202406852/1/R3.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Diepenheim, gemeente Hof van Twente,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Hof van Twente,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2024 heeft de raad het plan "Diepenheim, herziening Ruimersdijk-Leusensweide" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 september 2026, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [appellant] en [persoon], en de raad, vertegenwoordigd door A. Tichelaar en B.J.M. Beernink-Rouweler, zijn verschenen. Ook is Raedthuys Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], op de zitting gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 7 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Raedthuys Vastgoed B.V. wil het plangebied herontwikkelen door hier veertien woningen te bouwen. De raad heeft het plan vastgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Het naastgelegen bedrijfsperceel krijgt een woonbestemming, omdat hier geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaatsvinden. Voorheen hadden de gronden in het plangebied de bestemming "Groen - Groene ruimte", "Water" en "Bedrijf".
[appellant] en anderen wonen grenzend aan het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen.
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ingetrokken beroepsgronden
4. Op de zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgronden over stikstof en de afstand tussen de nieuwe woningen en de tennisbaan ingetrokken.
Participatie
5. [appellant] en anderen betogen dat onvoldoende is gedaan met de inbreng van omwonenden in het participatietraject. Bevindingen van omwonenden werden afgedaan met "we hebben ernaar gekeken, maar we gaan er niet in mee". Tijdens het gesprek met ambtenaren over de zienswijzen werden geen antwoorden gegeven op de ingediende punten uit de zienswijzen. Het was volgens [appellant] en anderen duidelijk dat de initiatiefnemer er vanaf het begin geen zin in had, en het proces alleen als verplicht onderdeel doorliep. Ook blijkt uit het grote aantal ingediende zienswijzen volgens [appellant] en anderen dat draagvlak voor het plan ontbreekt.
5.1. De raad stelt dat het participatietraject zorgvuldig is verlopen. Een van de voorwaarden voor een positief principebesluit van het college was dat de initiatiefnemer de omwonenden bij het plan moest betrekken. Volgens de raad heeft de initiatiefnemer hieraan voldaan. De raad verwijst hierbij naar het participatieverslag.
Verder wijst de raad erop dat het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen en zienswijzen ingediend konden worden. Er zijn tien zienswijzen binnengekomen en het plan is naar aanleiding hiervan op enkele punten aangepast. De indieners van zienswijzen zijn op de hoogte gesteld van de raadsvergadering en van de vaststelling van het plan.
5.2. De Afdeling stelt vast dat het plan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Niet is gebleken dat de raad niet op de juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en een ieder heeft de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Naar aanleiding van de zienswijzen is het plan ook aangepast. Het college heeft aangegeven medewerking te verlenen aan de initiatiefnemer op voorwaarde dat hij direct omwonenden betrekt bij de ontwikkeling van het plan. Uit het participatieverslag blijkt dat er verschillende participatiegesprekken hebben plaatsgevonden. Dat niet alle door [appellant] en anderen gewenste aanpassingen zijn doorgevoerd, betekent niet dat niet is voldaan aan de eisen die aan de voorbereiding van het plan zijn gesteld.
Verder bestaat er geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Het is aan de gekozen raad om hierover besluiten te nemen.
De betogen slagen niet.
Behoefte aan de voorziene woningen
6. [appellant] en anderen betogen dat er geen behoefte is aan de voorziene woningen. Uit het onderzoek Woningbouwprogramma 2024 van de gemeente Hof van Twente blijkt dat er voor de kern Diepenheim tot 2040 behoefte is aan 40 woningen. Er is echter een plan onherroepelijk voor 54 verpleegappartementen. Volgens [appellant] en anderen worden verpleegappartementen ten onrechte niet meegenomen in de aantallen. Er zijn volgens hen zonder het voorliggende plan al voldoende nieuwe woningen in ontwikkeling.
Uit de Woonvisie 2024 Hof van Twente blijkt volgens [appellant] en anderen dat het totale aantal te ontwikkelen woningen uitkomt op 137. Meer dan drie keer het aantal dat het woningbouwbehoefte onderzoek aangeeft.
[appellant] en anderen voeren aan dat in de laddertoets in de plantoelichting ten onrechte geen gebruik is gemaakt van de meest recente gegevens en prognoses. Er is alleen verwezen naar het Woningbouwprogramma 2022 en de Regionale Woondeal Twente en niet naar het Woningbouwprogramma 2024 van de gemeente Hof van Twente. Zonder deze actuele informatie wordt de behoefte aan extra woningen mogelijk onjuist weergegeven, waardoor er een risico bestaat dat overbodige plancapaciteit wordt gecreëerd. Volgens [appellant] en anderen is het plan daarom in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgesteld.
6.1. De raad stelt dat er behoefte is aan de voorziene woningen. Volgens de raad hoeft het verpleeghuis niet meegenomen te worden in het woningaanbod. Het gaat om een zorgfunctie, waarin geen zelfstandige woningen worden gerealiseerd, maar zorgappartementen waarin enkel gewoond mag worden in de samenhang met centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging.
Ten tijde van het opstellen van het plan (tweede helft 2023) is uitgegaan van de gegevens uit het Woningbouwprogramma 2022. De raad wijst erop dat dit een uitwerking is van de Woonvisie Hof van Twente 2021-2025. In deze Woonvisie zijn de uitgangspunten voor de woningbouwopgave voor de periode 2021-2025 vastgelegd. Het Woningbouwprogramma 2024 is ook een uitwerking van de Woonvisie Hof van Twente. Beide woningbouwprogramma's zijn volgens de raad geënt op dezelfde Woonvisie en geven ten aanzien van de cijfers met betrekking tot de woningbouwprognose aan dat het voorliggende plan passend is.
Verder merkt de raad op dat de inbreidingslocaties in Diepenheim worden geduid in de concept Omgevingsvisie en niet in de concept Woonvisie. Hierop staan acht locaties weergegeven, waaronder het plangebied. Er staan geen aantallen woningen weergeven per locatie, omdat er ook locaties zijn weergegeven die (nog) niet in ontwikkeling zijn. De raad stelt dat het aantal van 137 woningen niet klopt en dat onduidelijk is waar dit vandaan komt. Er zijn in totaal 48 woningen voorzien in de plannen die in voorbereiding of ontwikkeling zijn in Diepenheim.
6.2. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:
"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
6.3. De Afdeling stelt vast dat het aantal van 40 woningen waar [appellant] en anderen naar verwijzen de ‘richtlijn minimale behoefte’ is voor de kern Diepenheim. De raad heeft toegelicht dat er 48 woningen in voorbereiding of ontwikkeling zijn in Diepenheim, inclusief het voorliggende plan. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de raad de zorgwoningen hierin niet mee te nemen en was het Woningbouwprogramma 2022 ten tijde van de vaststelling van het plan niet zo gedateerd dat de raad niet uit kon gaan van dit woningbouwprogramma. De raad heeft ook toegelicht dat het Woningbouwprogramma 2024 is gebaseerd op dezelfde Woonvisie als het Woningbouwprogramma 2022.
In de plantoelichting is onderbouwd dat er een lokale behoefte bestaat aan 90 tot 105 grondgebonden woningen en dat met de huidige plancapaciteit en binnenstedelijke ontwikkelruimte onvoldoende ruimte beschikbaar is om te kunnen voorzien in die behoefte. Daarnaast is er ook nog bovenlokale en bovenregionale behoefte. In de nota van zienswijzen is de raad hier verder op ingegaan. Hierin staat dat de behoefte voor de hele gemeente (het verzorgingsgebied) is geraamd op 675 tot 730 extra woningen voor de periode 2020-2030. Verder staat in de nota van zienswijzen: "Daarvan zijn er ca. 400 woningen in harde plancapaciteit (onherroepelijke bestemmingsplannen) beschikbaar. Dat betekent dat er gemeentebreed nog minimaal 330 woningen in plannen bij moeten komen. Bij een programmering van 130% zouden er minimaal 549 woningen in plannen bij moeten komen. Voorliggend plan draagt daaraan bij en past binnen de gemeentelijke woningbehoefte". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de behoefte aan de voorziene woningen hiermee voldoende onderbouwd.
Het betoog slaagt niet.
Artikel 2.1.3, eerste lid, Omgevingsverordening Overijssel
7. [appellant] en anderen betogen dat het plan niet voldoet aan de twee voorwaarden uit artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel. In de concept omgevingsvisie Hof van Twente wordt het plangebied pas aangewezen als inbreidingslocatie. Hierin staat echter ook dat Diepenheimers hebben gemeend niet alles vol te bouwen en bestaand groen te behouden.
7.1. De raad stelt dat artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel alleen van toepassing is op gronden buiten ‘bestaand bebouwd gebied’, terwijl het plangebied hierbinnen ligt. Het artikel is erop gericht om inbreiding in de kern (bestaand bebouwd gebied) te laten prevaleren boven uitbreiding in het buitengebied (groene omgeving). Het plangebied ligt in het plangebied van het voorgaande plan "Diepenheim", dat is vastgesteld voor de kern van Diepenheim. Hieruit blijkt volgens de raad dat het plangebied moet worden aangemerkt als 'bestaand bebouwd gebied' en niet als ‘de groene omgeving’.
7.2. Artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel luidt:
"Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:
• dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
• dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut."
7.3. De voorwaarden uit artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel zijn alleen van toepassing op gronden die liggen binnen de ‘groene omgeving’ in de zin van de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening is de ‘groene omgeving’ gedefinieerd als "de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied". Het begrip ‘bestaand bebouwd gebied’ is gedefinieerd als "de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro". Het begrip ‘stedelijke functies’ is in de Omgevingsverordening gedefinieerd als "functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen".
Het voorgaande bestemmingsplan kende al stedelijke functies toe aan de gronden in het plangebied. De gronden in het plangebied hadden namelijk de bestemmingen "Bedrijf", "Water", "Groen - Groene ruimte" en de bestemming "Woongebied". De gronden in het plangebied zijn daarom naar het oordeel van de Afdeling niet aan te merken als ‘groene omgeving’ in de zin van de Omgevingsverordening, en de twee voorwaarden uit artikel 2.1.3, eerste lid, van de Omgevingsverordening zijn niet van toepassing op het plan.
Het betoog slaagt niet.
Verlies groen
8. [appellant] en anderen betogen dat de voorziene ontwikkeling ten koste gaat van te veel groen. Er worden groen, bomen en een groenwal vernietigd. Voor het onderhoud van de watergang moet het groen aan de westzijde bebouwingsvrij en groen blijven. Op deze strook gelden wel beperkingen vanuit de planregels, maar er zijn een aantal uitzonderingen en mogelijkheden tot wijziging van de planregel. [appellant] en anderen willen daarom dat de westelijke groenstrook eigendom wordt van de gemeente, in plaats van uitgeefbare grond, zodat de gemeente het onderhoud verzorgt en toezicht houdt op het gebruik van de strook grond.
In het groenplan staat dat twee essen behouden blijven, maar [appellant] en anderen vrezen dat de bouw van de dichtstbijzijnde twee-onder-een kap woningen de wortelstructuur zal beschadigen. De wortelstructuur kan namelijk wel drie keer zo groot zijn als de kroondiameter (van zeker vijftien meter). Ook vrezen [appellant] en anderen dat de toekomstige eigenaren de bomen zullen snoeien of een verzoek tot kap zullen doen. Daarnaast biedt het plan de mogelijkheid om een aanbouw/garage te bouwen aan de meest westelijk gelegen twee-onder-een-kap woning. [appellant] en anderen achter deze bouwmogelijkheid ongewenst vanwege de mogelijke aantasting van de essen.
Volgens [appellant] en anderen wordt de monumentale eik in de bestaande groenwal ten onrechte gerooid. Onderzoek door initiatiefnemer geeft aan dat aantasting van de boom binnen zo’n tien jaar kan leiden tot een verhoogde kans op windworp of lage stambreuk. Omwonenden zien een gezonde boom. Met een woning minder in de rij had het blok meer oostwaarts verplaatst kunnen worden en had de monumentale eik voorlopig behouden kunnen blijven.
8.1. De raad stelt dat zo veel mogelijk groen in het plangebied behouden blijft door het opnemen van twee groene zones in het plan.
Aan de westzijde is een groenzone opgenomen van zeven meter breed. De hier gelegen sloot van het waterschap blijft toegankelijk voor onderhoud, en er wordt een buffer gecreëerd tussen de nieuwe en bestaande woningen. Om de essen niet alleen binnen de groenbestemming te beschermen maar ook binnen de bestemming "Woongebied - 1", is ter plaatse van de bomen de dubbelbestemming "Waarde-boom" opgenomen. De raad wijst erop dat door deze beschermingszone ook binnen deze bestemming het plaatsen van bebouwing binnen de kroonprojectie van de essen is uitgesloten. Bij de meeste essen bedraagt het wortelgestel volgens de raad één tot anderhalf maal de omvang van de kroonprojectie. De essen zijn gesitueerd aan de rand van het perceel, in de beschermde groene zone en met de beschermende dubbelbestemming "Waarde-Boom". Hierdoor is het deel van het wortelgestel dat zou kunnen liggen op gronden waar zou kunnen worden gebouwd volgens de raad beperkt.
Verder wijst de raad erop dat de genoemde eik na onderzoek bleek te zijn aangetast met zwam en witrot, waardoor de verwachte levensduur van deze boom aanzienlijk wordt verkort. Daarom is besloten om deze boom te verwijderen. Door het opschuiven van de rijwoningen in oostelijke richting komen deze verder van de bestaande woningen te liggen en komt er aan de westelijke zijde ruimte vrij voor het herplanten van een nieuwe boom. Door deze extra ruimte kan de boom zich volgens de raad ontwikkelen tot zijn verwachte omvang. Verder merkt de raad op dat het niet gaat om een monumentale boom.
8.2. Aan de gronden aan de westzijde van het plangebied naast de watergang is de enkelbestemming "Groen" toegekend, en de dubbelbestemming "Waterstaat - Bebouwingsvrij".
Artikel 3.1 van de planregels luidt:
"De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen;
b. voet- en fietspaden;
[…]."
Artikel 3.2 luidt:
"Het bouwen op de gronden met de bestemming 'Groen' is aan een aantal regels gebonden."
Artikel 3.2.1 luidt:
"Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd".
Artikel 7.1 luidt:
"De voor 'Waarde - Boom' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de levensvatbaarheid en ruimtelijke, monumentale en ecologische betekenis van bomen met dien verstande dat bij de beoordeling van het behoud van de bomen ook rekening wordt gehouden met de gemeentelijke Bomenverordening. Bestaande gebouwen en bouwwerken zijn binnen de bestemming toegestaan".
Artikel 7.2 luidt:
"a. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, daarop uitgezonderd de de herbouw van bestaande gebouwen en bouwwerken.
b. Op deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd".
Artikel 8.1 luidt:
"De voor 'Waterstaat - Bebouwingsvrij' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van waterschapsbelangen".
Artikel 8.2 luidt:
"a. In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming.
b. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
c. Op deze gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd."
8.3. In het plangebied zijn twee groenzones opgenomen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor een plan had moeten kiezen met meer groenvoorzieningen. Aan de strook grond aan de westzijde van het plan is door het toekennen van de bestemming "Groen" en de dubbelbestemming "Waterstaat-Bebouwingsvrij" geborgd dat deze strook grond een open groene invulling krijgt. Door artikel 8.2 van de planregels is deze invulling ook geborgd bij verkoop van de gronden. De gronden blijven toegankelijk voor onderhoud aan de sloot.
Bij de meeste essen bedraagt het wortelgestel volgens de raad één tot anderhalf maal de omvang van de kroonprojectie. De raad heeft aan de gronden rondom de essen tot zo’n anderhalf maal de omvang van de kroonprojectie de dubbelbestemming "Waarde-Boom" toegekend. De raad heeft hiervoor gekozen om het bouwen binnen de kroonprojectie van de essen te voorkomen. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de raad de essen niet verder te beschermen. Het gaat niet om bomen met een beschermde status.
Verder heeft de raad het rapport "Quickscan bomen effect analyse plan Ruimersdijk/Leusensweide Diepenheim" van Expedio Arbori van 17 juli 2023 (de quickscan) overgelegd. In de quickscan staat dat de eik, ook in onveranderde omstandigheden, een matig toekomstperspectief heeft. Dat [appellant] en anderen nu een gezonde boom zien doet hier niet aan af. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de eik planologisch beschermd had moeten worden.
In de quickscan is overigens als advies gegeven om het woningblok te verschuiven, waardoor er een grotere (openbare) ruimte overblijft voor herplant van een boom welke kan uitgroeien tot een vergelijkbaar formaat als dat nu het geval is. De raad heeft hiervoor gekozen. Er zal dus herplant plaatsvinden.
Het betoog slaagt niet.
Bebouwingsmogelijkheden
9. [appellant] en anderen betogen dat het plan te ruime bebouwingsmogelijkheden biedt. Er kunnen woningen direct tegen de groenbestemming worden gebouwd. Volgens [appellant] en anderen moet het bouwvlak aan de noordwestzijde van het plangebied naar het oosten worden verschoven. De nieuwe woning die hier is voorzien kan namelijk aanzienlijk dichter op de bestaande woningen komen te staan dan nu geschetst wordt in bijvoorbeeld het groenplan.
9.1. De raad stelt dat het niet aannemelijk is dat een woning aan de noordwestzijde van het plangebied tegen de groenbestemming aan gebouwd zal worden. Het bouwvlak heeft de bouwaanduiding "Twee-aan-een". Het plaatsen van twee vrijstaande woningen binnen dit bouwvlak is niet toegestaan. Hierdoor zal het te plaatsen dubbele blok (twee-onder-een-kap) in het midden op het bouwvlak moeten worden gepositioneerd. Het is mogelijk dat er aan de zijde van de groenbestemming een aanbouw/berging of parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Dit is volgens de raad echter een algemene gangbare invulling van een bouwkavel en gelet op de ruime opzet van het plan ruimtelijk gezien passend binnen de stedenbouwkundige opzet in dit deel van Diepenheim.
9.2. Naar het oordeel van de Afdeling biedt het plan geen onaanvaardbare bebouwingsmogelijkheden. Tussen de bestaande woningen en de nieuwe woningen zit een groenstrook (met watergang) van zeven meter. Tussen het bouwvlak van de dichtstbijzijnde bestaande woning van [appellant] en anderen en het bouwvlak in het voorliggende plan zit vijftien meter. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het dichtstbij de woning van [appellant] en anderen opgenomen bouwvlak meer naar het oosten verplaatst had moeten worden.
Het betoog slaagt niet.
Verkeersveiligheid
10. [appellant] en anderen betogen dat de Leusensweide en de kruising met Kremersweide niet geschikt is voor de ontsluiting van het gebied. De kruising Leusensweide en Kremersweide is vanuit het plangebied onoverzichtelijk. Er is tijdens het participatietraject voorgesteld om de ontsluiting van het plan via de Ruimersdijk te laten lopen eventueel in combinatie met de Leusensweide. Volgens [appellant] en anderen is dit voorstel ten onrechte afgewezen. Het plan zou op zijn minst op twee manieren ontsloten moeten worden.
10.1. De raad stelt dat de voorziene ontsluiting verkeersveilig is. Van de veertien woningen die het plan mogelijk maakt, worden vijf woningen rechtstreeks op de Ruimersdijk ontsloten. De verkeersbewegingen van de overige negen woningen (69 verkeersbewegingen) worden afgewikkeld via een nieuw aan te leggen ontsluiting op de Leusensweide/Kremersweide. Deze wegen en ook het hier gelegen kruispunt hebben volgens de raad een wegprofiel dat het (geringe) aantal van 69 verkeersbewegingen goed kan verwerken. Ook biedt het wegprofiel voldoende ruimte om bij eventuele calamiteiten de hulpdiensten toegang te verschaffen.
10.2. In paragraaf 3.3.3 van de plantoelichting is de voorziene verkeerssituatie rondom het plangebied toegelicht. De ontsluiting van de zuidelijke rij woningen aan de Ruimersdijk vindt plaats op de Ruimersdijk. De overige verkeersgeneratie van 69 verkeersbewegingen wordt afgewikkeld via een nieuw aan te leggen ontsluiting op de Leusensweide. De raad heeft toegelicht dat de Leusensweide voldoende capaciteit heeft om het verkeer afkomstig van deze negen woningen in het plangebied op een vlotte en veilige manier af te wikkelen. De omliggende infrastructuur is in voldoende mate ingericht om de verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te wikkelen. De raad heeft ook een interne verkeersmemo van 24 juli 2026 overgelegd. Hierin staat: "De Ruimersdijk is een relatief rustige woonstraat met een wegbreedte van 5 meter en langsparkeervakken buiten de rijbaan. Hierdoor biedt de Ruimersdijk voldoende capaciteit om deze extra hoeveelheid ritten veilig te kunnen afwikkelen". Verder staat in de verkeersmemo: "Het gedeelte van de Leusensweide tussen de Kremersweide en het nieuwe plan is net zo breedte als het gedeelte van de Leusenweide tussen de Kremersweide en de Boinksweide. Op dit gedeelte zijn in de bestaande situatie 11 woningen op ontsloten, zonder dat dit tot verkeersproblemen leidt. De Leusensweide en Kremersweide zijn relatief rustige woonstraten met voldoende capaciteit om deze extra hoeveelheid ritten veilig te kunnen afwikkelen". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hiermee voldoende onderbouwd dat de wegen de extra verkeersbewegingen goed kunnen verwerken. De kruising Leusensweide en Kremersweide is volgens de raad een standaard kruising en niet onoverzichtelijk. [appellant] en anderen hebben niet geconcretiseerd waarom verkeersonveilige situaties bij deze kruising zouden ontstaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van der Kolk, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Van der Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
944