR-registratie. [appellant] heeft in zijn reactie van 9 juni 2026 vermeld dat hij dat ook heeft gedaan.

Conclusie

10. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

11. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Yildiz

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

594-1175

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W. den Ouden
  • mr. J.C.A. de Poorter
  • mr. J.F. de Groot

Griffier

  • mr. S. Yildiz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand