202304495/1/R3.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B] (tezamen: [appellant A]), wonend in [woonplaats], gemeente Ooststellingwerf,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 mei 2023 in zaken nrs. 21/1964 en 21/2279 in het geding tussen:
1. [appellant A],
2. motorsportvereniging de Prikkedam (MSV de Prikkedam)
en
het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college MSV de Prikkedam (MSV de Prikkedam) gelast om het in artikel 5.4.2 van de planregels van het bestemmingsplan "motorcrossterrein “De Prikkedam" toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden.
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het college de door MSV de Prikkedam en door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij besluit van 2 november 2021 heeft het college de last onder dwangsom ingetrokken.
Bij uitspraak van 30 mei 2023 heeft de rechtbank de door MSV de Prikkedam en door [appellant A] tegen het besluit van 1 juni 2021 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard, en de van rechtswege ontstane beroepen van hen tegen het besluit van 2 november 2021 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak 202304401/1/R3 behandeld op een zitting van 23 juni 2026, waar [appellant A] en [appellant B] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.A. Soppe en mr. J.J. Scheltens-Fokke, advocaten in Almelo, vergezeld door M. Brinks en A.C. de Jong, zijn verschenen. Verder is op de zitting MSV de Prikkedam, vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat in Bolsward, vergezeld door [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college aan MSV de Prikkedam een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. MSV de Prikkedam is de gebruiker van het motorcrossterrein “De Prikkedam aan de Prikkedam 1A. Op het terrein ligt een motorcrosscircuit dat wordt gebruikt voor wedstrijden en voor trainingen. [appellant A] woont aan de [locatie] ten zuidoosten van het motorcrossterrein. Hij heeft het college op 8 januari 2015 verzocht om handhavend op te treden in verband met onder meer geluidhinder. Het college heeft dat verzoek toegewezen en heeft MSV de Prikkedam op 8 november 2016 en op 7 mei 2019 lasten onder dwangsom opgelegd in verband met de overtreding van geluidsvoorschrift F3 in de aan MSV de Prikkedam in 2001 verleende milieuvergunning voor het oprichten en in werking hebben van het motorcrossterrein. Op 7 oktober 2019 heeft de raad van Ooststellingwerf het bestemmingsplan "motorcrossterrein “De Prikkedam" vastgesteld. In artikel 5.4.2 van de planregels zijn geluidsnormen opgenomen. Het college heeft tijdens een training op 8 maart 2020 een overschrijding van het maximale geluidsniveau geconstateerd. Daarom heeft het college op 17 maart 2020 aan MSV de Prikkedam een vervangende last onder dwangsom opgelegd. Dit besluit is aan de orde in de zaak met procedurenummer 202304401/1/R3.
3. Op 8 december 2020 heeft het college een volgende last onder dwangsom opgelegd, omdat de dwangsom die was verbonden aan de last van 17 maart 2020 tot het maximum was verbeurd en de illegale situatie bleef voortduren. Het college heeft MSV de Prikkedam bij dit besluit van 8 december 2020 opnieuw gelast om het in artikel 5.4.2 van de planregels toegestane maximale geluidsniveau tijdens trainingen niet te overschrijden, onder oplegging van een dwangsom van € 4.000,00 per dag waarop een overschrijding is geconstateerd, met een maximum van € 20.000,00. Bij het besluit op bezwaar van 1 juni 2021 is het college bij dat besluit gebleven. MSV de Prikkedam heeft daartegen beroep ingesteld. Ook [appellant A] heeft daartegen beroep ingesteld omdat hij vindt dat het college een hogere dwangsom aan de last had moeten verbinden.
4. Bij besluit van 2 november 2021 heeft het college de last onder dwangsom op verzoek van MSV de Prikkedam ingetrokken, met toepassing van het door hem op 17 december 2019 vastgestelde beleid in het "Toezicht- en handhavingsplan motorcrossterrein “De Prikkedam". Daarin staat dat als er bij zes opeenvolgende geluidsmetingen geen overtreding wordt vastgesteld, een opgelegde last onder dwangsom wordt ingetrokken. Volgens het college zijn in dit geval bij elf opeenvolgende geluidsmetingen door een toezichthouder van de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO), die zijn uitgevoerd op verschillende beoordelingspunten, geen overtredingen vastgesteld.
5. De rechtbank heeft onder meer het beroep van [appellant A] tegen het besluit van 1 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard en zijn beroep tegen het besluit van 2 november 2021 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep
6. [appellant A] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de last onder dwangsom niet met toepassing van het Toezicht- en handhavingsplan mocht intrekken, omdat de in artikel 5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van een jaar na de oplegging van de last nog niet was verstreken.
6.1. Artikel 5:34, twee lid, van de Awb luidt:
"Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd."
6.2. Artikel 5:34 van de Awb houdt geen beperking in van de algemene bevoegdheid die het bevoegd gezag toekomt om, al dan niet op een verzoek, een eerder genomen besluit te wijzigen of in te trekken. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:644, onder 9.1, zijn in artikel 5:34 van de Awb twee situaties genoemd die aanleiding kunnen geven om een last op te heffen, maar kunnen ook andere, niet in dat artikel bedoelde omstandigheden tot opheffing van de last leiden. Voor toepassing van die algemene bevoegdheid tot intrekking van een last onder dwangsom is niet vereist dat een jaar moet zijn verstreken zonder dat de dwangsom is verbeurd. Het stond het college dan ook vrij om beleid vast te stellen dat onder omstandigheden de mogelijkheid biedt om een last eerder in te trekken. De rechtbank heeft terecht geen reden gevonden voor het oordeel dat het Toezicht- en handhavingsplan de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat.
Het betoog slaagt niet.
7. [appellant A] betoogt dat de metingen volgens welke de last is nageleefd, gebrekkig waren. De metingen omvatten niet de gehele drie uur van een training, maar slechts de momenten tijdens de training dat de toezichthouder crossgeluiden waarnam. Daardoor is bij de metingen niet het juiste langtijdgemiddelde geluid vastgesteld. De metingen zijn niet representatief, omdat de gebruikers van het motorcrosscircuit konden weten wanneer er werd gemeten en daar hun gedrag op hebben aangepast. Uit het rapport van 3 mei 2020 blijken wel degelijk overschrijdingen van geluidsniveaus. Volgens [appellant A] blijken deze uit de metingen die hij zelf heeft uitgevoerd.
7.1. De Afdeling stelt voorop dat de opgelegde last onder dwangsom alleen ging over overschrijding van het maximale geluidsniveau tijdens trainingen. Voor de vraag of het college deze last met toepassing van het Toezicht- en handhavingsplan mocht intrekken, is daarom alleen van belang of uit ten minste zes opeenvolgende metingen is gebleken dat MSV de Prikkedam dit maximale geluidsniveau tijdens trainingen heeft overschreden. Of bij de metingen al dan niet het juiste langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is vastgesteld, is daarom in deze procedure niet relevant.
7.2. De Afdeling stelt vast dat uit verschillende van de elf meetrapporten die het college aan zijn besluit tot intrekking van de last ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat tijdens de metingen met minder motoren werd getraind dan gebruikelijk. Uit de rapporten blijkt ook dat de toezichthouder van de FUMO er rekening mee houdt dat dit samenhangt met de zichtbare aanwezigheid van meetapparatuur op deze momenten. Op de zitting heeft de toezichthouder van de FUMO toegelicht dat het aantal motoren dat heeft deelgenomen aan de trainingen niet van wezenlijke invloed is op het maximale geluidsniveau. De Afdeling acht dit aannemelijk. Als het maximale geluidsniveau vooral wordt bepaald door individuele motoren die op korte afstand langs het meetpunt rijden, kan ook bij een laag aantal motoren dit geluidsniveau betrouwbaar worden gemeten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de meetrapporten niet ten grondslag mocht leggen aan zijn besluit om de last in te trekken.
7.3. Het college hoefde niet te vermoeden dat MSV de Prikkedam de last in de periode van de elf metingen toch niet steeds heeft nageleefd. Het meetrapport van 3 mei 2020 is van vóór het opleggen van de last onder dwangsom van 8 december 2020 en daarom niet relevant voor de beoordeling of MSV de Prikkedam deze last heeft nageleefd. De door [appellant A] zelf verrichte indicatieve metingen zijn niet correct verricht.
Het betoog slaagt niet.
Overige gronden
8. Zoals op de zitting is besproken, kan wat [appellant A] voor het overige in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet leiden tot het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2023 over de intrekking van de last onder dwangsom onjuist is. De Afdeling zal daar daarom in deze uitspraak niet verder op ingaan.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Overschrijding redelijke termijn
10. [appellant A] en MSV de Prikkedam hebben in de zaak met nummer 202304401/1/R3, die gelijktijdig met deze zaak met nummer 202304495/1/R3 is behandeld op de zitting, verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover met die verzoeken ook is beoogd om in deze zaak met nummer 202304495/1/R3 te verzoeken om schadevergoeding, overweegt de Afdeling het volgende.
Bij uitspraak van vandaag in de zaak met nummer 202304401/1/R3 (ECLI:NL:RVS:2026:5601) heeft de Afdeling de verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De zaak met nummer 202304495/1/R3 heeft in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp en is van latere datum. Het is niet aannemelijk dat de duur van deze procedure bij MSV de Prikkedam en [appellant A] extra spanning en frustratie heeft veroorzaakt die tot een hogere schadevergoeding moet leiden dan het bedrag dat in de uitspraak in de zaak met nummer 202304401/1/R3 is toegekend.
Proceskosten
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Witsen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
727