ECLI:NL:RVS:2026:5773

ECLI:NL:RVS:2026:5773

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202407555/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 29 oktober 2024 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Vught de geluidproductieplafonds op 30 referentiepunten langs het spoortraject Vught - ’s-Hertogenbosch verlaagd. In 2021 hebben het ministerie, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Vught de bestuursovereenkomst "PHS Vught 2021" gesloten. Daarin is vastgelegd dat in aanvulling op het tracébesluit "Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Meteren-Boxtel" (het tracébesluit) in Vught-Noord extra geluidbeperkende maatregelen worden getroffen aan en langs het spoor. Er worden raildempers aangebracht en de geluidschermen die in het tracébesluit zijn opgenomen worden verhoogd en verlengd. Met die maatregelen wordt de geluidsbelasting op bestaande geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen verlaagd tot ten hoogste 60 dB. Naast de in de bestuursovereenkomst opgenomen aanvullende maatregelen heeft de gemeente Vught met ProRail afgesproken dat ter hoogte van het Isabellaveld een extra geluidscherm wordt geplaatst. Het college heeft de staatssecretaris gevraagd om de "60 dB-maatregelen" en het extra geluidscherm op te nemen in het geluidregister en de geluidproductieplafonds met het effect van deze maatregelen te verlagen.

Uitspraak

202407555/1/R4.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Vught (het college) de geluidproductieplafonds op 30 referentiepunten langs het spoortraject Vught - ’s-Hertogenbosch verlaagd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2026, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.A. Ganesh en G.J. Dijkgraaf, zijn verschenen. Verder is op de zitting ProRail B.V., vertegenwoordigd door ing. M.F.T. Poos, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet geluid Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet blijft hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing op een besluit tot vaststelling of wijziging van geluidproductieplafonds waarvoor vóór 1 januari 2024 een verzoek als bedoeld in artikel 11.31, eerste lid, van de Wm is ingediend, totdat dat besluit onherroepelijk is.

Het verzoek van het college is ingediend op 30 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval hoofdstuk 11 van de Wm, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. In 2021 hebben het ministerie, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Vught de bestuursovereenkomst "PHS Vught 2021" gesloten. Daarin is vastgelegd dat in aanvulling op het tracébesluit "Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Meteren-Boxtel" (het tracébesluit) in Vught-Noord extra geluidbeperkende maatregelen worden getroffen aan en langs het spoor. Er worden raildempers aangebracht en de geluidschermen die in het tracébesluit zijn opgenomen worden verhoogd en verlengd. Met die maatregelen wordt de geluidsbelasting op bestaande geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen verlaagd tot ten hoogste 60 dB. Naast de in de bestuursovereenkomst opgenomen aanvullende maatregelen heeft de gemeente Vught met ProRail afgesproken dat ter hoogte van het Isabellaveld een extra geluidscherm wordt geplaatst.

3. Het college heeft de staatssecretaris gevraagd om de "60 dB-maatregelen" en het extra geluidscherm op te nemen in het geluidregister en de geluidproductieplafonds met het effect van deze maatregelen te verlagen.

4. Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris met toepassing van artikel 11.28, vierde lid, van de Wm de geluidproductieplafonds verlaagd op 30 referentiepunten langs het spoortraject Vught - ’s-Hertogenbosch. De referentiepunten liggen in Vught tussen km 49,9 (Postweg) en km 51,4 (N65). Bij het nemen van het bestreden besluit heeft de staatssecretaris de hierboven genoemde maatregelen in aanmerking genomen. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5. [appellant] woont aan de [locatie] in Vught op korte afstand van de spoorlijn Vught - ‘s Hertogenbosch. Tussen zijn woning en de spoorlijn staat nog één rij woningen.

Toetsingskader

6. Uit artikel 11.28, vierde lid, van de Wm volgt dat de staatssecretaris op verzoek van burgemeester en wethouders van een gemeente een geluidproductieplafond kan verlagen, indien de gemeente voornemens is een maatregel te treffen of te bekostigen dan wel een maatregel heeft getroffen of bekostigd die de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg vermindert.

6.1. De relevante wetgeving, zoals die vóór 1 januari 2024 luidde, staat in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Goede procesorde

7. [appellant] heeft op 14 augustus 2026 een nader stuk ingediend. De staatssecretaris betoogt dat dit stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.

7.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting is, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter.

7.2. [appellant] heeft zijn nadere stuk meer dan tien dagen voor de zitting ingediend. In het stuk is een aantal nieuwe argumenten aangevoerd ter motivering van de beroepsgronden die in het beroepschrift naar voren zijn gebracht over de berekening van de geluidbelasting en de toereikendheid van de maatregelen. Het stuk is beperkt van omvang en de aangevoerde nieuwe argumenten zijn naar het oordeel van de Afdeling niet complex van aard. De staatssecretaris heeft ter zitting ook een inhoudelijke reactie op deze argumenten kunnen geven, waarin hij onder meer naar aanleiding van het nadere stuk van [appellant] een aanvullende berekening van de geluidbelasting heeft gemaakt waarin rekening is gehouden met de aanbouw bij zijn woning.

7.3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er geen reden om het nadere stuk van [appellant] wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

Het beroep van [appellant]

8. Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris de geluidproductieplafonds op een aantal referentiepunten langs het spoor verlaagd. Dat betekent dat er minder geluid veroorzaakt mag worden. Daar is [appellant] het mee eens. Hij heeft beroep ingesteld, omdat hij vindt dat het geluidscherm tussen het spoor en de woningen aan de oneven kant van de Margrietlaan verlengd moet worden over de hele lengte van de Margrietlaan.

In verband hiermee betoogt [appellant] dat de geluidbelasting op zijn woning niet goed is berekend en daardoor is onderschat. Daarnaast betoogt [appellant] dat dat de maatregelen tegen geluidhinder niet toereikend zijn.

8.1. Bij de beoordeling is het volgende van belang. In het tracébesluit waren al geluidbeperkende maatregelen opgenomen, zoals een verdiepte ligging van het spoor. Het bestreden besluit is bedoeld om de geluidbelasting op woningen nabij het spoor in Vught verder te verlagen tot maximaal 60 dB. In verband daarmee zijn de geluidproductieplafonds op 30 referentiepunten verlaagd. De berekende geluidbelasting op de woning van [appellant] gaat door de maatregelen uit het tracébesluit omlaag van 58 dB naar 50 dB. De geluidbelasting op deze woning is op grond van het tracébesluit dus al ruimschoots lager dan 60 dB. Met het aanvullende maatregelenpakket uit het bestreden besluit wordt de geluidbelasting op de woning van [appellant] 49 dB.

Behandeling van de zienswijze over het ontwerpbesluit

9. [appellant] betoogt dat in de Nota van beantwoording zienswijzen (de Nota) onvoldoende is gereageerd op zijn zienswijze over het ontwerpbesluit. In de Nota is niet ingegaan op de onderbreking van de huizenrij tussen Margrietlaan 45 en 47 en het effect daarvan op de geluidbelasting op een aantal woningen. Bovendien wordt in de beantwoording van punt 1.4 verwezen naar de "huizenrij Margrietlaan 47-53 alsook op de overige oneven adressen die daarachter zijn gelegen", terwijl die achterliggende woningen een even nummering hebben. Daardoor is onduidelijk of de geluidbelasting op deze woningen in de beoordeling is betrokken.

9.1. De staatssecretaris stelt dat in de Nota onder 1.4 is vermeld dat in de geluidberekening rekening is gehouden met het afschermende object dat is gebouwd tussen de Margrietlaan 45 en 55. Hieruit kan worden afgeleid dat het inhoudelijke punt van [appellant] dat geen rekening is gehouden met de onderbreking van de huizenrij in de beantwoording van de zienswijze is betrokken.

De woningen met een oneven huisnummer zijn aan de oostzijde van de Margrietlaan en ten westen van het spoor gesitueerd. De huizenrij aan de Margrietlaan 47-53 staat iets meer naar voren dan de andere woningen met een oneven huisnummer en dus verder van het spoor af. Met "daarachter gelegen" wordt dus gedoeld op de omstandigheid dat de overige woningen aan de Margrietlaan met een oneven huisnummer meer naar achteren staan ten opzichte van de woningen aan de Margrietlaan 47-53. Volgens de staatssecretaris kan dit uit de beantwoording onder 1.4 worden afgeleid en is de Nota op dit punt niet onduidelijk.

9.2. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de staatssecretaris de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris heeft toegelicht dat de onderbreking van de huizenrij is betrokken in de afschermde werking, die in de zienswijzennota onder 1.4 is genoemd. De staatssecretaris heeft de onderbreking ook op deze manier in de berekening van de geluidbelasting betrokken (zie hierna onder 10.2). Verder heeft de staatssecretaris in het verweerschrift duidelijk genoeg uitgelegd wat met de "de overige oneven adressen die daarachter zijn gelegen" is bedoeld, namelijk de woningen aan de Margrietlaan met een oneven huisnummer die dichter bij het spoor staan dan de nummers 47-53.

De beroepsgrond slaagt niet.

Berekening van de geluidbelasting

10. [appellant] voert aan dat de geluidbelasting niet juist is berekend.

In de eerste plaats betoogt hij dat voor zijn woning is uitgegaan van een onjuist rekenpunt, omdat de aanbouw niet in de modellering is opgenomen. Dit blijkt uit het memo "Geluid [locatie]" van ProRail van 27 januari 2025.

Daarnaast betoogt [appellant] dat in de berekening onvoldoende aandacht is besteed aan de onderbreking van de huizenrij tussen Margrietlaan 45 en 47. Door die onderbreking is er een vrijwel ongehinderde doorgang van geluid naar de woningen aan de andere kant van de Margrietlaan. Volgens [appellant] is er een verschil in de berekende geluidbelasting tussen zijn woning en de naastgelegen woningen Margrietlaan 20 en 22 dat alleen te verklaren is doordat voor zijn eigen woning geen rekening is gehouden met het effect van de onderbreking. Bovendien veroorzaakt de doorgang tussen Margrietlaan 45 en 47 volgens [appellant] een resonantie-effect, wat plaatselijk leidt tot een versterking van het geluid. Het is onduidelijk of deze resonantie is meegenomen in de berekening van de geluidbelasting op zijn woning. Dat geldt ook voor de weerkaatsing van geluid door het 4 m hoge geluidscherm dat is voorzien aan de overzijde van het spoor.

[appellant] betoogt verder dat geen rekening is gehouden met de extra geluidbelasting vanwege de N65, die ten zuiden van de Margrietlaan een verhoogde ligging heeft gekregen. Dat is vooral van belang op referentiepunt 50832, waar de berekende geluidbelasting maar net onder de 60 dB ligt.

Verder voert [appellant] aan dat in de berekening ten onrechte het effect is betrokken van een geluidscherm dat niet in beheer is bij ProRail en waarvan de instandhouding niet gegarandeerd is.

10.1. Bij de voorbereiding van het bestreden besluit is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Verlaging geluidproductieplafonds Vught Noord" van Arcadis van 24 augustus 2023 (het akoestisch onderzoek). De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de geluidbelasting in het akoestisch onderzoek op de juiste manier is berekend. Er is bepaald bij welke woningen in het onderzoeksgebied sprake is van een geluidbelasting boven de 60 dB op basis van de eindsituatie van het tracébesluit met de daarbij behorende bron- en overdrachtsmaatregelen. Vervolgens is een berekening gemaakt voor de gewijzigde situatie met het aanvullende maatregelenpakket. De geluidbelasting op de referentiepunten is berekend met behulp van de wettelijk voorgeschreven rekenmethode uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (Rmg 2012). In het memo van 27 januari 2025 is nader ingegaan op de geluidbelasting op de woning van [appellant]. De geluidbelasting op deze woning daalt door het tracébesluit en het aanvullende maatregelenpakket van 58 dB naar 49 dB.

Volgens de staatssecretaris is de modellering uitgevoerd op basis van de op dat moment beschikbare BAG-bestanden. De aanbouw was daar toen nog niet in opgenomen. Inmiddels heeft de staatssecretaris een nieuwe berekening gemaakt, waarbij de aanbouw alsnog in de modellering is opgenomen en een extra rekenpunt is toegevoegd. Volgens deze berekening is de geluidbelasting op het nieuwe rekenpunt gelijk aan die op het al bestaande rekenpunt.

De staatssecretaris stelt zich verder op het standpunt dat de onderbreking van de huizenrij tussen Margrietlaan 45 en 47 en de akoestische gevolgen daarvan onderdeel zijn van de berekeningen volgens de wettelijke rekenmethode uit het Rmg 2012. Het verschil in geluidbelasting tussen de woning van [appellant] en Margrietlaan 20 en 22 is te verklaren doordat de hoogte van de rekenpunten voor deze woningen verschillend is. Voor [locatie] is uitgegaan van een ontvangerhoogte van 5 m, passend bij de verblijfsruimten op de eerste verdieping. Voor Margrietlaan 20 en 22 is een ontvangerhoogte van 8 m gehanteerd, omdat er verblijfsruimten op de tweede verdieping zijn. In de berekening van de geluidbelasting op geluidgevoelige bestemmingen is bovendien rekening gehouden met de reflectie en afscherming door de aanwezige bebouwing, conform bijlage IV bij het Rmg 2012. Volgens de staatssecretaris is in de berekening ook rekening gehouden met de reflectie en afscherming door geluidbeperkende maatregelen zoals geluidschermen. Het 4 m hoge geluidscherm aan de oostzijde van het spoor zal aan de westzijde van het spoor geen extra geluid opleveren, omdat het geluidscherm absorberend wordt uitgevoerd.

De staatssecretaris wijst er verder op dat de geluidproductieplafonds en het 60 dB-maatregelenpakket alleen zien op de geluidbelasting vanwege het spoor. De geluidbelasting vanwege de N65 maakt daarom geen onderdeel uit van de berekeningen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. Verder is de cumulatie van geluidhinder al in het tracébesluit beoordeeld.

10.2. In de nieuwe berekening die de staatssecretaris heeft gemaakt is rekening gehouden met de aanbouw bij de woning van [appellant]. Volgens deze berekening blijft de geluidbelasting op de woning 49 dB. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd betwist.

De onderbreking in de huizenrij tussen Margrietlaan 45 en 47 bevindt zich tegenover de woning van [appellant]. Volgens de staatssecretaris is hier rekening mee gehouden, omdat de berekeningen zijn uitgevoerd conform de wettelijke rekenmethode uit het Rmg 2012. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Dat er voor de naastgelegen woningen een aanzienlijk hogere geluidbelasting is berekend, maakt dat niet anders. De staatssecretaris heeft op de zitting uitgelegd dat het verschil wordt veroorzaakt door de verschillende hoogte van de beoordelingspunten; op de hoger gelegen punten is er minder afschermende werking van de bebouwing langs het spoor. Niet in geschil is dat voor de woning van [appellant] terecht van een ontvangerhoogte van 5 m is uitgegaan.

De staatssecretaris heeft verder gesteld dat het 4 m hoge geluidscherm aan de oostzijde van het spoor absorberend wordt uitgevoerd en dat er daarom geen extra geluid door reflectie zal zijn. Dit heeft [appellant] niet gemotiveerd bestreden.

De geluidproductieplafonds kunnen alleen betrekking hebben op het geluid vanwege de spoorweg. De staatssecretaris heeft het geluid van de N65 daarom terecht niet meegeteld in de berekening van de geluidbelasting.

Over het geluidscherm dat niet in beheer is bij ProRail heeft de staatssecretaris op de zitting gesteld dat bij het bepalen van de geluidbelasting rekening wordt gehouden met de bestaande omgevingsobjecten die onderdeel zijn van de geluidsituatie. Het geluidscherm maakt volgens hem onderdeel uit van het geluidontwerp van de desbetreffende woningen en mag daarom in de berekening worden betrokken. De Afdeling ziet geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de berekende geluidbelasting van 49 dB op de woning van [appellant] onjuist is of dat de geluidbelasting op de andere woningen of op de referentiepunten hoger zal zijn dan 60 dB. De beroepsgrond slaagt niet.

Maatregelen tegen geluidhinder

11. [appellant] betoogt dat de geluidwerende maatregelen in dit deel van de Margrietlaan onvoldoende bescherming bieden tegen geluidhinder. In het bestreden besluit is een geluidwal opgenomen die ter hoogte van Margrietlaan 57 verspringt van 2 m naar slechts 1 m hoogte en ter hoogte van Margrietlaan 51 is zelfs helemaal geen geluidwal meer voorzien. [appellant] betoogt dat het geluidscherm vanaf Margrietlaan 57 naar het zuiden moet worden verlengd en dat het geluidscherm moet worden verhoogd tot minimaal 2 m. Volgens hem is dit een eenvoudige en kosteneffectieve maatregel om de geluidbelasting te beperken.

[appellant] betoogt in verband hiermee ook dat de woningen aan de Margrietlaan ongelijk worden behandeld. De nummers 55-61 worden wel afgeschermd door een geluidscherm, maar de nummers 23-45 niet. Die woningen en de woningen direct daarachter ondervinden daarvan nadeel.

11.1. Het bestreden besluit is genomen op verzoek van het college. Het college heeft een maatregelenpakket voorgesteld. Die maatregelen zijn het uitgangspunt bij het wijzigen van geluidproductieplafonds op grond van artikel 11.28, vierde lid, van de Wm.

Het maatregelenpakket heeft als doel om de geluidbelasting tot minder dan 60 dB te verlagen. Nu de geluidbelasting op de woning van [appellant] - in de situatie na het tracébesluit en de aanvullende maatregelen uit het bestreden besluit - veel lager is dan 60 dB, is er geen reden om de maatregelen uit het bestreden besluit ontoereikend te achten voor deze woning.

Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting op andere woningen ook niet hoger is dan 60 dB. Voor zover [appellant] dit heeft bestreden, slaagt dit niet, zoals onder 10.2 is overwogen. Ook in zoverre is er daarom geen grond voor het oordeel dat het maatregelenpakket niet toereikend is.

11.2. [appellant] heeft daarnaast betoogd dat sprake is van ongelijke behandeling, omdat de woningen aan de Margrietlaan 55-61 wel worden afgeschermd door een geluidscherm en de nummers 23-45 niet. De Afdeling begrijpt dit als beroep op het gelijkheidsbeginsel. Maar naar het oordeel van de Afdeling is geen sprake van gelijke gevallen. Op de zitting heeft de staatssecretaris gesteld dat bij de woningen aan de Margrietlaan 55-61 rekening is gehouden met te openen delen op de begane grond, terwijl bij Margrietlaan 23-45 de hele gevel als doof is aangemerkt en ook daadwerkelijk geen te openen delen bevat. De dove gevels zijn niet aan de 60 dB-waarde getoetst; voor deze woningen ligt het beoordelingspunt aan de voorzijde van de woning. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat dit onjuist is. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de woningen aan de Margrietlaan 55-61 ook volledig dove gevels hebben, dan zou dat hooguit betekenen dat deze gevels niet aan de 60 dB-waarde hadden hoeven te worden getoetst en dat een geluidscherm ter hoogte van die woningen daarom niet nodig is om een geluidbelasting van maximaal 60 dB te bereiken. Maar daaruit volgt geen verplichting uit om bij Margrietlaan 23-45 een geluidscherm aan te brengen, zoals [appellant] wenst. De situatie moet opnieuw beoordeeld worden als er in de toekomst alsnog openingen worden aangebracht in de gevels die nu als dove gevel zijn aangemerkt, maar bij de beoordeling van het bestreden besluit kan dat geen rol spelen.

Gelet hierop is het bestreden besluit niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

11.3. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond.

13. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Teuben

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

483

BIJLAGE

Wet milieubeheer

Artikel 11.28

1. Onze Minister kan een geluidproductieplafond wijzigen. Ingeval een ambtshalve wijziging geen deel uitmaakt van een tracébesluit, een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 5 van de Spoedwet wegverbreding, of een geluidplan, zijn de artikelen 11.29, 11.30, 11.33, tweede lid, eerste volzin, en 11.38 niet van toepassing.

(…)

4. Onze Minister kan op verzoek van burgemeester en wethouders van een gemeente een geluidproductieplafond verlagen, indien de gemeente voornemens is een maatregel te treffen of te bekostigen dan wel een maatregel heeft getroffen of bekostigd die de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg vermindert.

(…)

Artikel 11.30

1. Onze Minister stelt een geluidproductieplafond op een zodanige waarde vast dat de geluidsbelasting vanwege de weg of spoorweg niet hoger is dan de hoogste van de volgende twee waarden:

a. de voorkeurswaarde;

b. de geluidsbelasting die de betrokken geluidsgevoelige objecten vanwege de weg of spoorweg ondervinden bij volledige benutting van de geldende geluidproductieplafonds.

2. Bij wijziging wordt een geluidproductieplafond op een zodanige waarde vastgesteld dat de geluidsbelasting vanwege de weg of spoorweg niet hoger is dan de geluidsbelasting, die de betrokken geluidsgevoelige objecten vanwege de weg of spoorweg ondervinden bij volledige benutting van de geldende geluidproductieplafonds.

3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien de geluidsbelasting na de wijziging van het geluidproductieplafond de voorkeurswaarde niet overschrijdt.

(…)

Artikel 11.31

1. Vaststelling of wijziging van een geluidproductieplafond geschiedt ambtshalve of op verzoek.

2. Een verzoek tot vaststelling of wijziging van een geluidproductieplafond kan worden gedaan door de beheerder van de betreffende weg of spoorweg.

3. Een verzoek tot wijziging van een geluidproductieplafond kan tevens worden gedaan door burgemeester en wethouders van de gemeente:

a. waarin het desbetreffende referentiepunt is gelegen, of

b. waartoe gronden behoren die zijn gelegen langs de betreffende weg of spoorweg binnen de zone, bedoeld in hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die bij de aanvraag worden verstrekt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand