ECLI:NL:RVS:2026:5771

ECLI:NL:RVS:2026:5771

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202401926/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

In het besluit van 30 januari 2024 heeft de raad van de gemeente Tynaarlo het bestemmingsplan "Parc de Bloemert II" vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van negen recreatiewoningen op een landtong in het recreatiepark Parc de Bloemert (het recreatiepark). [appellant] en anderen zijn eigenaren van naastgelegen recreatiewoningen en vrezen voor aantasting van het karakter de landtong en het verblijfsklimaat in en rond hun recreatiewoningen. [appellant] en anderen betogen dat de eigenaren en bewoners van de recreatiewoningen op het recreatiepark onvoldoende op de hoogte zijn gehouden over de voorbereiding van het bestemmingsplan en daar ook te weinig bij zijn betrokken. Zo zijn zij ten onrechte niet geïnformeerd over wanneer de raadsvergadering, waarin het bestemmingsplan werd behandeld, zou plaatsvinden.

Uitspraak

202401926/1/R3.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats], en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tynaarlo,

verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 30 januari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Parc de Bloemert II" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door J. Wiegman, zijn verschenen. Voorts is OC Bedrijfsmakelaars B.V., vertegenwoordigd door mr. A. Kwint, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 27 juli 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan voorziet in de bouw van negen recreatiewoningen op een landtong in het recreatiepark Parc de Bloemert (het recreatiepark). [appellant] en anderen zijn eigenaren van naastgelegen recreatiewoningen en vrezen voor aantasting van het karakter de landtong en het verblijfsklimaat in en rond hun recreatiewoningen.

3. De relevante regelgeving staat in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

5. Op de zitting hebben [appellant] en anderen de beroepsgrond dat bepaalde passages in de natuurtoets onjuist zijn, ingetrokken.

Betrokkenheid van belanghebbenden

6. [appellant] en anderen betogen dat de eigenaren en bewoners van de recreatiewoningen op het recreatiepark onvoldoende op de hoogte zijn gehouden over de voorbereiding van het bestemmingsplan en daar ook te weinig bij zijn betrokken. Zo zijn zij ten onrechte niet geïnformeerd over wanneer de raadsvergadering, waarin het bestemmingsplan werd behandeld, zou plaatsvinden.

6.1. De Afdeling overweegt dat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen en een kennisgeving hiervan is gepubliceerd in het gemeenteblad op 26 juli 2022. Hierdoor is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wet ruimtelijke ordening of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpplan of van het moment dat het plan wordt besproken tijdens een raadsvergadering.

Verder overweegt de Afdeling dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uit maakt van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Bouwregels

7. [appellant] en anderen betogen dat het nautische karakter van de landtong door de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan onherstelbaar wordt aangetast. Zo voorziet het bestemmingsplan in de bouw van recreatiewoningen met ieder een oppervlakte van 80 m2, wat afwijkt van de oppervlakte van de al aanwezige recreatiewoningen van 58 m2. Ook wijken de toegestane goot- en nokhoogten af. Het bestemmingsplan staat namelijk een goot- en nokhoogte toe van respectievelijk maximaal 6 m en 8 m, terwijl de bestaande recreatiewoningen een goot- en nokhoogte hebben van respectievelijk 5 m en 7,2 m. Daarnaast bepaalt het plan dat de afstand tussen de recreatiewoningen niet minder dan 5 m mag bedragen, waardoor de recreatiewoningen veel te dicht op elkaar kunnen komen te staan. Hierdoor zullen de oorspronkelijk beoogde transparantie en zichtlijnen tussen de recreatiewoningen en naar het water ernstig worden aangetast.

In de "Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Parc de Bloemert II" (de zienswijzennota) heeft de raad ten onrechte als reactie op zienswijzen met bezwaren tegen deze bouwregels verwezen naar het feit dat de bouwregels uit het voorheen geldende bestemmingsplan niet veel verschillen van de bouwregels uit het onderhavige bestemmingplan. Door de oude bouwmogelijkheden over te nemen wordt voorbij gegaan aan de ontstane nieuwe ruimtelijke context, aldus [appellant] en anderen.

Tot slot zijn deze bouwregels in strijd met de welstandsnota. Volgens de welstandsnota mag de ruimtelijke kwaliteit namelijk niet worden aangetast, terwijl deze bouwregels juist wel tot een aantasting daarvan leiden. Ook vereist de welstandsnota dat een stedenbouwkundig plan wordt opgesteld waarin aandacht wordt besteed aan de gewijzigde situering van de recreatiewoningen. Dit is ten onrechte niet gedaan.

7.1. Het gehele plangebied kent de bestemming "Recreatie - Verblijfsgebied 4". Artikel 3.2 van de planregels bevat de bouwregels voor deze bestemming. Deze planregel luidt:

"Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels:

a. het aantal recreatiewoningen bepaalt niet meer dan het aantal ter plaatse van de aanduiding ‘aantal’ gegeven recreatiewoningen;

b. de onderlinge afstand tussen recreatiewoningen bedraagt niet minder dan 5 m;

c. de oppervlakte van een recreatiewoning met inbegrip van aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 80 m2;

d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 6 m en 8 m;

e. hoofdgebouwen worden niet plat afgedekt;

f. de goothoogte van aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 2,5 m, met dien verstande dat in geval van een platte afdekking de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt."

7.2. De Afdeling overweegt dat [appellant] en anderen de maximale bouwmogelijkheden uit het onderhavige bestemmingsplan vergelijken met de goot- en nokhoogten en bouwoppervlakte van de al gebouwde recreatiewoningen, in plaats van met de maximale bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Bestemmingsplan Parc de Bloemert". Voor de bestaande recreatiewoningen, waaronder de recreatiewoningen van [appellant] en anderen, geldt dit plan nog steeds. De bouwregels uit het voorheen geldende bestemmingsplan komen, op de maximale goothoogte na, overeen met de bouwregels van het onderhavige bestemmingsplan. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komt de raad beleidsruimte toe. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat aansluiten bij de bouwregels van het voorheen geldende bestemming wenselijk is en dat deze bouwregels nog steeds een goede ruimtelijke ordening dienen. Gelet op de omstandigheid dat de bouwregels voor de voorziene recreatiewoningen bijna geheel overeenkomen met de bouwregels voor de bestaande recreatiewoningen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bouwregels voor de nieuwe recreatiewoningen het karakter van de landtong ten onrechte aantast.

Verder overweegt de Afdeling dat de toetsing aan de welstandsnota bij de vaststelling van een bestemmingsplan als hier aan de orde geen rol kan spelen. De welstandsnota is gelet op artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht pas aan de orde bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen.

Het betoog slaagt niet.

Waterhuishouding

8. [appellant] en anderen betogen dat in de watertoets van 10 augustus 2021 van het Waterschap Hunze en Aa’s ten onrechte is uitgegaan van een totaal oppervlakte van 720 m2 verharding van de negen voorziene recreatiewoningen, terwijl de werkelijke hoeveelheid verharding hoger zal zijn door de aanleg van terrassen en parkeerplaatsen. Hierdoor zal het totale verharde oppervlak circa 1.600 m2 worden. Omdat in de watertoets is uitgegaan van een te gering verhard oppervlak, is de uitkomst van de watertoets onjuist.

Daarnaast is volgens [appellant] en anderen op dit moment al sprake is van wateroverlast in het plangebied en zal deze overlast door dit plan alleen maar toenemen. De hoeveelheid verharding die is toegestaan, zorgt er namelijk voor dat er geen ruimte is voor het plaatsen van waterbergende voorzieningen. Zowel de plantoelichting als de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Parc de Bloemert II" (de aanmeldnotitie) van 22 maart 2023 gaan ten onrechte niet in op welke waterbergende voorzieningen in het plangebied gerealiseerd zullen worden. Een tekort aan waterbergende voorzieningen kan bovendien leiden tot verontreiniging van het oppervlaktewater bij overstort.

8.1. De Afdeling overweegt dat de raad heeft toegelicht dat volgens de huidige plannen de verharding zal toenemen met 1.600 m2. Het waterschap is ook uitgegaan van deze toename in de watertoets. In de watertoets is hierdoor niet uitgegaan van een te laag verhard oppervlak. De uitkomst van de watertoets is dan ook niet om die reden onjuist.

Verder overweegt de Afdeling dat artikel 3.2 van de "Keur waterschap Hunze en Aa’s 2010" (de Keur) en de "Algemene Regels Waterkwantiteit waterschap Hunze en Aa’s" voorzien in een verbod op het aanleggen van meer dan 1.500 m2 aan verharding buiten de bebouwde kom, voorzover van dat verhard oppervlak neerslag versneld tot afvoer komt op oppervlaktewaterlichamen. Ook is voorzien in voorschriften voor het verlenen van een ontheffing van dat verbod, waaronder het aanbrengen van waterbergende voorzieningen. Dit betekent dat voor de realisering van de bestemmingen in een voorkomend geval een ontheffing zal moeten worden verleend van het verbod uit de Keur. Hierdoor zal de vraag of en zo ja welke waterbergende voorzieningen gerealiseerd zullen worden later aan de orde komen, bij de aanvraag om deze ontheffing. De Afdeling acht het gelet hierop niet noodzakelijk om in de planregels nadere regels te stellen over in het plangebied te realiseren waterbergende voorzieningen. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat door het aanbrengen van 1.600 m2 aan verharding geen ruimte meer is voor waterbergende voorzieningen of dat de raad om een andere reden op voorhand had moeten inzien dat de waterbergingsopgave aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond.

10. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.

w.g. Minderhoud

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Heijden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

884-1176

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

[…]

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

[…]

Keur waterschap Hunze en Aa’s 2010

Artikel 3.2

Het is verboden zonder vergunning van het bestuur:

a. in de bebouwde kom, binnen uitbreidingsplannen en in glastuinbouwgebieden meer dan 150 m2 verhard oppervlak aan te brengen

b. in overig gebied meer dan 1500 m2 verhard oppervlak aan te brengen voorzover van dat verhard oppervlak neerslag versneld tot afvoer komt op oppervlaktewaterlichamen.

Bestemmingsplan "Parc de Bloemert II"

Artikel 3.2

Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels:

a. het aantal recreatiewoningen bepaalt niet meer dan het aantal ter plaatse van de aanduiding ‘aantal’ gegeven recreatiewoningen;

b. de onderlinge afstand tussen recreatiewoningen bedraagt niet minder dan 5 m;

c. de oppervlakte van een recreatiewoning met inbegrip van aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 80 m2;

d. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 6 m en 8 m;

e. hoofdgebouwen worden niet plat afgedekt;

f. de goothoogte van aangebouwde bijgebouwen bedraagt niet meer dan 2,5 m, met dien verstande dat in geval van een platte afdekking de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedraagt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl STAB-OGR-Updates.nl 2026-0215
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand