202500369/3/R3.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Emmen,
2. [appellant sub 2], wonend in Emmen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Emmen,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak, deels tussenuitspraak, van 22 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2282) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak het daarin genoemde gebrek in het op 24 oktober 2024 vastgestelde bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" te herstellen.
Bij besluit van 25 juni 2026 heeft de raad het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" opnieuw, gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).
[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Zoals in de uitspraak van 22 april 2026 is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 22 april 2026 overwogen dat de raad zich, zonder nader onderzoek en motivering of zonder borging in het plan, niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied, waaronder die ter plaatse van de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2].
3. Gelet op wat is overwogen in de uitspraak van 22 april 2026, zijn de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] gegrond. Het besluit van 24 oktober 2024 moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd, voor zover dat besluit geen deugdelijke motivering of borging bevat in verband met de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied.
4. In de uitspraak van 22 april 2026 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak, alsnog deugdelijk te motiveren dat de waterbergingscapaciteit in het plangebied toereikend is om de toename aan hemelwater op te vangen. Als dit nodig is met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet de raad alsnog een regel in het plan opnemen waarin de aansluiting van de compartimentskering op maaiveldhoogte wordt verzekerd.
5. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het herstelbesluit genomen. De raad heeft toegelicht dat hij bij de vaststelling van het oorspronkelijke plan al rekening heeft gehouden met het sluiten van de compartimentskering. De raad heeft in artikel 27.2 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee is geborgd dat de compartimentskering wordt gesloten vóór ingebruikname van de gronden en bouwwerken op de locaties waar de nieuwe woningen zijn voorzien. Volgens de raad beschikt het plangebied hiermee over voldoende waterbergingscapaciteit.
6. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."
Het herstelbesluit is op grond van artikel 6:19 van de Awb onderwerp van dit geding. Voor [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] is een beroep van rechtswege ontstaan tegen dit besluit.
7. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben naar aanleiding van het herstelbesluit geen zienswijze ingediend en dus niet te kennen gegeven dat zij zich niet met het herstelbesluit kunnen verenigen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit hebben aangevoerd. De van rechtswege ontstane beroepen zijn ongegrond.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Emmen van 24 oktober 2024, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0", gegrond;
II. vernietigt het onder I. genoemde besluit, voor zover daarin het sluiten van de compartimentskering niet is geborgd;
III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Emmen van 25 juni 2026, waarbij het bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" opnieuw, gewijzigd is vastgesteld, ongegrond;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Emmen aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a. € 194,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 194,00 aan [appellant sub 2].
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Kemerink op Schiphorst-Hofman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
933