ECLI:NL:RVS:2026:5775

ECLI:NL:RVS:2026:5775

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202502191/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 januari 2023 heeft de burgemeester van Sittard-Geleen besloten dat de woning aan de [locatie] in Sittard op 3 februari 2023 voor drie maanden wordt gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. [appellant A] en [appellant B] huren een woning aan de [locatie] in Sittard. Naar aanleiding van een melding heeft de politie op 14 oktober 2022 in de woning onder meer softdrugs aangetroffen. De burgemeester heeft [appellant A] en [appellant B] op 17 januari 2023 een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor drie maanden ingaande op 3 februari 2023. De Afdeling begrijpt dit besluit zo dat als [appellant A] en [appellant B] binnen de begunstigingstermijn van twee weken niet zelf aan de last voldoen, op 3 februari 2023, of kort daarna, de burgemeester middels bestuursdwang zelf overgaat tot sluiting van de woning. De voorgenomen sluiting is niet doorgegaan en daarom heeft de burgemeester bij brief van 29 maart 2023 besloten dat de woning op 6 april 2023 voor drie maanden wordt gesloten.

Uitspraak

202502191/1/A3.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend in Sittard, gemeente Sittard-Geelen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 februari 2025 in zaak nr. 23/1458 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de burgemeester van Sittard-Geleen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2023 heeft de burgemeester besloten dat de woning aan de [locatie] in Sittard op 3 februari 2023 voor drie maanden wordt gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Bij brief van 29 maart 2023 heeft de burgemeester besloten dat de woning op 6 april 2023 voor drie maanden wordt gesloten.

Bij besluit van 23 mei 2023 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 17 januari 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, de Staat veroordeeld tot het betalen van € 500,00 aan schadevergoeding aan [appellant A] en [appellant B] en de Staat veroordeeld in de proceskosten die [appellant A] en [appellant B] voor het indienen van het verzoek hebben moeten maken tot een bedrag van € 226,75.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 januari 2026, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat in Maastricht, en mr. M.M.J.P. Boesten, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant A] en [appellant B] huren een woning aan de [locatie] in Sittard (de woning). Naar aanleiding van een melding heeft de politie op 14 oktober 2022 in de woning onder meer softdrugs aangetroffen. De burgemeester heeft [appellant A] en [appellant B] op 17 januari 2023 een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet, inhoudende de tijdelijke sluiting van de woning voor drie maanden ingaande op 3 februari 2023. De Afdeling begrijpt dit besluit zo dat als [appellant A] en [appellant B] binnen de begunstigingstermijn van twee weken niet zelf aan de last voldoen, op 3 februari 2023, of kort daarna, de burgemeester middels bestuursdwang zelf overgaat tot sluiting van de woning. De voorgenomen sluiting is niet doorgegaan en daarom heeft de burgemeester bij brief van 29 maart 2023 besloten dat de woning op 6 april 2023 voor drie maanden wordt gesloten. Die sluiting is wel doorgegaan. In het besluit op bezwaar is de burgemeester bij de sluiting gebleven. [appellant A] en [appellant B] hebben sinds 6 juli 2023 weer toegang tot hun woning.

Wat heeft de burgemeester besloten?

2. De sluiting van de woning berust op een op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie van 1 december 2022 (de bestuurlijke rapportage van 1 december 2022). Hierin staat beschreven dat op 14 oktober 2022 in de woning 1 kilogram henneptoppen in een doorzichtige gripzak is aangetroffen. Verder werden in de kelder van de woning 24 stuks cobra 6 vuurwerk en 24 shells vuurwerk aangetroffen. Op basis hiervan heeft de burgemeester besloten tot het sluiten van de woning voor de duur van drie maanden.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat procesbelang ontbreekt. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden door het besluit tot sluiting van de woning. De enkele stelling dat zij immateriële schade hebben geleden vanwege het verlies van hun woongenot is volgens de rechtbank daartoe onvoldoende. Het had op de weg van [appellant A] en [appellant B] gelegen deze schade te concretiseren. Dat hebben zij volgens de rechtbank niet gedaan. De rechtbank heeft verder het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens het overschrijden van de redelijke termijn toegewezen. De rechtbank heeft de proceskostenvergoeding vastgesteld op een bedrag van € 226,75 (één punt voor het indienen van het verzoekschrift met wegingsfactor 0,25).

Gronden en beoordeling hoger beroep

4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank hun beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellant A] en [appellant B] hebben als gevolg van de woningsluiting niet in de woning kunnen verblijven, waardoor er sprake is van een inbreuk op hun woonrecht. Verder kan de eventuele onrechtmatigheid van het besluit tot woningsluiting grond vormen voor een aanspraak op schadevergoeding. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte één punt proceskostenvergoeding heeft toegekend in plaats van twee punten. [appellant A] en [appellant B] hadden ook nog een punt voor het verschijnen van hun gemachtigde op de zitting moeten krijgen. Ook had de rechtbank niet de wegingsfactor 0,25, maar 0,5 moeten toepassen, aldus [appellant A] en [appellant B].

Hebben [appellant A] en [appellant B] procesbelang?

5. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft degene die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1162, onder 5.

5.1. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant A] en [appellant B] procesbelang. [appellant A] en [appellant B] hebben tijdens de zitting bij de rechtbank toegelicht dat zij de periode dat hun woning gesloten was bij familie hebben verbleven. Het is niet onaannemelijk dat zij naar aanleiding daarvan kosten hebben moeten maken. Daarnaast hebben zij gedurende de sluiting niet in hun woning kunnen verblijven en is daarmee sprake van een in inbreuk op hun woonrecht. De Afdeling wijst in dit verband op haar eerdere uitspraak van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6184, onder 5.2. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5.2. Het betoog slaagt.

Vergoeding proceskosten voor verzoek schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1511) komt het indienen van het verzoekschrift in geval van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor vergoeding van 1 punt in aanmerking. In de regel wordt geen procespunt toegekend voor het verschijnen op de zitting. In wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De berekening door de rechtbank van de proceskosten is in zoverre juist.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:829, behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld als bedoeld in onderdeel C.1 van de bijlage bij van het Besluit proceskosten bestuursrecht, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Omdat het hier alleen gaat om de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet de wegingsfactor licht (0,5) worden toegepast (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3829, onder 6.2). Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte de wegingsfactor zeer licht (0,25) toegepast en dus ten onrechte een proceskostenvergoeding van € 226,75 toegekend.

6.2. Het betoog slaagt ook in zoverre.

Conclusie

7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en de Staat heeft veroordeeld in de proceskosten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgronden van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 23 mei 2023 hierna alsnog beoordelen en opnieuw oordelen over de proceskosten in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 23 mei 2023

Toetsingskader

8. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het beroep.

Beoordeling beroep

9. Op de zitting is gebleken dat niet meer in geschil is dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Het gaat daarom alleen nog over de vraag of de burgemeester gebruik mocht maken van deze bevoegdheid.

10. [appellant A] en [appellant B] betogen daarover onder meer dat het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, ertoe heeft geleid dat de sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer heeft bijgedragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. In dat tijdsverloop is ook niet gebleken van antecedenten of openbare orde aspecten die erop wijzen dat de openbare orde in het geding was, dat er een "loop" naar de woning was of dat is gebleken van handel.

10.1. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich namelijk de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning of het lokaal moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop is te wijten, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. Vergelijk de uitspraak van 10 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3368, onder 5.2.

10.2. De voorgenomen sluiting van de woning op 3 februari 2023, of kort daarna, is niet doorgegaan. Daarom heeft de burgemeester bij brief van 29 maart 2023 besloten dat de woning op 6 april 2023 alsnog voor drie maanden wordt gesloten. Gelet op de inhoud bevat deze brief door de ingangsdatum van de sluiting te bepalen op 6 april 2023 een wijziging van het besluit van 17 januari 2023 (vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van 10 juni 2026, onder 5.5). Daarmee is deze brief, ook gelet op de specifieke aard van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de daarmee samenhangende wijze van toetsen hiervan (zie onder 8), gericht op rechtsgevolg en een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar van [appellant A] en [appellant B]s tegen het besluit van 17 januari 2023 had wegens de gewijzigde ingangsdatum van de sluiting van de woning gelet op artikel 6:19 van de Awb van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 maart 2023.

10.3. Zoals onder 10.1 is overwogen, had de burgemeester in dit nader genomen besluit van 29 maart 2023 opnieuw moeten beoordelen of sluiting op 6 april 2023, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, nog een geschikt middel was en zo ja, of sluiting noodzakelijk was. Maar de burgemeester heeft deze beoordeling in dit besluit niet gemaakt. Dit had wel van hem verwacht mogen worden. Oorspronkelijk zou de woning bijna vier maanden nadat de hennep in de woning was aangetroffen worden gesloten voor een periode van drie maanden. Inmiddels waren er weer ruim twee maanden verstreken, waarna de burgemeester alsnog wilde sluiten voor drie maanden. De burgemeester heeft in dit besluit volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2023, waarin het verzoek om een voorlopige voorziening was afgewezen. Maar in die uitspraak is alleen een voorlopig oordeel gegeven over de rechtmatigheid van het besluit van 17 januari 2023 en is dus niet getoetst of een latere sluiting voor drie maanden nog steeds rechtmatig zou zijn. Bovendien dateert die uitspraak van voor de onder 8 genoemde overzichtsuitspraak en is bij dit voorlopige oordeel geen rekening gehouden met de daarin aangescherpte criteria voor een woningsluiting. Een beoordeling van de geschiktheid en noodzakelijkheid van een sluiting van de woning voor drie maanden per 6 april 2023 ontbreekt ook in de beslissing op bezwaar. Ook deze ziet alleen op het besluit van 17 januari 2023 en de daarin voorgenomen sluiting per 3 februari 2023. Ook in (hoger) beroep heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd waarom de sluiting op 6 april 2023, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt en noodzakelijk middel is om de doelen te bereiken die met de sluiting worden gediend. Voor dat oordeel is het volgende van belang.

10.3.1. De burgemeester heeft toegelicht dat de sluiting niet alleen als doel heeft het beëindigen van de overtreding en het tenietdoen van de gevolgen, maar ook het voorkomen van verdere overtredingen. In dat verband heeft hij zich in de kern op het standpunt gesteld dat de sluiting ondanks het tijdsverloop nog geschikt is om deze doelen te bereiken, omdat de sluiting is bedoeld om een signaal af te geven naar de voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk en de drugscriminelen dat wordt opgetreden tegen drugscriminaliteit. Maar een bestuursrechtelijke herstelsanctie is niet bedoeld om als afschrikking te dienen of uitsluitend nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2923, onder 7.2.

10.3.2. De burgemeester heeft niet anderszins toegelicht waarom de door hem genoemde doelen nog bereikt zouden kunnen worden door de woning op 6 april 2023 alsnog voor drie maanden te sluiten. In dit concrete geval is namelijk alleen bekend dat een kilo henneptoppen is aangetroffen. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken van een impact van de overtreding op de omgeving of van relevante voorvallen na het constateren van de overtreding.

10.3.3. Bij gebreke aan verdere aanknopingspunten over de concrete omstandigheden van dit geval mag dan ook worden verondersteld dat op 6 april 2023 door het tijdsverloop de situatie ter plaatse al was hersteld en de negatieve effecten van de overtreding, waaronder de mogelijke rol van de woning in het criminele drugscircuit, ongedaan zijn gemaakt. Alleen al daarom moet worden geoordeeld dat de sluiting van de woning voor drie maanden op 6 april 2023 niet meer geschikt was om de beoogde doelen te bereiken.

10.4. Het betoog slaagt.

Slotsom

11. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 23 mei 2023 is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen, het besluit van 17 januari 2023, zoals gewijzigd bij besluit van 29 maart 2023, herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit. Dit betekent dat de burgemeester de woning van [appellant A] en [appellant B] op 6 april 2023 niet meer had mogen sluiten. Tegen deze achtergrond behoeven de overige gronden geen bespreking.

12. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden, waarbij rekening is gehouden met wat is overwogen onder 6.1.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 februari 2025 in zaak nr. 23/1458, voor zover de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en de Staat heeft veroordeeld in de proceskosten die [appellant A] en [appellant B] voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn hebben moeten maken tot een bedrag van € 226,75;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de burgemeester van Sittard-Geleen van 23 mei 2023, kenmerk BZW.1.23.0033.001/2893936;

V. herroept het besluit van de burgemeester van Sittard-Geleen van 17 januari 2023, kenmerk 2881431, zoals gewijzigd bij besluit van 29 maart 2023, kenmerk 2888448;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 mei 2023;

VII. veroordeelt de burgemeester van Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van bij het bezwaar, verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.521,50 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de burgemeester van Sittard-Geleen aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Sluis

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

802-1101

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.A. van de Sluis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand